26. En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden {a} planten, ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn (
Openbaring 2:14;
19:11,
11); en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben (vgl.
Hoofdstuk 11:17;
20:42;
36:22,
{a} Jeremia 31:5.
Wij hebben er vroeger van gesproken, hoe zich de toestanden der Christenheid, in ons werelddeel, overeenkomstig de ontdekkingen, die Gods openbaring ons geeft, zich zullen ontwikkelen, dat de voorzegging van den Profeet over Zidon daarin hare volledige vervulling vindt. Hoe treurig al deze uitzichten voor de naaste toekomst zijn en hoe zwaar de gerichten zijn, die er zullen komen, zo troostvol luidt toch het einde als gezegd wordt, dat God de mensen zal doen weten, dat Hij de Heere is, en wanneer Openb 11:13 dit nader zo verklaart, dat men den God des hemels de ere zal geven, nadat men zich openlijk van Hem heeft los gemaakt en in den grond der zaak den god der aarde in Zijne plaats had gesteld. Maar hoe zwaar de tuchtroede voor onze Christenvolken zal zijn, die bij den Nieuw-Testamentischen ziener als aardbeving, bij den Oud-Testamentischen Profeet als pestilentie en bloedvergieten en zwaard beschreven is, op zich zelf alleen zou zij toch gene grondige omkering en gehele vernieuwing des harten bewerken; want ongelukken, dat leert de ervaring, maken dikwijls genoeg de volken geenszins week, en hoewel het een tijd lang schijnt, als waren de geesten verootmoedigd en de harten verslagen, zo houdt dat toch in den regel niet lang vol; zodra de mensen weer verademing krijgen, zijn zij ook weer spoedig de ouden. Zelfs grote, heerlijke daden Gods in het uitwendige staatkundige leven gaan dikwijls spoorloos een geslacht voorbij. Wij hebben het bij ons Duitse volk gezien in dezen tijd van bijzondere genade des Heeren, hoe weinig Zijne genade wordt erkend en Zijn zegen aangenomen, men bouwt integendeel den god der aarde zijne altaren, en stelt die van den God des hemels ter zijde. Maar het eigenlijke zwaartepunt voor de nieuwe wending, die komen zal, en een werkelijk nieuwen tijd zal teweegbrengen, ligt ook niet in die grote aardbeving. Die heeft alleen op te ruimen en weg te nemen, en bij de anderen, die over zullen blijven, ene heilzame verschrikking teweeg te brengen. Het zwaartepunt ligt integendeel in hetgeen in Openbaring 1:11 en 12 voorafgaat, en in zeer raadselachtige woorden wordt genoemd. Wij hebben ons reeds meermalen geuit, in welken zin wij de woorden opvatten, en zullen bij Hoofdstuk 37, waar een helder licht al het duistere opklaart, daarop terugkomen. Wij hebben ook op grond der tijdsopgaaf over Jeruzalems overtreding in Openbaring 1:2 het vaste vertrouwen, dat dit tegen het einde van deze eeuw aan het doel is, en nu zal vervuld worden, wat de Heere in Vers 25 van ons hoofdstuk aan het huis van Israël toezegt.