36. De handelaars onder de volken fluiten u aan (
2 Kronieken 29:8.
Jeremia 51:37.
Klaagliederen 2:15 v.); gij zijt aan grote a) schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid (
Openbaring 8:19,
21)
a) Ezechiel 26:21.
In Vers 26 wordt het beeld, dat men had laten varen en waarin Tyrus als een prachtschip wordt voorgesteld, weer opgenomen: zijne roeiers, d. i. allen die Tyrus zo rijk en machtig en heerlijk hebben gemaakt, brachten het in hoge zee, dat niet zozeer ene politiek betekent, dat zich in gevaren begeeft, als wel de hoogvliegende, steeds meer naar grootheid en heerlijkheid strevende gedachten van den hoogmoed karakteriseert. Nu komt plotseling de storm, die het heerlijke, met alle rijkdommen der wereld beladene schip verbreekt, en alles, wat het in zich draagt, in de diepte der zee doet zinken. Deze storm wordt een Oostewind genoemd, zoals die in Hoofdstuk 17:10, 19:12 met het oog op zijn gloeiende, alles verdorrende en verzengende eigenschap gebruikt wordt als beeld van de wereldmacht, die het Davidische koningshuis vernietigt, zo dient hij hier om zijn hevig karakter, zijne geweldige kracht tot symbool van die macht, welke het trotse Tyrusschip met een paar geweldige stoten als in een ogenblik doet schipbreuk lijden. Ook in Openbaring 8:8, 10, 17, 19 is herhaaldelijk daarop nadruk gelegd, dat er aan de Roomse kerk op éénen dag, ja in één uur een einde komt met grote verdrukking. Het zijn de 10 vasallen-koningen van het dier uit de zee, die haar woest maken en verbranden, zonder dat toch het gebeurde ons nader wordt beschreven. Deze koningen zijn de tien hoornen van het dier, de dragers der laatste ontwikkeling van de anti-goddelijke wereldmacht, die tot den persoonlijken antichrist worden en diens bedoeling doen (Openbaring 7:12) Men kan volgens het profetisch spraakgebruik zeer goed zeggen: het Babel als laatste trap der Gode vijandige wereldmacht doet het Babel vallen als laatste trap der boelerende kerkmacht. Juist in het begrip "Babel" zijn twee vijanden van God en van Zijnen Christus verenigd, van welke de ene door de andere wordt vernietigd, totdat vervolgens deze wederom door Christus zijnen ondergang vindt (Openbaring 9:11), opdat de laatste voortaan niet meer alleen geestelijk maar ook wereldlijk alleenheerser zij (Openbaring 0:1) Om die toepassing op Babel, welke ook voor de laatste vorming van de wereldmacht in toepassing komt, is juist de Oostewind die, welke het beste past voor een beeld van den storm, welke Tyrus, wanneer men het om zo te zeggen in zijn kerkelijk geschiedkundigen zin neemt, aangrijpt en verwoest; want Babel ligt in betrekking tot Rome oostelijk. Maar ook over Tyrus in wereld-geschiedkundigen zin, toen het op het einde der 13de eeuw door de Saracenen te niet ging, is de storm van het Oosten gekomen, want alle deze Mohammedaanse volken zijn "de vier engelen, die gebonden zijn bij de rivier Eufraat, " van welke in Openbaring :14, sprake is. "Met het oog op de fysische ligging van Tyrus zou de keus van een anderen wind juister zijn geweest, schrijft een uitlegger; maar de Profeet heeft zozeer geen belang in het fysische, maar in het symbolische. In Vers 27 zien wij Tyrus als een door een storm verbroken schip in de diepte van de zee duiken: a) met zijne handelswaren door de drie woorden "goed, marktwaren, goed des onderlingen koophandels" uitgedrukt; b) met zijne bemanning van matrozen, stuurlieden en timmerlieden of verbeteraars der lekken; c) met zijne passagiers, de mede reizenden, kooplieden, de beschermende krijgslieden en de overige menigte, waarschijnlijk het dienstdoend personeel. De katastrofe, die over Tyrus komt, wordt volgens Vers 29 door alle zeevaarders, die in nadere betrekking tot haar staan, als ene gemeenschappelijke aangezien, want even als de profetische rede Tyrus met een schip heeft vergeleken, zo neemt ook alles, wat in karakter daaraan verwant is, dit karakter aan, de personen van allen, die er mede in betrekking staan, of tot het gebied der stad behoren, worden tot scheepslieden, die in het lot levendig belangstellen en zich daardoor mede getroffen gevoelen. Omdat niets meer op de zee veilig is, wanneer de koningin der zee is moeten vallen, zo verlaten in Vers 29-31 allen, die zich op enig schip bevinden, in vreselijken angst zulk ene plaats van oponthoud; zij begeren zich aan land, om van daar een klaaggeschrei aan te heffen (vgl. hierbij in Openbaring 8:10, 15 en 17 het "van verre staan") en alle tekenen van treurigheid aan te nemen. Bij een groot ongeluk en zware nederlagen waren de Feniciërs gewoon aan de muren zwarte doeken op te hangen, en vellen aan de snebben der schepen uit te spannen. "Misschien moeten de woorden, met welke de Profeet de algemene weeklacht beschrijft, daaraan herinneren; tot verklaring daarvan zij echter reeds de algemeen in het Oosten gewone gebruiken (Deuteronomium 14:2) voldoende. Het klaaglied in Vers 32 v. vergelijkt den toestand der tegenwoordige doffe, dodelijke stilte met het vroegere geruis der stad. In Vers 35, 36 komen vervolgens bij de aan Tyrus meest nabij staande bewoners nog twee andere klagen, om het slotkoor te vormen, vooreerst de bewoners der verre kusten, met welke de stad in handelsbetrekkingen stond, ten dele koloniën daarvan waren en deze zijn het diepst door de katastrofe getroffen. De kooplieden van meer zelfstandig handeldrijvende, machtige volken honen nu Tyrus, dat voor altijd vernietigd is en geen mededinger meer is. Evenals het slotwoord: "en zult niet meer zijn in eeuwigheid" op het slotwoord Gods in Hoofdstuk 26:21 terugwijst: "als gij gezocht wordt, zo zult gij niet meer gevonden worden in eeuwigheid, " zo wijst het ook voorwaarts op het slotwoord der weeklacht van den Profeet over den koning van Tyrus, dat juist zo luidt; het is dus niet zozeer het spotlied der vreemde kooplieden, als wel ene Godsspraak, waarmee de klacht van den Profeet wordt besloten.