Ezechiël 28:20-26
Zijn heerlijkheid is het grote einddoel van God, beide in al het goede en in al het kwade dat "uit de mond des Allerhoogsten gaat," dat vinden wij ook in deze verzen.
1. God zal verheerlijkt worden in de verwoesting van Sidon, een stad, die dicht bij Tyrus lag, ouder dan Tyrus was, maar niet zo aanzienlijk, die afhankelijk was van Tyrus, en met haar stond en viel. God zegt hier: Ik wil aan u, o Sidon, en zal in het midden van u verheerlijkt worden, vers 22. En wederom, "die een zachtere behandeling niet begrepen, zullen weten dat Ik de Here ben, en Ik alleen, en, dat ik een rechtvaardig en ijverig God ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, gerichten van verwoesting, als Ik gericht geoefend heb, naar recht en naar het vonnis, dat geveld is, en aldus zal Ik in haar geheiligd zijn". Het schijnt, dat de Sidoniërs meer aan de afgoderij overgegeven waren dan de Tyriërs, die, als mannen van zaken, en van verkeer met allerlei volken, minder onder de macht stonden van dweepzucht en bijgeloof. De Sidoniërs stonden bekend om de eredienst van Asthoreth, die Salomo invoerde, 1 Koningen 11:5. Izebel was de dochter van de koning van Sidon, die de eredienst van Baäl onder Israël invoerde, 1 Koningen 16:31, zodat God door de Sidoniërs veelvuldig gehoond was. En nu zegt Hij: "Ik zal verheerlijkt worden, Ik zal geheiligd zijn." De Sidoniërs woonden op de grens van het land van Israël, waar God bekend was, en waar zij bekend met Hem konden worden en leren Hem te verheerlijken, maar, in plaats daarvan verleidden zij Israël de afgoden te dienen. Als God geheiligd wordt, wordt Hij verheerlijkt, want Zijn heiligheid is Zijn heerlijkheid, en die Hem niet heiligen en verheerlijken, in hen zal Hij zich zelf heiligen en verheerlijken, door gerichten aan hen te oefenen, die bewijzen, dat Hij een rechtvaardig wreker is van de gekrenkte eer van Zijn volk en van Hem zelf. De gerichten, die over Sidon geoefend zullen worden, zijn: krijg en pestilentie, twee oordelen, die verwoesten en ontvolken, vers 23. Het zijn twee boodschappers die Hij uitzendt met een opdracht, en zullen volbrengen hetgeen, waartoe hij hen uitzendt. Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, daar zullen de dode lichamen liggen van hen, die omgekomen zijn, sommigen door de plaag, veroorzaakt misschien door ongezond voedsel gedurende de belegering, en sommigen door het zwaard van de vijand, hoogstwaarschijnlijk de Chaldeeuwse legers na de inneming van de stad, toen allen over de kling gejaagd werden. Aldus zullen de gewonden geoordeeld worden, als zij aan hun wonden stervende zijn, zullen zij zich zelf oordelen en anderen zullen zeggen: Zij vallen rechtvaardiglijk. Of, zoals sommigen lezen: "Zij zullen door het zwaard gestraft worden, dat zwaard `t welk last heeft te verwoesten van rondom." Het is God, die oordeelt, en Hij zal overwinnen Ook zijn het Tyrus en Sidon niet alleen, aan wie God gerichten oefenen zal, maar aan allen, die Zijn volk Israël verachten en over zijn rampen juichen, want God heeft een twist met de volken, die rondom hen zijn, vers 26. Als Gods Volk om zijn overtredingen onder Zijn straffende hand is, dan draagt Hij zorg, zoals Hij deed voor de misdadigers, die gegeseld werden, "dat zij niet verachtelijk gehouden worden voor de ogen van die rondom hen zijn, en daarom neemt Hij het ook kwalijk degenen, die hen verachten, en aldus ten kwade helpen, als Hij maar een weinig toornig is," Zacheria 1:15. God heeft het oog op hen, zelfs in hun eigen lage staat, laat dus niemand hen verachten.
2. God zal verheerlijkt worden in het herstel van Zijn Volk tot hun vroegere voorspoed en veiligheid. God was van Zijn eer beroofd door de zonden van Zijn Volk, en ook had hun lijden de vijand gelegenheid gegeven om te lasteren, Jesaja 52:5, maar nu zal God beide, hen genezen van hun zonden en hen uit hun ellende verlossen, en zo zal Hij onder hen geheiligd zijn voor de ogen van de heidenen. Hij zal de eer van Zijn heiligheid terugnemen, ter voldoening van de gehele wereld, vers 25. Want, a. "Zij zullen opnieuw in `t bezit komen van hun eigen land: Ik zal het huis Israëls vergaderen uit hun verstrooiing, in antwoord op dat gebed, Psalm 106:47, Verlos ons, Here onze God, verzamel ons uit de heidenen, en in overeenstemming met deze belofte, Deuteronomium 30:4 :Van daar zal u de Here uw God vergaderen." En als zij vergaderd zijn, zullen zij tot een geheel samengevoegd worden, om te "wonen in het land, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob gegeven heb". God had het oog op die oude schenking, toen Hij hen terugbracht, want die bleef van kracht, en de schorsing van het bezit was geen vernietiging van hun recht. Hij, die het gaf, zal het opnieuw geven.
b. Zij zullen daar grote rust genieten. Als degenen, die hen gekweld hebben, weggenomen worden, zullen zij in gerustheid leven, er zal geen smartende doorn noch wee doende distel meer zijn, vers 24. Zij zullen gelukkig leven, want zij zullen huizen bouwen en wijngaarden planten, en zij zullen daar een zeker en onbewolkt geluk genieten, zij zullen zeker wonen en niemand zal er zijn, om hen te verontrusten of bevreesd te maken, vers 26. Dit is nooit volkomen vervuld aan dat volk, want na hun terugkeer uit de gevangenschap werden zij herhaaldelijk lastig gevallen door een of andere slechte nabuur. En ook is de kerk van het Evangelie nooit geheel vrij geweest van smartende doornen en wee doende distelen, toch heeft de kerk soms rust, en de gelovigen zijn altijd veilig onder de goddelijke bescherming en kunnen gerust zijn van de vreze des kwaads. Maar de volkomen vervuiling van deze belofte blijft bewaard voor het hemelse Kanaän, wanneer al de heiligen bijeen zullen zijn, en alles wat aanstoot geeft, verwijderd, en alle smart en vrees voor altijd verbannen is.