18. Van wege de veelheid uwer ongerechtigheden door het onrecht uws koophandels hebt gij uwe heiligdommen, uwen heiligen zetel ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd (
Openbaring 7:16), en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien 1), en getuigen zijn van het gericht, dat Ik aan u volbreng, om u voor altijd te vernietigen.
1) Met die uitleggers, die in Tyrus het beeld zien van Rome en in Tyrus' koning dat van den Paus, kunnen we ons niet verenigen. Evenmin dat Tyrus het beeld zou zijn van den anti-Christ.
Want toch niet Tyrus, maar Babel is de ongoddelijke of ook wel de anti-goddelijke wereldmacht, is zowel in Oud- als Nieuw Testament het beeld van den anti-Christ.
Tyrus is hier veeleer het beeld of de verpersoonlijking van den anti-goddelijken wereldhandel, de vertegenwoordigster van den Mammon-dienst.
Het is ook daarom dat de Profeet hier ziet op het einde der eeuwen. Alles wat zich tegen God en Zijnen Christus verzet, al wat zich tegen de Kerk, gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, verzet, zal vernietigd worden, zodat er niets meer van zal overblijven.
Niet op eens, maar toch zeker, gelijk Tyrus niet op eens het schrikkelijk lot heeft ondergaan, wat hier wordt aangekondigd, maar in den loop der eeuwen. 19. Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en gij zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (Hoofdstuk 27:36).
Welke de zin en zamenhang is volgens de gewone wijze van verklaring stellen wij in de volgende inhoudsopgave van Kliefoth voor: "de koning van Tyrus was het slot, het toppunt van het goed ingerichte gebouw van den Tyrischen staat, zelf wijs en schoon (Vers 12); ene paradijsachtige volheid en lieflijkheid en heerlijkheid omgaf hem, edelgesteenten en goud bedekten hem, wanneer hij gezien werd, en aan de pracht van zijnen harem, hem bij zijne troonsbestijging ten doel gevallen, ontbraken geen trommelen en pijpen (Vers 13). Evenals de cherub nevens de plaats der tegenwoordigheid Gods in het Allerheilige stond, zo stond hij als gezalfde koning naast het rationale heiligdom, naast den nationalen god van Tyrus. God zelf, de Waarachtige, had hem in dat alles gezet; hij zat zo op den heiligen godesberg Tyrus, ongenaakbaar als tussen vurige muren (Vers 14). En in dit alles was hij ongedeerd totdat hij zondigde. Maar evenals Adam in het Paradijs, zo viel hij (Vers 15 zijn handel sleepte hem in zonde voort, daarom wil God hem ook van den godesberg Tyrus wegdoen; hij moet weg uit zijnen vurigen muur, die hem ongenaakbaar maakt, hij, die als een Cherub nevens de godheid van Tyrus en de plaats harer tegenwoordigheid stond (Vers 16); hij moet onder op de aarde beschaamd worden voor de andere goden, door vuur verteerd, hij zal tot stof worden en niet meer zijn (Vers 17-19). "
20.
VI. Vers 20-26. De laatste in de rij der staten, welke Israël het naaste zijn, is Zidon. Daarom moet de voorzegging van den Profeet zich ook tegen deze stad richten, hoewel slechts in ene korte uitdrukking, die het Goddelijk gericht aankondigt en niets bevat omtrent de zonde, waaraan Zidon zich heeft schuldig gemaakt (Vers 20-23). Daarvan hebben wij reeds het ene zevental van dreigende voorzeggingen tegen buitenlandse volken gehad (Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, vorst van Tyrus, Zidon). De rede wendt ziet dus reeds hier tot een zien op Israël, en stelt de winst voor, die dit zal hebben van de gerichten Gods over hen, die rondom zijn en het benijden en verachten; dit zal mede strekken tot bereiking van den beloofden toekomstigen heerlijken toestand (Vers 24-26). Ene gelijke wending der rede zullen wij ook in Hoofdstuk 33:1-20 ontmoeten, wanneer het tweede zevental van strafprofetiën achter ons ligt, die allen over Egypte en zijnen koning handelen (Hoofdstuk 29:1-32:32).