7. Daarom ziet, Ik zal Mijne hand ten straffe tegen u uitstrekken, en u den Heidenen ten buit, ten spijze (
Vers 4)geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben 2).
1) De zonden van Ammon bestonden hierin, dat het zich gekeerd had tegen de Goddelijke roeping, welke de Heere op Israël had gelegd. Het was de haat van het heidendom tegen den zuiveren dienst Gods, de haat van den eigenwilligen, tegen den geopenbaarden Godsdienst, en daarom zou Ammon uit de natiën worden uitgestoten.
2) Den wezenlijken inhoud van dit nieuwe deel van ons profetisch Boek maken de voorzeggingen uit tegen buitenlandse volken. Voorzeggingen tegen buitenlandse volken d. i. tegen het heidendom en de heidenwereld vormen sedert Bileams voorzegging een bijzonder deel der profetie. In Numeri 24:17-24 verlaat de voorzegging voor `t eerst het engere gebied van het rijk Gods en gaat ook tot de heidenwereld, tot hare ontwikkeling, gerichten en eindelijke genade. Bileam let in zijne profetie over niet-Israëlietische volken op Moab, Edom, Amalek, Midian en Assur, enigszins ook de Chitteën (Kenieten). Vervolgens neemt het eerst Obadja deze zijde der profetie op, doordat hij tegen Edom profeteert, maar zo dat Edom de gehele heidenwereld vertegenwoordigt en zijne profetie tot ene verkondiging over de heidenwereld uitbreidt. Op gelijke wijze voorzegt vervolgens Joël (Hoofdst 3, 4) tegen de heidenwereld, maar ook zo, dat hij Tyrus, Sidon, de Filistijnen, Egyptenaren en Edom in `t bijzonder noemt. Amos (Hoofdstuk 1:3; 2:3) heeft vervolgens reeds bijzondere orakels tegen Syrië, Filistea, Tyrus, Edom, Ammon en Moab. Bij Jesaja (13:1-23:18) vormen reeds, even als bij Ezechiël, de voorzeggingen tegen vreemde volken ene bijzonder grote afdeling, in welke afdeling ook even als bij Ezechiël een passus komt, die voornamelijk op Israël betrekking heeft, en Israël tegenover de heidense volken stelt (Hoofdstuk 22:1-23 Jesaja neemt hier naar een meer bijzonder woord (Jesaja 10:5) zijne voorzeggingen over de gehele wereld der volken in 10 last-woorden zamen (Jesaja 13:1; 14:28; 15:1; 17:1; 19:1; 21:1; 21:11; 21:13; 22:1; 23:1 1, 11, 1), terwijl hij voornamelijk op Babel, Filistea, Moab, Damascus, Egypte, benevens op Ethiopië, Edom, Arabieren en Tyrus let. Bovendien worden bij hen nog in `t bijzonder voorzeggingen tegen Assur (Jesaja 10:5), tegen Egypte en Assur (Jesaja 31:1-9; 34:1-35 1- :10), tegen Babel (Jesaja 47:1-15) gevonden. Eveneens wordt bij Jeremia ene bijzondere afdeling tegen de buitenlandse volken gevonden (Jeremia 46-51). Die voorzeggingen richten zich tegen Egypte, Filistea, Moab, Ammon, Edom, Damascus, Kedar en Hazor, Elam en Babel. Eindelijk voorzegt Zefanja tegen de heidenwereld in `t algemeen zo, dat Hij in Zefanja 2:4-15 de vier volken: Filistea, Moab en Ammon, Morenland en Assur in `t bijzonder noemt. Aan deze voorzegging sluit zich het hier voor ons liggend gedeelte van Ezechiël aan met zijne voorzeggingen tegen Ammon, Moab, Edom, Filistea, Tyrus, Sidon en Egypte. Bij Joël zijn vijf, bij Bileam en Amos zes, bij Zefanja vier, bij Ezechiël zeven volken en bij Jesaja zijn het tien last-woorden, waarin hij het geheel zamenvat, en niet minder dan tien buitenlandse volken (Assur, Babel, Filistea, Moab, Damascus, Egypte, benevens Ethiopië, Edom, Arabië, Tyrus), van welke hij spreekt. Dus steeds symbolische getallen. De keuze der volken is verschillend, daar die telkens door het geschiedkundig uitgangspunt worden aangewezen. Eveneens wordt daardoor de opvolging geregeld, in welke de volken bij de verschillende profeten worden voorgesteld. Bij Ezechiël is de rede der keus en de op elkaar volging duidelijk genoeg. Hij wendt zich eerst tegen Ammon, omdat dit volgens Hoofdstuk 21:18-32 met den veldtocht van Nebukadnezar tegen Jeruzalem in nadere betrekking stond. Hij let dan op Moab, Edom, Filistea, Tyrus en Sidon, omdat gij Juda omgaven bij de verwoesting van Jeruzalem, het meest er in deelden en mede leden, terwijl hij daarbij aan den staat van Tyrus als de meest betekenende, als ene uitstekende gedaante van ene wereldmacht het meest gedenkt. Hij neemt Ammon, Moab, Edom en Filistea in één Godswoord zamen, omdat zij in zo verre tot ene kategorie behoren, als zij voortdurend met Israël om het land streden, en daarom nog op bijzondere wijze Juda's vijanden waren en aan zijne vernietiging mede deel hadden. Hij besluit zeer uitvoerig met Egypte, omdat juist het verraderlijke verbond van Zedekia met Egypte, aan Nebukadnezar aanleiding gaf tot Jeruzalems verwoesting. Wanneer hij echter 7 volken verkiest, en over het hoofdvolk onder deze, Egypte, weer 7 woorden Gods spreekt, ook de voorzeggingen over de andere volken in 7 woorden Gods zamenvat, zo wil dit zeggen, dat het gericht, hier geprofeteerd over de heidenwereld en hare volken, over de wereldmacht en hare bijzondere vormen, in den loop der tijden door Gods werk en daden zal worden volvoerd. Daardoor dat de vier eerste volken in één Godswoord worden zaamgevat, ontstaat tevens ene verdeling van zeven in vier en drie.
Met de 7 volken, die bij onzen Profeet voorkomen, worden ons de heidense leden voorgesteld van de coalitie tegen Babel (Jeremia 27:3), de deelnemers aan Juda's verbreking van eed en trouw, die in Hoofdstuk 17 wordt bestraft. Eerst worden de vier naderbij zijnde, dan de twee meer verwijderde leden dezer coalitie voorgesteld, waarop het eigenlijke steunpunt der conspiratie in Egypte optreedt. Reeds daarom, dat de Profeet over de heidense volken handelt, die aan het gericht over Israël, aan Juda's trouwelozen eedbreuk tegen Babel mede schuldig zijn, zou ene bespreking ook van Babel, dat bij Jesaja en Jeremia als typisch middelpunt van allen afval van God voorkomt, weinig passen, het zou ook juist den invloed verzwakken, ook om andere redenen was het zwijgen over Babels gericht nodig.
Het is duidelijk, dat Babel met opzet niet wordt bedreigd, omdat de Heere Zijn volk op generlei wijze in verzoeking wil brengen, zich eigenmachtig door opstand aan het gezag van Babel te onttrekken. Hij toch heeft aan de Chaldeën het wrekend zwaard over Israël in handen gegeven. Als Profeet tegen Babel heeft Hij een ander man verkoren, die van de overigen Zijns volks gescheiden is. Deze is Daniël, op wien Ezechiël zelf tweemaal als op een man Gods heenwijst (Hoofdstuk 14:14; 28:3).
Tevens is de voorzegging tegen Tyrus middellijk ene profetie tegen Babel, en misschien is juist daaruit de betrekkelijk zo grote uitvoerigheid te verklaren. Wat in de eerste plaats gezegd wordt tegen die stad, in welke de wereldhandel haar toppunt had, dat geldt ook tegen die stad, in welke zich de wereldheerschappij concentreerde, die de Profeet reeds in Hoofdstuk 17:4 met een blik op Tyrus, als de stad van koophandel had genoemd.
De kinderen Ammons hadden luide genoeg over de ontheiliging van Jeruzalem, over de verwoesting van Israël en over de gevankelijke wegvoering van Juda hun vreugde te kennen gegeven; daarom wil de Heere de Bedouïnische Arabieren tot hen zenden, dat deze hun vruchtbaar gebied tot hun bezitting maken, en stad en land in Nomadische legerplaatsen veranderen, zelfs om de snode verachting van Israël en hun jubelend leedvermaak over zijn ongeluk uit de rij der volken worden uitgewist, opdat zij den levenden, almachtigen God, Jehova, leren kennen.
Wat men in Ammon ziet is de natuurlijke tegenstand van den geest des vleses tegen den Geest Gods, de openbaring daarvan is aan de ene zijde hoogmoed, aan de andere lastering, over `t geheel godslastering. Van Ammon, Moab en Edom moest het volk Gods ondervinden, wat de mens Gods ondervindt (Mattheus 10:36. Micha 7:6); want uit de bloedverwantschap kwam ene vijandschap tot in het bloed te weeg. Terwijl die zich tegen dien Geest verhief, die in Israël was, moest zij zich tegen den Messias in alle hevigheid verheffen, gelijk Hij zegt, dat wij om Zijne Naams wil zullen gehaat worden.
Met nadruk is in Vers 5 de ontwijding van het heiligdom als voorwerp van gejubel der Ammonieten op den voorgrond gesteld. Het heiligdom vormt het middelpunt voor de theokratie, daarom is het niet slechts nevens het land Israëls en het huis van Juda gemeld, maar ook voor deze. Het is er dus verre af, dat Ammons haat alleen een rationale zou zijn, de vijandschap komt werkelijk uit het godsdienstige voort. Daardoor verkrijgt die haat ene meer algemene betekenis en de gehele tegenstand van den Profeet verheft zich nu daartegen, die, uit ene reine bron ontsproten, als ene heerlijke vlam van Goddelijken ijver en heiligen toorn zich verheft.
Als straf voor den haat van Ammon, die allereerst op Israëls goddelijke roeping en de waarheid zelf betrekking had, wordt den Ammonieten gedreigd, dat zij hun bestaan als volk zouden verliezen en hun land tot ene weide voor de Nomadische zonen van het Oosten zou worden. Er staat echter niet, dat het juist de Arabieren zullen zijn, die de Ammonieten hun volksbestaan zullen ontnemen, integendeel kan met den tekst zeer goed overeenkomen, dat de Staat der Ammonieten door enig ander volk zou worden verwoest en vervolgens zijn land door de Arabieren zou worden in bezit genomen.
Evenals bij Juda zo zijn ook bij alle deze buitenlandse volken de Chaldeën de eigenlijke werktuigen des gerichts; de zonen van het Oosten zijn de gieren, die op het lijk aanvallen, degenen, die overal zich bevonden, waar vuur en zwaard een land verwoest heeft en met hun menigten daar komen. Tegenover den vroegeren naam der oude hoofdstad van Ammon, "Rabba", d. i. de volkrijke vormt de "kamelenstal" (ene verblijfplaats der kamelen ene melancholische tegenstelling-kameel en woestijn behoren onafscheidelijk te zamen.
Rabba moge toch reeds voorbijgaand door Arabieren zijn ingenomen, die als nomaden hun kamelen en schapen met zich voerden, toch hebben de Ammonieten zich nog langen tijd als volk staande gehouden. (Jeremia 49:6) maar later zijn zij bij Arabië gerekend en een tijd lang onderdanen der Ptolemeüssen in Egypte geweest. Ptolemeus Philadelfus (Daniël 11:5) noemde de hoofdstad naar zijnen naam Filadelfia. Onlangs heeft men de ruinen van Rabba gezonden en wel, overeenkomstig de profetie, door Bedouïnen bewoond.
In en om Rabba zijn de verzamelplaatsen der Bedouïnen, waar zij hun kamelen en schapen weiden.
De plaats is geheel zonder woonplaats en van mensen verlaten.