Markus 7:24-30
Zie hier:
I. Hoe nederig Christus zich zoekt te verbergen. Nooit is iemand zo vermaard en gezocht geweest als Hij het was in Galilea, daarom is Hij, teneinde ons te leren gene gelegenheid te laten voorbijgaan om goed te doen, en toch ook de toejuiching des volks niet te zoeken of te begeren, van daar opgestaan en naar de landpalen van Tyrus en Sidon gegaan, waar Hij weinig bekend was, en dáár ging Hij, niet in ene synagoge of naar ene plaats van openbare samenkomst, maar in een particulier huis, en Hij wilde niet dat iemand het wist, want er was, Hem betreffende, voorzegd Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand zijne stem op de straten horen. Niet, dat Hij niet bereid was om te prediken en te genezen, hier zowel als elders, maar hiertoe wilde Hij aangezocht worden. Gelijk er een tijd is om te verschijnen, om op te treden, zo is er ook een tijd om zich terug te trekken. Of wel, Hij wilde niet bekend wezen, omdat Hij zich aan de landpalen van Tyrus en Sidon bevond, onder heidenen, aan wie Hij zich niet zo spoedig wilde openbaren als aan de stammen Israël's, wier heerlijkheid Hij zijn zou.
II. Hoe genadiglijk het Hem heeft behaagd zich desniettemin te openbaren. Hoewel Hij geen oogst van wonderdadige genezingen in deze landstreek wilde brengen, wilde Hij toch een handvol van dit koren uitstrooien. Hij kon niet verborgen zijn, want ene kaars kan wel onder een korenmaat gesteld worden, maar de zon kan dit niet. Christus was te veel bekend om ergens lang incognito, verborgen te zijn, de vreugdeolie, waarmee Hij gezalfd was, zal evenals de olie der rechterhand roepen en het huis met haar geur vervullen. Zij, die slechts van Zijn roem gehoord hadden, konden niet met Hem spreken, maar weldra zullen zij zeggen: Dit moet Jezus wezen. Merk hier nu op:
1. De bede tot Hem gericht door een arme vrouw, die in moeite en benauwdheid was. Zij was een heidense vrouw, een Griekse, vervreemd van het burgerschap Israël's, een vreemdelinge van de verbonden der belofte. Van afkomst was zij een Syro-Fenicische, die in geen enkel opzicht gemeenschap had met den Joodsen Godsdienst. Zij had een dochter, een jeugdige dochter, die door een duivel was bezeten. Hoe vele en hoe schrikkelijk zijn de rampen, waaraan jonge kinderen onderhevig zijn! Haar verzoek was:
a. Zeer nederig, zeer dringend en aanhoudend, zij had van Hem gehoord, zij kwam en viel neer aan Zijne voeten, hetgeen een arme sidderende ziel kan doen, die gene vrijmoedigheid heeft om zich in Zijne armen te werpen.
b. Het was zeer bijzonder, zij zegt Hem wat zij verlangt. Christus stond aan arme smekelingen toe, om aldus vrijmoedig met Hem te zijn. Zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit hare dochter. vers 26. De grootste zegen, dien wij van Christus kunnen vragen voor onze kinderen, is dat Hij de macht van Satan in hun ziel zal verbreken, en inzonderheid, dat Hij den onreinen geest van hen zal uitwerpen, opdat zij tempelen mogen worden van den Heiligen Geest, en Hij in hen kunne wonen.
2. Zijn ontmoedigend antwoord op dit verzoek, vers 27. Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden. Laat al de wonderen gewerkt worden voor de Joden, die zij nodig hebben, die op bijzondere wijze Gods verkoren volk zijn, en laat hetgeen voor hen bestemd was, niet geworpen worden voor degenen, die niet tot het huisgezin Gods behoren, en die kennis niet hebben van Hem, en dat deel niet aan Hem hebben, die zij hebben, en die, in vergelijking met hen, als hondekens zijn, onrein en onheilig, en die ook als honden voor hen zijn, tegen hen grommen, hatelijk voor hen zijn, en gans bereid hen te kwellen. Als Christus weet dat het geloof van arme smekelingen sterk is, dan schept Hij er soms behagen in het op de proef te stellen en het tot het uiterste te brengen. Maar Zijn zeggen: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, duidt aan dat er genade weggelegd was voor de heidenen, en dat dit wel spoedig zou blijken, want de Joden begonnen reeds oververzadigd te zijn van het Evangelie van Christus, en sommigen van hen hadden Hem gebeden uit hun landpalen weg te gaan. De kinderen beginnen te spelen met hun voedsel, en wat zij overlaten en hetgeen hun tegenstaat zal een feestmaal zijn voor de heidenen. De apostelen hielden zich aan den regel: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, aan de Joden moet het eerst de aanbieding gedaan worden, en indien hun verzadigde ziel het honingzeem vertreedt: ziet, wij keren ons tot de heidenen.
3. Hoe zij het woord van Christus, dat tegen haar gericht was, zo wist te wenden, dat het voor haar is geworden. Ja Heere! zei zij, ik erken dat het brood der kinderen niet voor de honden geworpen moet worden, maar aan de honden werden toch nooit de kruimkens ontzegd van dat brood, ja, die komen hun toe, er is hun ene plaats gegund onder de tafel, ten einde ze te kunnen opvangen. Ik vraag niet om een geheel brood, ja zelfs niet om een stuk brood, slechts om een kruimke vraag ik, weiger het mij niet. Dit zegt ze niet om de genade te onderschatten, of haar in zichzelve licht te achten, maar om den overvloed te verheerlijken van de wonderdadige genezingen, waarmee, naar zij had gehoord, de Joden bevoorrecht werden, en in vergelijking waarmee een enkele genezing slechts als een kruimke was. De heidenen komen niet in scharen zoals de Joden, ik kom geheel alleen. Wellicht had zij gehoord van de vijf duizend, die onlangs tegelijk gespijzigd werden, waarna, zelfs nadat zij de overgeschoten brokken hadden opgenomen, toch wel enige kruimkens voor de honden waren overgebleven.
4. Hoe Christus hierop hare bede toestond. Is zij zo nederig en zo vurig in haar streven? Om dezes woords wil, ga heen! Gij zult verkrijgen waarom gij zijt gekomen, de duivel is uit uwe dochter uitgevaren, vers 29. Dit moedigt ons aan om te bidden en niet te vertragen, te volharden in het gebed, niet twijfelende maar ten laatste overmogende, op het einde zal Hij het gezicht voortbrengen, en het zal spreken en niet liegen. Christus' zeggen dat het geschied was, heeft het gedaan, even stellig en krachtig als toen Hij een andermaal zei: Het geschiede, want als zij in haar huis kwam, steunende en betrouwende op het woord van Christus dat hare dochter genezen was, vond zij dat de duivel uitgevaren was. Christus kan Satan ook op een afstand overwinnen, en het was niet slechts als de bezetenen Hem zagen, dat zij zich onderwierpen aan Zijne macht, zoals in Hoofdstuk 3:11, maar ook als zij Hem niet zagen, want de Geest des Heeren is niet gebonden. Zij vond hare dochter kalm, liggende op haar bed, uitrustende, wachtende op den terugkeer harer moeder, om zich met haar te verblijden, dat zij zo heerlijk wel was.