Ezra 3:1-7
I. Hier is een algemene vergadering van de teruggekeerde Israëlieten te Jeruzalem in de zevende maand, vers 1. Wij kunnen veronderstellen dat zij in de lente uit Babel zijn gekomen, en moeten tenminste vier maanden rekenen voor de reis, want zolang was Ezra met zijn gezelschap onderweg, Hoofdst. 7:9. De zevende maand is dus al spoedig gekomen waarin vele van de feesten des Heeren gevierd moesten worden, en toen kwamen zij met onderling goedvinden, veeleer dan door een bevel, bijeen te Jeruzalem. Zij waren nog pas in hun steden aangekomen, hadden de handen vol van allerlei zaken om zich en de hunnen van het nodige te voorzien, en dat zou hun wel tot verontschuldiging hebben kunnen dienen om de dienst aan Gods altaar niet bij te wonen voordat de eerste drukte voorbij was, gelijk velen dwaselijk hun komen tot het Avondmaal uitstellen tot zij gevestigd zijn in de wereld. Maar nu zij pas van onder de tuchtroede wegens hun ongodsdienstigheid gekomen zijn, was hun ijver voor de Godsdienst zó groot, dat zij allen hun zaken op het land verlieten om tot Gods altaar te komen en-wat vreemd is in hun vromen ijver-zij waren allen eensgezind, zij kwamen als één man Laat de wereldlijke zaken uitgesteld worden voor de zaken van de Godsdienst, zij zullen er te voorspoediger om gaan.
II. De zorg van hun leidslieden om een altaar gereed te hebben voor hen, om er de dienst bij te wonen. Jesua en zijn broederen, de priesters, Zerubbabel en zijn broederen, de vorsten bouwden het altaar voor de God van Israël, vers 2 op dezelfde plaats waarschijnlijk waar het gestaan had, op dezelfde stelling, vers 2. Bisschop Patrick, opmerkende dat eer de tempel gebouwd was er een tabernakel opgericht schijnt geweest te zijn voor de Goddelijken eredienst, evenals in Davids tijd, niet op de berg Moria, maar op de berg Zion, 1 Kronieken 9:23, veronderstelt dat dit altaar daar opgericht was om gebruikt te worden terwijl de tempel gebouwd werd. Laat ons hieruit leren:
1. Met God te beginnen. Hoe moeilijker en nooddruftiger onze omstandigheden zijn, hoe meer het ons nodig is Hem met ons mee te nemen op al onze wegen. Als wij hopen door Zijn orakelen te worden bestuurd, zo laat ons Hem eren door onze offeranden.
2. Te doen wat wij kunnen in de aanbidding Gods, als wij niet kunnen doen wat wij zouden willen. Zij konden niet terstond een tempel hebben, maar zij wilden niet zonder altaar zijn. Abraham heeft overal waar hij kwam een altaar gebouwd, en als wij overal waar wij komen de offeranden niet brengen van gebed en lofzegging, al is het ook dat wij er wellicht het voorrecht missen van de kandelaar van de prediking en het toonbrood van des Heeren Avondmaal, dan komen wij tekort in onze plicht, want het altaar, dat de gave heiligt, is steeds voor ons bereid.
Let op de reden, die hier gegeven wordt, waarom zij zich haastten om dit altaar op te richten: er was verschrikking over hen vanwege de volken van de landen. Zij waren omringd van vijanden, die hun en hun Godsdienst slecht gezind waren, en tegen wie zij niet opgewassen waren. En,
a. Hoewel zij onder die verschrikking waren hebben zij toch het altaar gebouwd zo wordt de zin door sommigen gelezen. Zij wilden zich van hun Godsdienst niet laten wegschrikken door de tegenstand, die zij er waarschijnlijk in zullen ontmoeten. Laat ons nooit door mensenvrees in die strik geraken. b. Omdat zij onder die verschrikking waren, hebben zij dit altaar opgericht. Vrees voor gevaar moet ons aansporen tot onze plicht. Hebben wij vele vijanden? Dan is het goed God tot onze vriend te hebben, en met Hem in gemeenschap te zijn. Laat onze vrees die goede uitwerking op ons hebben, dat zij ons op de knieën brengt. Zelfs Saul achtte zich verloren, indien de vijand zou komen eer hij het aangezicht des Heeren ernstig had aangebeden, 1 Samuël. 13:12. S
III. De offeranden, die zij op het altaar offerden. Het altaar was opgericht om gebruikt te worden, en zo gebruikten zij het dan. Zij, die een altaar hebben, moeten het niet ledig laten blijven.
1. Zij begonnen op de eersten dag van de zevende maand, vers 6. Het blijkt niet dat zij vuur van de hemel hadden om hun offerdienst te beginnen, zoals Mozes en Salomo het gehad hebben, zij hebben, evenals de aartsvaders, zich van gewoon vuur bediend.
2. Eenmaal begonnen zijnde, hebben zij het gedurig brandoffer geofferd, en bleven dit doen, vers 5, des morgens en des avonds, vers 3. Door treurige ervaring wisten zij wat het was om de vertroosting van het dagelijks offer te moeten ontberen, het pleiten in hun dagelijks gebed, en nu deze dienst weer begonnen was, besloten zij om hem nooit weer te laten vervallen. Het dagelijkse lam was een type van het Lam Gods, welks gerechtigheid ons betrouwen moet zijn in al onze gebeden.
3. Zij namen alle gezette hoogtijden des Heeren waar, en offerden de offers, die voor ieder van deze waren voorgeschreven, inzonderheid het Loofhuttenfeest, vers 4, 5. Nu zij zo'n grote weldaad van God hadden ontvangen, was dit vreugdevolle feest hun zeer bijzonder aangenaam. En nu zij zich begonnen te vestigen in hun steden, was het zeer goed en gepast om te gedenken dat hun vaderen in tenten hebben gewoond in de woestijn. Ook werd dit feest, dat zeer bijzonder verwijst naar Evangelietijden, zoals blijkt uit Zacheria 14:18 op zeer bijzondere wijze in ere gebracht, nu die tijden begonnen te naderen. Van de diensten op dit feest, dat acht dagen duurde, en waarvoor bijzondere offers waren verordineerd, wordt gezegd dat zij deden "naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag," zie Numeri 29:13, 17 en verv. Zo is het in het oorspronkelijke, Verbum diei in die suo-het woord, of de zaak van de dag op de zelfde dag, een uitdrukking, die spreekwoordelijk is geworden onder hen, die met de taal van de Schrift vertrouwd zijn. Indien het Loofhuttenfeest een afschaduwing was van een Evangelische wandel ten opzichte van een voortdurend gespeend zijn aan de wereld en van de blijdschap in God, dan kunnen wij hieruit afleiden dat wij allen het werk van de dag op de zelfde dag moeten doen met het recht van elk dagelijks op zijn dag, dat is:
a. wij moeten de tijd gebruiken door voor iederen dag iets te doen te vinden, dat nut en voordeel oplevert.
b. Wij moeten de gelegenheid gebruiken door ons te voegen naar het werk van de dag. Alles is schoon op zijn tijd. De tiende dag van die maand was de verzoendag, een plechtige dag, die nu zeer geschikt en gelegen kwam, zeer waarschijnlijk hebben zij hem waargenomen hoewel dit niet vermeld is, ik herinner mij ook niet dat in het Oude Testament ergens melding wordt gemaakt van het waarnemen van die dag, alsof het genoeg was dat wij er de wet van hebben in Leviticus 16, en het Evangelie ervan dat er de voornaamste bedoeling van was, in het Nieuwe Testament. 4. Zij offerden ieders vrijwillige offerande, vers 5. De wet eiste veel, maar zij brachten meer. Zij hadden weinig vermogen om de kosten van hun offers te dragen, maar zij hadden veel ijver, en zij spaarden het uit van hun eigen tafels, naar wij wel kunnen veronderstellen, om aldus het altaar overvloedig te voorzien. Zalig zij, die uit de vuuroven van de beproeving zodanig een heilige hitte medebrengen!
IV. Hun toebereidselen voor het bouwen van de tempel, vers 7. Hierop hebben zij zich terstond toegelegd, want terwijl wij doen wat wij kunnen, moeten wij er nog naar streven meer en beter te doen. Evenals vanouds moeten Tyrus en Zidon hen van werklieden en de Libanon hen van hout voorzien, voor beide hadden zij orders van Cyrus. Als God ons ergens toe roept, dan kunnen wij vertrouwen dat Hij in Zijn voorzienigheid ons voorzien zal van hetgeen er voor nodig is.