14. Ja Ik zal u maken tot ene gladde steenrots; gij zult zijn tot uitspreiding der netten (
Vers 5), gij zult niet meer gebouwd worden: want ik, de HEERE, heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
Reeds Jesaja (Hoofdstuk 23:13) had voorzegd, dat het de Chaldeën zouden zijn, die Tyrus verwoestten. Deze profetie neemt Ezechiël op, en hij beschrijft dan in profetische woorden, hoe de koning van het rijk der Chaldeën Tyrus zal innemen. De beschrijving volgt trapsgewijze den gang der belegering. Nebukadnezar zal eerst op het vaste land de van Tyrus afhankelijke steden aan zich onderwerpen, vervolgens tot belegering van Tyrus overgaan, de belegeringswerktuigen aanbrengen, met deze op den door hem te vormen wal of dam komen, de stad onder een schilddak naderen, de muurbrekers aanleggen, bressen maken en in de stad trekken, zoals men in ene geopende landstad intrekt. Vervolgens zal hij Tyrus verwoesten, zijne inwoners doden, zijne zuilen, die gelijk de kolossus van Rhodus tot den Fenicischen eredienst behoren, omver storten, het plunderen, slechten, zodat het ten laatste tot ene kale rots moet worden.
Volgens twee plaatsen bij Jozefus belegerde Nebukadnezar werkelijk 13 jaren lang Tyrus onder haren koning Itho-baäl, zonder dat van de verovering bericht tot ons gekomen is. Beschouwt men dit zwijgen over ene verovering der stad, zoals dat op beide plaatsen van Jozefus opmerkelijk voorkomt, als een bewijs der niet-verovering, of ten minste niet-verwoesting, zo is door Hoofdstuk 29:18 uitdrukkelijk bevestigd waar de zware dienst van Nebukadnezars leger tegen Tyrus als onbeloond wordt voorgesteld en daarvoor ene vergoeding in Egypte in uitzicht wordt gesteld, het loon zou niet hebben kunnen ontbreken, wanneer de rijke eilandstad werkelijk ware veroverd en ter plundering overgegeven.
Hier wordt met zovele woorden aan de eilandstad Tyrus de algehele verwoesting en wel door Nebukadnezar aangezegd, zodat de kale rots alleen zal overblijven, om er de visnetten over uit te spreiden. Nu verzekert wel is waar de Griekse historieschrijver Menander van Efeze uitdrukkelijk, op grond van berichten uit het Tyrisch staatsarchief, dat onder den Tyrischen koning Itho-baäl Tyrus dertien jaar lang door Nebukadnezar is belegerd. Maar de verovering der eilandenstad wordt nergens vermeld, en als zeker mogen wij aannemen, dat ene zo volkomene verwoesting der stad, welker handel nog vele eeuwen bloeide, die der macht van den Macedonischen koning Alexander zeven maanden lang het hoofd bood, toen ter tijd niet zal hebben plaats gehad. Ook wordt het niet vermeld, dat de Chaldeën Tyrus met schepen hebben aangetast, of van de kust af een dijk hebben aangelegd, door welk middel (dat echter moeilijk was af te wenden) Alexander de stad deed bukken. Het laat zich daarom niet loochenen dat deze bedreiging des Heeren aan het historisch Tyrus destijds evenmin volledig is vervuld als ene soortgelijke bedreiging tegen Babel bij Jesaja (vgl. Jesaja 13) en zovele andere bedreigingen, die de Heere juist daarom heeft uitgesproken, opdat Hij ze niet mocht behoeven te volvoeren (Jona 3:4). Wel belooft God slechts dan de afwending der bedreigde straffen, wanneer de bedreigden zich bekeren (Jeremia 18:7, 8). Maar soms verzacht hij ook de straffen dßßr, waar de maat der zonde nog niet vol is, of de middelen der bekering nog niet zijn uitgeput. Het laatste was volgens de getuigenis des Heeren (Mattheus 21:22), ten aanzien van Tyrus het geval. Zo was het historische Tyrus slechts een onvolkomen voorbeeld van het geestelijke Tyrus en zo werd daarom ook de zwaarste bedreiging daartegen uitgesproken, zonder er nog aan te worden vervuld. Dit vroegtijdig uitspreken van een vonnis, dat eerst in den laatsten tijd zal worden vervuld, deze verschonende verzachting der straffen, deze lankmoedigheid Gods, is ten allen tijde door de wereld en haren overste, den satan misbruikt geworden, om de harten te verharden tegen Gods gericht. Dat is reeds begonnen bij de eerste bedreiging des Heeren (Genesis 2:17). "Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven, " waarop de slang zegt: "gij zult niet sterven", maar-en in zo verre verkrijgt zij enigszins gelijk, dat de dood niet op dien zelfden dag in volle mate trof, toen Adam en Eva het gebod overtraden. In deze lankmoedigheid Gods ligt ook de aanleiding tot het euvelmoedig spreekwoord (Ez. 12:22): dewijl het zo lang uitblijft, zal er van de profetie niets worden. Van daar zoveel overmoedige bespotting van Gods woord, zoveel hoon den Profeten aangedaan en zoveel vergeefse moeite van gelovige Schriftverklaarders, om toch de vervulling van iedere bedreiging Gods aan te wijzen. Maar God heeft deze rechtvaardiging niet nodig. Waar zijne bedreiging hardnekkig wordt veracht en de mensen de mate hunner zonden vervullen, daar wordt de straf door de Profeten aangekondigd, in al haren omvang toegepast. Dan spreekt de Heere: "In uwen tijd, o ongehoorzaam huis! zal Ik doen wat Ik zeg" (Exodus 12:25), en Hij doet het ook. Zo is het aan Jeruzalem tweemaal gebleken. Maar ten laatste zullen alle boosdoeners het ondervinden, dat God de Heere is, en Zich niet laat bespotten. Doch dan is het te laat.
Is Tyrus door Nebukadnezar veroverd of niet? Daaruit dat Menander slechts van ene dertienjarige belegering spreekt zonder aan ene inneming te denken, willen velen besluiten, dat Nebukadnezar de stad niet veroverd heeft, en zij denken ene bevestiging daarvoor in Hoofdstuk 29:17, te vinden. Maar op de laatste plaats behoort de inneming en plundering van Tyrus mede tot den arbeid, die Nekukadnezar aan Tyrus doet, en kon dus niet als een loon er voor worden gerekend, maar omdat Nebukadnezar naar Gods wil Tyrus heeft ingenomen en geplunderd, moet hij daarvoor met Egypte worden beloond. Dat Menander aan de verovering niet denkt, is integendeel een teken daarvoor, dat zij werkelijk is geschied, want wanneer hij verhaalde, dat de belegering 13 jaren geduurd had, en toch daarbij had geweten, dat zij zonder resultaat was gebleven, had hij dit moeten mededelen; nu echter denkt hij zonder twijfel er aan, dat de belegering ten laatste met verovering is geëindigd. Dien overeenkomstig verhaalt hij dan ook uitvoerig, dat later het koningschap in Tyrus is de niet gegaan, dat rechters in de plaats van koningen zijn gekomen en ten laatste de Tyriërs zich vorsten van hunnen stam uit Babel hebben genomen, hetgeen alles veronderstelt, dat het politiek bestaan van Tyrus door de belegering van Nebukadnezar was geschokt. Zo staat tevens geschiedkundig vast, dat Tyrus, toen het rijk der Chaldeën inéénstortte, rustig onder de Medo-Perzische heerschappij overging, hetgeen alleen verklaarbaar is, wanneer het door Nebukadnezar te voren aan het rijk der Chaldeën was onderworpen.
De macht van Tyrus, die door Nebukadnezar gebroken was, wordt door Ezechiël gezien als één met de gehele vernietiging. Jeruzalems verwoesting door Nebukadnezar verzekert hem in zijn onwrikbaar geloof aan Gods waarachtigheid en trouw den nieuwen bouw van Jeruzalem, zijne opstanding tot een nieuw bestaan, zijne toekomstige heerlijkheid (Hoofdstuk 28:25 v. 29:21); Tyrus' overwinning daarentegen door dezelfde hand, die de Godsstad sloeg, heeft de tegenovergestelde betekenis; daardoor is verderf en niets dan verderf aangekondigd; Tyrus in zijn vergeten van God, in zijne vermetelheid kan geen zegen aanschouwen, de wonde, welke Nebukadnezar slaat, is ene ongeneeslijke, welke naar den wil van God, hem den gehelen ondergang, den dood berokkent-hij slaat de dodelijke wonde en het gehele overige bestaan van Tyrus is alleen een dof schijnleven vol kwelling, een voortdurend worstelen met den dood.
Ook na de verovering door de kruisvaders op 27 Juni 1124 n. C. en ondanks de verwoesting door ene aardbeving in 1202 bloeiden in Tyrus weer scheepvaart en handel, glasfabrieken en purperververijen. Toen echter na de verwoesting der Christelijke rijken in Syrië nog alleen Tyrus en Ptolomaüs in het bezit der Christenen waren gebleven, en eindelijk ook de laatste stad den Saracenen in handen viel, maakte zich van de Christenen in Tyrus zulk een schrik meester, dat zich dienzelfden avond en in den nacht de nog in de stad achtergeblevene Franken inscheepten en de gewichtige stad aan de vijanden overlieten, Den volgenden dag, den 19 Mei 1291, nam de Egyptische sultan Aschraf van Tyrus bezit en maakte hij haar den aardbodem gelijk. Nu eerst waren de profetieën ten volle waarheid geworden, Tyrus was ene naakte rots geworden en tot ene uitspreiding der netten.
Waar zich eens het mastenbos der schepen van Tarsis bewoog, verheffen nu, nauwelijks een paar welgetakelde kielen van Engelse koopvaarders zich boven het water; de handel heeft andere middelpunten gevonden. De rotsachtige zuidzijde van het oude eiland dient volgens het woord van den Profeet werkelijk om visnetten uit te spannen. Manudrell vond geen enkel goed onderhouden huis, maar alleen een paar vissers, die zich in gewelven ophielden.
Laat uw hart niet zo bedwelmd worden door het geruis, hetwelk de wereld moet maken, opdat men de kale rotsen daaronder niet kan bemerken; laat u niet misleiden door de vrolijke zangers en de wakkere instrumenten, het is zo stil boven de graven ook van de rijken en groten.