Handelingen 21:1-7
Wij kunnen hier opmerken, hoe veel moeite het Paulus gekost heeft om van Efeziërs weg te komen, hetgeen aangeduid wordt in de eerste woorden van dit hoofdstuk, als wij van hen gescheiden, dat is als met geweld van hen afgetrokken waren. Van beide zijden moest geweld worden gebruikt, Paulus was er afkerig van om hen te verlaten, en zij waren er even afkerig van om van hem te scheiden, maar het kon niet anders, het was niet te verhelpen. Als vrome mensen door den dood worden weggenomen, dan worden zij, als het ware, van hun vrienden afgetrokken, die geworsteld hebben, om hen, zo mogelijk, terug te houden.
II. Welk ene voorspoedige reis zij hadden, zonder enige moeilijkheden te ontmoeten, zij liepen recht uit en kwamen te Cos, een vermaard Grieks eiland, den dag daarop volgende te Rhodus, vermaard wegens den colossus aan den ingang der haven, vandaar te Patara, ene beroemde haven, de hoofdstad van Lycia, vers 1. Dáár vonden zij gelukkig een schip, dat naar Fenicië overvoer, dus juist in de door hen gewenste richting ging, vers 2. De leiding van Gods voorzienigheid moet dankbaar erkend worden, als de dingen zo ter rechter tijd geschieden, en wij door allerlei kleine omstandigheden begunstigd worden om voorspoedig onze zaken af te doen. Dan moeten wij zeggen: Het is God, die mijn weg volkomen maakt. Van deze scheepsgelegenheid maakten zij gebruik, zij gingen aan boord, en zetten koers naar Tyrus. Op die reize kregen zij Cyprus in het gezicht, het eiland, waarvan Barnabas afkomstig was, en lieten het aan de linkerhand liggen, vers 3, voeren af naar Syrië, en kwamen ten laatste te Tyrus, de in de oudheid zo beroemde stapelplaats van den handel der volken, maar dat nu zeer verminderd was, toch was er nog enig handelsverkeer overgebleven, want het schip zou aldaar den last ontladen, en zo geschiedde het ook.
III. Hoe Paulus te Tyrus halt hield. Toen hij er aan kwam bevond hij zich dicht bij het land Israël's, en bevond, dat hij het overige van de reis wel binnen den tijd, dien hij er zich voor gezet had kon volbrengen.
1. Te Tyrus vond hij discipelen, sommigen, die het Evangelie hadden omhelsd en het Christelijk geloof beleden. Wáár Paulus ook kwam, overal deed hij onderzoek naar discipelen, zocht hij hen op en verkeerde met hen, want wij weten: "gelijk zoekt gelijk." Toen Christus op aarde was, is Hij soms wel naar de landpalen van Tyrus gegaan, maar nooit om er het Evangelie te prediken, en Hij achtte het ook niet gepast om aan Tyrus en Sidon de voorrechten te schenken, die Chorazin en Bethsaïda hadden, hoewel Hij wist, dat, indien zij ze gehad hadden, zij er een beter gebruik van gemaakt zouden hebben, Lukas 10:13, 14. Maar na de uitbreiding van de opdracht des Evangelies, is Christus te Tyrus gepredikt geworden, en heeft Hij er discipelen gehad, en, naar sommigen denken, heeft hierop de profetie betrekking, dat haar koophandel en haar hoerenloon den Heere heilig zal zijn, Jesaja 23:18.
2. De discipelen te Tyrus gevonden hebbende, bleef Paulus er zeven dagen, daar zij hem drongen om zo lang bij hen te blijven als hij kon. Hij is zeven dagen te Troas gebleven, Hoofdstuk 20:6, en nu hier even zo vele dagen te Tyrus, om een Dag des Heeren met hen te kunnen zijn, en dus de gelegenheid te hebben om in het openbaar onder hen te prediken, want het is de begeerte der Godvruchtigen om goed te doen overal waar zij komen, en waar wij discipelen vinden, kunnen wij of hun nuttig zijn, of nut van hen hebben. 3. De discipelen te Tyrus hadden de gave ontvangen om door den Geest de moeilijkheden te voorzeggen, die Paulus te Jeruzalem ondervinden zou, want de Heilige Geest heeft het van stad tot stad betuigd, Hoofdstuk 20:23. Daar het iets was, waarvan zoveel gesproken zou worden, als het geschied was, heeft God het gepast geoordeeld, dat het meermalen te voren geprofeteerd zou worden, opdat het geloof der mensen, in stede van geschokt, er door bevestigd zou worden. En daarbij waren zij ook begiftigd met zoveel genade, dat zij, zijne verdrukking voorziende, uit liefde tot hem, en uit zorge over de gemeente, inzonderheid de gemeenten uit de Heidenen, die hem zo node konden missen, hem gebeden hebben om niet op te gaan naar Jeruzalem, want zij hoopten, dat het raadsbesluit Gods voorwaardelijk was: indien hij opgaat zal hij er in moeilijkheid komen, evenals de voorzegging aan David, dat de mannen van Kehila hem zullen overleveren, dat is: indien hij zich onder hen waagt, en daarom zeiden zij hem door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. Want zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het het meest zou strekken tot eer van God als hij in vrijheid bleef, en het was volstrekt niet hun schuld, dat zij dit dachten, en hem dienvolgens trachtten te overreden, maar wèl was het hun vergissing, want zijne beproeving zal strekken tot eer van God en ter bevordering van het Evangelie, en de aandrang, dien men op hem oefende om hem er van af te houden, doet zijne Godvruchtige en waarlijk heldhaftige vastberadenheid des te schitterender uitkomen.
4. Hoewel de discipelen te Tyrus niet tot Paulus' bekeerlingen behoorden, hebben zij hem toch zeer groten eerbied betoond, daar zij veel gehoord hadden van den groten zegen, waarmee hij voor de gemeente had gearbeid. Toen hij van Tyrus vertrok, hebben zij hem, hoewel zij slechts gedurende zeven dagen met hem bekend waren, toch, alsof hij een groot en aanzienlijk man was, allen te zamen uitgeleide gedaan, zij kwamen allen te zamen, zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen, om plechtig afscheid van hem te nemen, zijn zegen te vragen, en hem zo ver op zijn weg te brengen als de zee het hun toeliet. Wij behoren achting te betonen, niet alleen aan onze eigene leraren, die onze voorstanders zijn in den Heere en ons vermanen, en hen zeer veel achten in liefde om huns werks wil onder ons, maar wij moeten ook, als er gelegenheid voor is, onze liefde en achting betuigen aan alle getrouwe dienstknechten van Christus, beide om den wille van Hem, wiens dienstknechten zij zijn, en om huns werks wil onder anderen. En zeer bijzonder moeten wij diegenen eren, die door God zo kennelijk geëerd werden, daar Hij hen zo uitnemend nuttig en tot zegen heeft doen zijn in hun tijd en onder hun geslacht. Het is goed om kinderen te leren achting en eerbied te hebben voor vrome mensen en vrome leraren. Dit was iets zeer merkwaardigs te Tyrus, dat wij nergens elders ontmoet hebben, namelijk, dat zij met vrouwen en kinderen Paulus uitgeleide gedaan hebben, om hem grotere eer te bewijzen, en het voorrecht te ontvangen van zijn onderricht en gebed. En gelijk er met toorn nota genomen werd van de kinderen der afgodendienaars te Bethel, die een profeet hebben bespot, zo wordt hier ongetwijfeld op genaderijke wijze nota genomen van de kinderen der discipelen te Tyrus, die een apostel hebben geëerd, zoals ook aan Christus de hosanna's der kinderen welgevallig waren. Wij behoren ook onze gelegenheden goed te gebruiken tot welzijn van onze ziel. Zij geleidden Paulus, om nog zo veel te meer het voorrecht te hebben van zijn gezelschap en van zijn gebed. Sommigen verwijzen ons naar Psalm 45:13 als ene voorzegging hiervan. De dochter van Tyrus, de rijken onder het volk zullen uw aangezicht met geschenk smeken, want waarschijnlijk hebben zij Paulus bij het afscheid nemen enigerlei geschenken aangeboden, zoals wij ook doen met onze vrienden, die naar zee gaan, Hoofdstuk 28:10.
5. Zij scheidden met gebed, zoals Paulus en de ouderlingen van Efeziërs ook gedaan hadden, Hoofdstuk 20:36. Aldus heeft Paulus ons door zijn voorbeeld, zowel als door zijn voorschrift, geleerd altijd te bidden, te bidden zonder ophouden. Aan den oever neerknielende, hebben wij gebeden. Paulus bad voor zich zelven, bad voor hen, bad voor al de gemeenten. Evenals hij veel in het gebed was, zo was hij ook machtig in het gebed. Zij baden aan den oever, opdat hun afscheid, hun vaarwel, geheiligd en liefelijk gemaakt zou worden door gebed. Zij, die naar zee gaan, behoren bij het verlaten van den oever zich door het gebed Gode te bevelen, zich onder Zijne bescherming te stellen, gelijk zij ook, als zij de terra firma verlaten, hopen vasten grond te vinden voor hun geloof in de voorzienigheid en belofte Gods. Zij knielden neer aan den oever, hoewel die, naar wij kunnen veronderstellen, of steenachtig of modderig was, en daar hebben zij gebeden. Paulus wilde, dat de mannen bidden in alle plaatsen, en dat deed hij ook zelf, en waar hij zijn gebed ophief, boog hij zijne knieën. George Herbert placht te zeggen: "Knielen heeft nog nooit zijden kousen bedorven."
6. Eindelijk scheidden zij van elkaar, vers 6.
Als wij elkaar gegroet hadden, met hartelijke omhelzingen en uitdrukkingen van liefde en van smart, gingen wij in het schip om te vertrekken, en zijlieden keerden weer elk naar het zijne, allen er over klagende, dat deze wereld ene wereld is van scheiden. Let nu op hun wijze van doen. Wij, die ons op reis moesten begeven, gingen in het schip, dankbaar dat wij een schip hadden om ons te vervoeren, en zij, die niet op reis behoefden te gaan, keerden terug naar hun huis, dankbaar dat zij een tehuis hadden om er in weer te keren. Verheug u Zebulon, over uwen uittocht, en Issaschar over uwe hutten. Paulus liet zijn zegen met hen, die naar huis terugkeerden, en zij, die bleven, zonden hun gebeden op tot God voor hen, die naar zee gingen.
IV. Hun aankomst te Ptolemaïs, dat niet ver van Tyrus was gelegen, vers 7. Wij kwamen aan te Ptolemaïs, dat, naar sommigen denken, hetzelfde is als Akko, hetwelk wij vinden in den stam van Aser, Richteren 1:31. Paulus verzocht om vergunning om daar aan land te gaan, om de broederen te groeten, naar hun welstand te vernemen en hun zijne genegenheid te betuigen. Hoewel hij niet lang bij hen kon blijven, wilde hij hen toch niet voorbijgaan, zonder hun zijne achting te betonen, en hij bleef een dag bij hen, het was misschien de Dag des Heeren, en beter een kort verblijf dan in het geheel geen bezoek.