Nehemia 13:15-22
Hier is opnieuw een voorbeeld van die gezegende reformatie, waarin Nehemia zo ijverig werkzaam was. Hij deed de heiliging van de sabbat herleven, en hield het gezag hoog van het vierde gebod. Dit was een zeer goede daad voor het huis Gods en de wachten, want waar heilige tijden voorbijgezien en gering worden geacht, daar is het niet vreemd, dat alle heilige plichten worden veronachtzaamd.
I. Hier is een protest tegen dit misbruik. De wet op de sabbat was zeer streng, en er werd zeer op aangedrongen, en met goede reden, want de Godsdienst is nooit op de troon, als de sabbaten met voeten worden getreden. Maar Nehemia vond zelfs in Juda onder hen, aan wie de sabbaten gegeven waren tot een teken, deze wet ellendig geschonden. Zijn eigen ogen verwittigden hem ervan, magistraten, die in zorg zijn om hun plichten naar behoren te vervullen, zullen zoveel mogelijk uit hun eigen ogen zien, en tot het uiterste doorzoeken wat te doorzoeken is om te ontdekken hetgeen kwaad is. Tot zijn grote smart bleek het, dat de sabbat, die heilige dag, algemeen ontheiligd werd, zelfs in Jeruzalem, de heilige stad, die nog zo kort geleden aan God gewijd was.
1. De landlieden traden hun wijnpersen en brachten hun koren in huis op die dag, vers 15, hoewel er een uitdrukkelijk gebod was, dat "zij in de ploegtijd en in de oogst op" de sabbat moesten rusten, Exodus 34:21, omdat zij in verzoeking konden zijn om zich dan grotere vrijheid te veroorloven, in de waan dat God hun dit wel zou toelaten.
2. De voerlieden laden allerlei lasten op ezels, en hebben daar geen gewetensbezwaar in, hoewel het in de wet uitdrukkelijk geboden was dat het vee op de sabbat moest rusten Deuter. 5:14, en op "de sabbat geen lasten moest dragen," Jeremia 17:21.
3. De rondventers, marskramers en kleine kooplieden, die mannen waren van Tyrus, de vermaarde handelsstad, verkochten allerlei koopwaar op de sabbatdag, vers 16, en de kinderen van Juda en Jeruzalem hadden zo weinig genade of Godsvrucht dat zij van hen kochten en hen dus aanmoedigden, en zo maakten zij de dag van hun Vader tot een dag van koophandel, tegen de wet van het vierde gebod die verbiedt om op die dag enigerlei werkte doen. Geen wonder dat de Godsdienst algemeen in verval was, de zeden verdorven werden onder dit volk, toen zij het heiligdom verlieten en de sabbat ontheiligden.
II. De verbetering hiervan. Zij, aan wie Gods eer ter harte gaat, kunnen het niet verdragen om Zijn sabbat te zien ontheiligen. Zie op wat wijze deze Godvruchtige man te werk ging in zijn ijver voor de sabbat.
1. Hij betuigde tegen hen, die hem ontheiligden, vers 15, en nogmaals, vers 21. Hij gaf niet slechts zijn eigen mishagen er in te kennen, maar poogde hen ervan te overtuigen, dat het een grote zonde was, en toonde hun het getuigenis van Gods woord er tegen. Hij wilde het niet straffen voor hij er het kwaad van had aangetoond.
2. Hij redeneerde met de oversten, bestrafte de edelen van Juda en twistte met hen, vers 17. De voornaamste mensen zijn niet te hoog om op hun fouten gewezen te worden door hen wier ambt dit is, ja met voorname lieden moest, zoals hier, in de eerste plaats getwist worden, vanwege hun invloed op de anderen. A. Hij legde het hun ten laste: gijlieden doet dit. Zij hebben geen lasten koren gedragen noch vis verkocht, maar,
a. Zij lieten het toe, en hebben hun macht niet gebruikt om het te beletten, en zo hebben zij zich schuldig gemaakt, zoals de magistraten, die het zwaard tevergeefs dragen.
b. Zij gaven een slecht voorbeeld in andere dingen, als de edelen zich op de sabbatdag overgeven aan spel en vermaak aan ijdele bezoeken en ijdele gesprekken, dan zullen de mannen van zaken, beide in de stad en op het land, de sabbat ontheiligen door hun wereldlijke bezigheden te verrichten, als nog meer gerechtvaardigd. Wij zijn verantwoordelijk voor de zonden, die anderen bedrijven, door ons voorbeeld daartoe geleid zijnde.
B. Hij legt het hun ten laste als een boze zaak, want dat is zij, voortkomende uit minachting van God en van onze eigen ziel.
C. Hij beredeneert de zaak met hen, vers 18, en toont hun dat dit sabbatschenden een van de zonden was, om welke God oordelen over hen gebracht heeft, en dat zij, zo zij zich niet lieten waarschuwen maar tot dezelfde zonden terugkeerden, reden hadden om meerdere oordelen te verwachten. "Gijlieden maakt de hittige" "gramschap nog meer over Israël, ontheiligende de sabbat." Zo heeft Ezra de gevolgtrekking gemaakt: "zullen wij nu wederkeren om Uwe" "geboden te vernietigen-zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens" "toe," Ezra 9:14.
3. Hij droeg zorg om de ontheiliging van de sabbat te voorkomen, als een man, die alleen reformatie op het oog had. Indien hij hen kon verbeteren, wilde hij hen niet straffen, en zo hij hen strafte, dan was het slechts om hen te verbeteren. Dit is een voorbeeld voor magistraten om erfheren van bedwang te zijn, die de zonde tegengaan, toom en gebit voorzichtig te gebruiken, opdat de geselroede onnodig zij.
A. Hij gaf bevel de poorten van Jeruzalem gesloten te houden van de avond voor de sabbat tot de morgen na de sabbat, en stelde zijn eigen dienaren, op wier zorg, moed en goede trouw hij zich kon verlaten, om er de wacht te houden, dat geen lasten op de sabbat binnengebracht zouden worden, noch in de late avond tevoren, noch vroeg in de morgen daarna, opdat de sabbattijd niet verkort worde, vers 19. Aan hen, die kwamen om in de voorhoven van de tempel te aanbidden, werd ongetwijfeld toegestaan om in te komen en uit te gaan, maar aan niemand van hen, die goederen verkochten, werd toegang verleend, zij waren genoodzaakt buiten te vernachten, vers 20, waar zij ongetwijfeld wensten dat de sabbat maar voorbij was, ten einde koren te verkopen.
B. Hij dreigde hen, die met koopwaren voor de poorten kwamen en dringend aanhielden om binnengelaten te worden, hun zeggende dat zo zij weer kwamen, hij de hand aan hen zou slaan, vers 21. Dit hield hen er van terug om weer te komen. Indien de hervormers slechts vastberaden en standvastig zijn, dan kan er meer gedaan worden om slechte gewoonten af te schaffen, dan zij zich kunnen voorstellen. Ondeugd, die oogluikend wordt toegelaten, is vermetel, en zal raad en bestraffing trotseren, maar zij kan lafhartig gemaakt worden, en zal dit zijn, als magistraten er zich een verschrikking voor maken. De koning, zittende op de troon van het gericht, verstrooit alle kwaad met zijn ogen. C. Hij belastte de Levieten met de zorg om toe te zien, dat de sabbatdag geheiligd werd, dat zij in de eerste plaats zichzelf zouden reinigen, om aldus een goed voorbeeld te geven aan het volk, en dat sommigen van hen zouden komen om de poorten te bewaken, vers 22. Omdat hij en zijn dienaren weldra naar het hof moesten terugkeren wilde hij personen met die zorg belasten, die er bij konden blijven, opdat de sabbat geheiligd zou worden, niet alleen als hij tegenwoordig was, maar ook als hij afwezig was. Waarschijnlijk zal hierin en in andere zaken een reformatie tot stand komen, als magistraten en leraren er hun krachten voor verenigen. De meed, ijver en wijsheid van Nehemia in deze zaak zijn vermeld tot onze navolging, en wij hebben reden te denken dat de genezing, die hij werkte, duurzaam is geweest, want ten tijde van onze Heiland vinden wij de Joden in het andere uiterste, al te nauwgezet in het ceremoniële deel van de sabbatsheiliging.
4. Hij besluit deze passage met een gebed, vers 22, waarin wij hebben te letten op:
a. De beden: "Gedenk mijner" (zoals de moordenaar aan het kruis), "Heere, gedenk mijner," dat is genoeg. Gods gedachten over ons zijn zeer dierbaar, Psalm 40:6. Hij voegt erbij: "Verschoon" "mij, " zo ver is het van hem te denken, dat hetgeen hij gedaan had naar strikt recht een beloning verdiende, dat hij ernstig tot God roept om hem te verschonen, zoals Jeremia Hoofdst. 15:15, "Neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen," Hoofdst. 10:24. Kastijd mij niet in Uwen toorn, en Hoofdst. 17:17, Wees Gij mij niet tot een verschrikking. De beste heiligen hebben, zelfs als zij hun beste daden doen, verschonende genade nodig, want daar is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt.
b. De pleitgrond: naar de veelheid van Uw goedertierenheid. Het is Gods goedertierenheid, waarop wij moeten steunen, niet op enigerlei verdienste van onszelf, als wij voor God verschijnen.