23. Want Ik zal, gelijk vroeger over Jeruzalem (
Hoofdstuk 5:17), de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
Het staat nog vrij treurig met het verstaan der profetie, wanneer de uitleggers ons tot verklaring van deze afdeling eigenlijk niet veel meer weten te zeggen, dan dat volgens Jeremia 27:3 Zidon ook mede tot de leden der anti-chaldeeuwsche coalitie behoorde en nu, om het heilige zevental van volken uit Israëls naaste omgeving te verkrijgen, en den kring van deze, die met Ammon en Moab in het Zuidoosten begonnen (Hoofdstuk 25:2), in het Noordwesten te sluiten, van Tyrus ook naar Zidon als tot een aanhangsel zijn gekomen. Wij zullen daarentegen tot ere van Gods woord mogen veronderstellen, dat deze bijvoeging haren goeden grond heeft in gezichtspunten, die het rijk en het Godsrijk aangaan, en hier nevens Tyrus en zijnen vorst nog over ene eigene, bijzonder anti-christelijke macht wordt gesproken, die op den achtergrond der voorspelling staat en in Tyrus hare type heeft. Nu liggen ook in den tekst zelven enige aanwijzingen, welke die macht is; want evenals: "Ik zal in `t midden van u verheerlijkt worden" aan Egypte herinnert, en het: "Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar door het zwaard" op Jeruzalem doelt, zo is in Openbaring 1:8, 13 eerst sprake van de straat ener grote stad, die geestelijk Sodom en Egypte heet, waar onze Heer is gekruisigd. Daarna wordt van ene grote aardbeving gesproken, tengevolge waarvan het tiende deel der stad valt en tienduizend namen van mensen gedood worden, maar de andere verschrikken en den God des hemels ere geven. Het is onloochenbaar, dat bij Zidon aanknopingspunten worden gevonden, om de vervulling der profetie tot op zekere hoogte aan te wijzen; men kan namelijk zeggen, dat de stad den zwaren druk der Perzische heerschappij moede, tegen Artaxerxes III (Ochus) in opstand is gekomen, en door dezen in het jaar 351 v. C. tot den grond toe is verwoest, waarbij 40. 000 mensen moeten zijn omgekomen. Spoedig heeft zij zich echter weer uit de puinhopen verheven, is onder de Romeinen tot grote welvaart gekomen en telde ook vroeg enige Christenen onder hare bewoners (Handelingen 27:3), totdat zij zelfs een bisschopszetel werd. Dat alles zijn echter slechts aanknopingspunten, en nu zijn bovendien van zwakken aard en zo weinig aan de verwachting beantwoordende, dat, wanneer de voorzegging eigenlijk alleen handelt over het geschiedkundige Zidon, men zich geneigd zou gevoelen om uit te roepen: had Ezechiël toch liever die profetie ter zijde gelaten, die door de uitkomst eer is weerlegd dan bevestigd. De zaak wordt echter geheel anders, wanneer wij onder dit Zidon de Christenen verstaan, zo als men ze in dezen tijd in hun politiek en godsdienstig leven ziet worden, waarbij zij aan de ene zijde zich laten leiden door Farao's grondstelling (Exodus 5:2): "wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zou, " en aan de andere zijde geheel de taal voert, als Jeruzalem (Johannes 19:15): "Wij hebben genen koning dan den keizer. " Het zal dan ook niet lang meer duren, of de mond der getuigen in de kerk zal verstommen, al haar invloed zal worden vernietigd, en zij naar den geest geheel en al voor het openbaar gedood zijn, wanneer ook haar dood lichaam op de straat der stad nog onbegraven ligt in enige kerkelijke vormen zonder inhoud. "Alzo moet geschieden, opdat de Schrift vervuld worde; " en wij hebben boven in Openbaring 1:7-10 de plaats reeds genoemd, waarvan de vervulling in de beide laatste tientallen jaren der 19e eeuw volgens Gods raad (zie bij Jeremia 29:14; 31:37; 32:44 zal plaats hebben. Gelijk de ziener der Openbaring n Hoofdst 18 den inhoud van hetgeen Ezechiël in Vers 1-19 van ons hoofdstuk omtrent den vorst te Tyrus, in het bijzonder heeft voorzegd, nadat hij vroeger van het prachtschip Tyrus zelf heeft gesproken, niet weer behoefde te herhalen, omdat de Oud-Testamentische profetie de zaak geheel had voorgesteld, zo heeft nu weer onze Oud-Testamentische Profeet niet het doel om Zidons zonde nader te karakteriseren. De Heere, in wiens hand de Oud- en Nieuw-Testamentische profetie een enig en onverdeeld geheel is, en die Zijne stof verdeelt, zoals het Zijner wijsheid behaagt, had deze roeping Zijnen Johannes gegeven, om, wanneer Hij hem de Openbaring ou laten toekomen, Zijnen knechten te tonen wat spoedig geschieden moet. Maar ten opzichte van hetgeen Zidon voor hare zonde wedervaart, hoe God het recht over haar laat gaan, Zich aan haar verheerlijkt, en aan haar betoont, dat Hij heilig is, stemmen Ezechiël en Johannes, de Oud- en Nieuw Testamentische Profeet, volkomen met elkaar overeen. Pestilentie en bloedvergieten en een dodelijk wondend zwaard, dat overal rondgaat, is het, wat Ezechiël noemt; en Johannes zegt, vanwaar dit alles komt, en hoe het met elkaar tegelijk wordt verwezenlijkt, daar hij van ene aardbeving spreekt, maar daarmee doelt op ene vreeslijke inwendige schudding, in welke het grootste deel der stad ineenstort, en waarmee een doden is verbonden, dat eerst met de namen der mensen ophoudt. Nog zijn het enkele, slechts dof en op tamelijken afstand dreigende stoten der aarde, die zich laten horen in de arbeidersbewegingen, en in den wrok der sociaal-demokraten. Nog zijn de namen der mensen, de woordvoerders op de markt des levens en de agitatoren der grote menigte goeds moeds en geloven met vertrouwen de "heilzame hervorming, " zoals zij hun stellingen en inrichtingen noemen, nu tot een punt te kunnen brengen, dat uit den weg geruimd is, wat hun niet aanstaat, en verwezenlijkt, wat zij zich als een Eldorado dromen- hier is echter van toepassing: "dien God wil verderven, dien slaat Hij vooraf met blindheid. " Zo zal eerst het begin van de volgende eeuw aan het licht brengen wat ene aardbeving in apokalyptischen zin te betekenen heeft; de van alle banden van christelijke tucht en vrome zeden losgemaakte grote menigte, het in onwetendheid omtrent Gods woord en in verachting van alle gezag des hemels opgegroeide geslacht zal, als het Eldorado van de tegenwoordige helden van den dag hun lusten niet bevredigt, wanneer in dit goudland integendeel ene zeer hete zon brandt, wier gloed nauwelijks te verdragen is, zij zullen hun doel en hun gedachten weten te verwezenlijken, niet op den weg van anatomische sectie, gelijk hun voorgangers, maar met gebrul in den mond, met vuur in de ene en het zwaard in de andere hand, en hun voeten zullen zo verwoestend en verpletterend optreden, dat degenen, die nu niet willen geloven (Hosea 8:7), dat als men wind zaait, men storm maait, het zullen moeten geloven. Er is ene pestilentie, die nog erger is, dan wanneer de builen aan het lichaam doorbreken, en een bloedvergieten, dat vreselijker woedt dan dat op het slagveld. Er is een zwaard, dat niet van buiten af over een land komt, en zo kunnen alle drie zeer goed een en hetzelfde zijn wat om de zaak nader te doen verstaan, de eenvoudige uitdrukking "ene grote aardbeving" aanduidt. Moge dan het tiende deel der stad vallen, wanneer slechts dit tiende deel juist dat is, hetwelk het godslasterlijke Egypte en Christus vijandige Jeruzalem gebouwd heeft-het zal ene weldaad zijn. Mogen er ook zeven duizend namen van mensen gedood worden, wanneer deze zevenduizend slechts juist diegenen zijn, die Gods heiligdom hebben gelasterd, het hart van het volk hebben vergiftigd, en de menigte van het dier, dat uit den afgrond opstijgt (Openbaring 1:7), in den strijd tegen de twee getuigen aangevoerd en niet eerder gerust hebben, voordat zij overwonnen en gedood waren, het zal ene weldaad zijn! Dan zullen de anderen verschrikken en den God des hemels weer de ere geven. Als deze onze plaats lezen, zij zullen die verstaan en nauwelijks meer aan Zidon denken, en gelijktijdig zal hun het volgende in duidelijk helder licht staan, want God is alsdan begonnen aan Israël te doen wat Hij heeft toegezegd.