Ezechiël 22:23-31
I. Hier wordt een algemene voorstelling gegeven van het land Israëls, hoezeer het de oordelen verdiende, die het kwamen verwoesten, en hoezeer het die oordelen nodig had tot zuivering. De profeet moet het klaarlijk aanzeggen: "Gij zijt een land, dat niet gereinigd is, niet gezuiverd als metaal, en dat daarom opnieuw in de oven gebracht moet worden". Verschillende proeven van verbetering hebben geen uitwerking gehad, "gij hebt uw plasregen gehad ten dage van de gemeenschap." Dat was één van de oordelen, die God over hen bracht in de dag van Zijn verbolgenheid, dat er geen regen op de aarde was, Jeremia 14:4. Of, "als de tekenen van Gods misnoegen bij u zijn, in de dag van de gramschap, hebt gij uw plasregen niet gehad, gij hebt u niet laten onderwijzen door de profeten, van wier leer gezegd wordt, dat zij neerdaalt als de regen. Of, als gij gestraft zijt, zijt gij niet gereinigd, uw vuil is niet weggespoeld, zoals dat op de straat is, door een regenvlaag. Ja, al is het een dag van de gramschap voor u, toch is uw vuilheid, die weggedaan had moeten worden, nog aanstotelijker geworden, zoals die van een stad bij droog weer, als er geen regen valt. Of, gij hadt niets om u mee te versterken en te troosten ten dage van de gramschap, gij hebt uw regen van goddelijke vertroostingen niet gehad. Zo had ook de rijke, in de pijn, geen water, of regen, om zijn tong te verkoelen.
II. Een bijzondere beschuldiging wordt ingebracht tegen de verschillende rangen en standen onder hen, die toonden, dat zij allen hadden bijgedragen om de maat van de schuld van het volk vol te maken, maar niemand had iets gedaan om ze leeg te maken, daarom zijn zij allen gelijk.
1. Zij hebben een ieder zijn weg verdorven, en die de schitterendste voorbeelden van deugd hadden moeten zijn, waren voorgangers in de ongerechtigheid, en voorbeelden van ondeugd.
A. De profeten, die voorgaven hun Gods wil kenbaar te maken, waren niet alleen bedriegers, maar verscheurende dieren, vers 25 en verhardden hen in hun goddeloosheid, beide door hun prediking, waarin zij hun voorspoed en straffeloosheid beloofden, en door hun wandel, waarin zij even verdorven waren als ieder ander. Er is een verbintenis harer profeten tegen God en de godsdienst, tegen de ware profeten en alle goede mensen, zij staken de hoofden bij elkaar om allen hetzelfde te zeggen, zoals de profeten van Achab, om hun de vrede te verzekeren op hun zondige weg. De eenheid, die gevonden wordt onder hen, die op onfeilbaarheid aanspraak maken, en waar zij zo op pochen, is alleen het gevolg van een geheime verbintenis tegen de waarheid. Satan is niet tegen zichzelf verdeeld. De profeten zijn in verbintenis met de moordenaars en verdrukkers, om hun de hand boven het hoofd te houden en te beschermen in hun goddeloosheid en wat zij deden, te rechtvaardigen met hun valse profetieën, mits zij delen mogen in de voordelen. "Zij zijn als een brullende leeuw, die een roof rooft", zij spreken donderende bedreigingen uit tegen degenen, wier ondergang zij bedoelen, verschrikken hen, of maken hen gehaat bij het volk, en zo worden zij meester van de toestand, dit is
a. Van hun leven: Zij eten de zielen op, zij zijn medeplichtig aan het vergieten van het bloed van menigen onschuldige, en zo hebben zij tot kommerlijke weduwen gemaakt, die als huisvrouwen onbezorgd leefden. Zij hebben ten dode vervolgd, die tegen hun aanspraken op profetie getuigden en zich niet lieten bedriegen door hun voorgewenden last. Of: Zij eten de zielen op, door de zondaars te vleien met een valse vrede en ijdele hoop en hen te verleiden op het pad van de zonde, dat hun eeuwig verderf zou zijn. Die anderen tot goddeloosheid verleiden, en hen daarin aanmoedigen, verslinden en moorden hun zielen. b. Van hun bezittingen. Als Naboth gedood is, nemen zij bezit van zijn wijngaard, De schat en het kostelijke nemen zij weg, als verbeurd verklaard, zij wisten er middelen op om "de huizen van de weduwen op te eten," evenals de Farizeën, Mattheus 23:14. Of, zij kregen deze schat en kostelijke dingen als beloning voor valse en strelende profetieën, "want die niet geeft in hun mond, tegen die heiligen zij een oorlog", Micha 3:5. Het was treurig gesteld met Jeruzalem, als zulke mensen voor profeten doorgingen.
B. De priesters, die leraars waren krachtens hun ambt en met de bewaking van de heilige dingen belast, en de valse profeten ter verantwoording hadden moeten roepen, waren even slecht als die, vers 26..
a. Zij overtraden de wet van God, die zij hadden moeten waarnemen en anderen leren waar te nemen. Zij maakten geen gewetenszaak van de wet des priesterschaps, maar overtraden die openlijk, en minachtend, zoals Hofni en Pinehas. Zij deden wat zij wilden met een uitdrukkelijk "non obstante-ondanks" het Woord van God. En hoe zouden zij het volk hun plicht leren, die in strijd handelden met hun eigen plicht?
b. Zij ontheiligden Gods heilige dingen, waarvan de bediening hun was toevertrouwd, en van wier ontheiliging zij anderen hadden moeten afhouden. Zij lieten van de heilige dingen eten, wie het door de wet verboden was. De tafel des Heeren was bij hen in minachting. Door de heilige dingen met zulke onheilige handen te behandelen, ontheiligden zij die.
c. Zij maakten zelf geen onderscheid tussen het heilige en onheilige en leerden het volk het verschil niet tussen het reine en onreine, naar de geboden, en het onderscheid, dat de wet maakte. Zij hielden niet buiten Gods voorhoven, die daardoor de wet uitgesloten waren, en maakten het volk niet duidelijk het verschil, dat er, volgens de wet, was tussen rein en onrein voedsel, tussen heilige en gewone tijden en plaatsen, maar zij leefden zelf er op los en moedigden het volk aan om dat ook te doen.
d. Zij verborgen hun ogen van Gods Sabbaten, zij stoorden er zich niet aan, het was hun hetzelfde of Gods Sabbaten heilig gehouden werden of niet, zij steunden niet, die ze waarnamen, en beteugelden niet, die ze ontheiligden ook toonden zij er zelf geen belangstelling en geen verering van. Zij zagen het door de vingers, als er die dag ongeoorloofd werk gedaan werd, en keken een anderen kant op, als zij het gedrag des volks op Sabbatdagen moesten nagaan. De goddelijke instelling geeft Gods Sabbaten zoveel schoonheid en heerlijkheid, dat men er eerbied voor hebben moet, maar zij verborgen hun ogen daarvan en wilden de voortreffelijkheid er van niet zien.
e. Door dit alles werd God zelf in het midden van hen ontheiligd, Zijn gezag werd geminacht, Zijn goedheid licht geacht, en Zijn heiligheid de grootst mogelijke belediging en minachting aangedaan. De ontheiliging van de eer van de Schrift, van de Sabbaten en heilige dingen, is een ontheiliging van de eer van God zelf, Wien dat alles geldt.
C. De vorsten, die met hun gezag tussenbeide hadden moeten komen, om in dat alles verandering te brengen, waren even vermetele overtreders van de wet als iemand anders vers 27 : Zij zijn als wolven, die een roof roven, want dat is macht, zonder rechtvaardigheid en goedheid om die te besturen. Al wat ze deden, deden zij,
a. Uit trots en eerzucht, waarom zij hun macht willekeurig en geducht maakten. b. Uit boosaardigheid en wraakzucht, "bloed vergieten en zielen opeten, en alles wat hun in de weg stond of hun ergens in mishaagd had, aan hun wreedheid opofferen."
c. Uit hebzucht: hun enige doel is geldgierigheid plegen, door hun onderdanen te verdrukken en te verbrijzelen. "Lucri bonus est odor ex re qualibet. Rem, rem, quacunque modo rem- Lieflijk is de reuk van het geld, hetzelfde waar het vandaan komt. Geld, geld, hoe men er aan komt, doet er niet toe." Maar, hoewel zij macht genoeg hadden, om de verdrukking vol te houden, toch is de vraag, hoe zij die konden verantwoorden voor hun goede naam en hun geweten? Dat wordt ons hier meegedeeld, vers 28 :De profeten pleisterden hen met loze kalk, zeiden hun in Gods naam (hoe verschrikkelijk goddeloos!) aan, dat er geen kwaad was in hetgeen zij deden, dat zij over het leven en de bezittingen van hun onderdanen mochten beschikken, zoals hun welgevallig was, en dat zij geen onrecht konden doen, ja, dat zij God een dienst bewezen, met deze en genen, die door hen getekend waren, te vervolgen, en zo stopten zij de mond van hun geweten. Ook rechtvaardigden zij, wat zij deden, voor het volk, ja, zij verhieven het hemelhoog alsof dat alles voor het algemeen welzijn was, en redden zo hun goeden naam en stilden de ontevredenheid van hun verdrukte onderdanen. Zulke profeten zijn de grote steun van roofzuchtige vorsten, maar aan het eind zal blijken dat zij hen bedrogen hebben, want zij pleisteren met loze kalk, die niet houden zal, en ook zal de muur niet lang staan blijven, die daarmee gemetseld is. Zij geven voor zieners te zijn, maar zij zien ijdelheid, zij doen alsof zij voorspellen kunnen, maar zij voorzeggen leugen, zij beweren volmacht van de hemel te hebben voor wat zij zeggen, en dat alles waar is, als Gods Woord, zij zeggen: "Alzo zegt de Heere Heere, maar het is alles leugen, want de Heere heeft niet gesproken."
D. Ieder, die enige macht had, leerde van de vorsten, die te misbruiken, vers 29. Die moesten klagen over verdrukking van de onderdanen, en een aanklacht indienen ten behoeve van de verongelijkten, die in de bres moesten springen voor vrijheid en eigendom, maakten er zelf inbreuk op: Het volk des lands pleegt verdrukking en bedrijft roverij. De rijken verdrukken de armen, de heren hun knechten, de landeigenaars hun pachters, en zelfs ouders hun eigen kinderen, ja kopers en verkopers doen hun best elkaar te verdrukken. Als deze zonde nationaal is, dan is zij inderdaad een nationaal oordeel, en daar wordt ook mee gedreigd, Jesaja 3:.5. "Het volk zal verdrukt worden, een ieder door zijn nabuur." Het is een verzwaring van de zonde, dat zij de ellendige en de nooddruftige onderdekken, die zij hadden moeten helpen, en de vreemdeling verdrukken zonder recht, voor wie zij niet alleen rechtvaardig, maar ook vriendelijk hadden moeten zijn. Aldus was de afval algemeen en de ziekte epidemisch.
2. Niemand treedt voor hen op, als bemiddelaar, vers 30 Ik zocht een man, die in de bres mocht staan, maar Ik vond niemand
a. De zonde maakt een bres in de muur van de bescherming, waardoor het volk al wat goed is verliest, en waardoor het kwaad binnenkomt een bres, waardoor God binnenkomt om te verderven.
b. Het is mogelijk, dat iemand in de bres springt en die verdedigt tegen Gods oordelen, door bekering en gebed en verbetering. Mozes stond in de bres, toen hij voor Israël tussenbeide kwam, "om de grimmigheid van God af te keren," Psalm 106:23.
c. Als God tegen een zondig volk optreedt om het te verderven, dan verwacht Hij, dat iemand voor hen tussenbeide komt, en vraagt of er zo iemand is, zozeer verlangt Hij en zo aangenaam is het Hem, genade te tonen. Als er maar iemand is, die in de bres staat, zoals Abraham voor Sodom, dan zal Hij het ontdekken, en er een welgevallen aan nemen.
d. Het is een slecht voorteken voor een volk, wanneer de oordelen over hen komen, en de geest des gebeds ingehouden wordt, en niemand gevonden wordt, die hun een goed woord geeft, of een goed woord voor hen doen wil.
e. Als het er zo mee is, wat kan men dan anders verwachten dan volkomen ondergang? Daarom heb Ik Mijne gramschap over hen uitgegoten, vers 31, heb die de vrije loop gelaten, opdat zij als een stroom over hen kome en toch, als Gods gramschap een volk treft, dan is het hun weg, die op hun kop gegeven wordt, en God handelt met hen niet erger, maar veel beter dan hun ongerechtigheid verdient.