1. De last (
Hoofdstuk 13:1) van a) Tyrus 1), die eilandstad, gelegen op ene rots, die ongeveer 12 minuten in de zee vooruitspringt, en 3/4 mijl verwijderd is van de oude stad, die meer landwaarts in ligt (
Jozua 11:8). Huilt gij schepen van Tarsis, wanneer gij van uwe vaart naar Tarsis of Tartessus in Spanje (
Vers 10) terugkeert, en onderweg het ontzettend bericht verneemt door schepen, die u ontmoeten! want zij, de stad Tyrus, waar gij tehuis behoort, is verwoest, dat er geen huis meer is, dat niemand er meer ingaat, (daar men kan ingaan), en dit moet u des te bitterder zijn, daar gij na lange moeitevolle vaart u in uw vaderland dacht te herstellen; uit het land Chittim, het laatste station, de stad Citium op Cyprus (
Genesis 10:4) is het aan hen, aan de terugkerende schepen, openbaar geworden 2), daar is de bevestiging ontvangen van het onderweg reeds gehoorde bericht uit den mond der hierheen gevluchten, die ooggetuigen der verwoesting geweest zijn.
a) Jeremia 47:4. Ezechiel 26, 27, 28. Zacharia 9:3, 4.
1) Babel opent de rij der profetieën tegen de Heidense volken, en Tyrus sluit die. Babel is de grootste wereldmacht te land. Tyrus de grootste handelsmacht ter zee. Babel verhoogde en bevestigde zijn macht, door wegvoering der vreemde volken naar zijn eigen land. Tyrus breidde zijn macht uit, door den handel. Maar beiden hadden op het oog eigen ere, eigen voordeel en aanzien. Beiden rekenden niet met God, en nu, gelijk Babel, zo zou ook het overmoedige Tyrus verwoest worden.
2) De toehoorder zou nu gaarne nadere bijzonderheden willen weten omtrent de catastrofe, die hier ter sprake gebracht is, maar naar de wijze der profeten verklaart Jesaja dat noch in de eerstvolgende verzen noch in het verdere van zijne rede uitdrukkelijk, het zijn alleen ter loops ingevoegde trekken, die den lezer worden meegedeeld en uit welke hij dan hier, even als elders, zelf de toedracht moet afleiden. Vervolgen wij, om dit te doen, in de eerste plaats het opgemerkte bij 2 Koningen 10:45 over de geschiedenis van Fenicië, zo was ten tijde, toen Samaria verwoest werd en het rijk der tien stammen door ASSYRIË zijnen ondergang vond (822/1 v. C. 2 Koningen 17:6), Eluleus, koning van Tyrus. Salmanasser, nadat hij het landschap Tyrus en vele andere Fenicische steden had onderworpen, bracht met hulp van deze ook den oorlog tot hen over. Hij overviel echter met 12 schepen de vijandelijke vloot, verstrooide die en maakte 600 gevangenen, zodat de koning van ASSYRIË nu niets meer kon doen, dan dat hij bewakers achterliet bij de rivier Leontes en bij de waterleidingen, om den Tyriërs het zoete water af te snijden. Dit duurde vijf jaren, gedurende welken tijd de alzo bewaakten uit gegevene bronnen dronken; ten laatsten beleefden zij den triomf, dat de vijand onverrichter zake van hen meest wegtrekken en zij nu in des te groter eer stonden als de zodanige, die onverwinnelijk waren door hun vloot en door hun ligging. Zo onthoudt zich dan ook in 2 Kon. 18:34 Rabsake wel, om Tyrus te rekenen onder de door zijnen koning en diens voorvaderen onderworpen steden. Van dezen toestand der zaak gaat onze voorspelling uit: Tyrus is voor den profeet benevens Babel, dat toen nog in `t geheel niet als een eigen, zelfstandig rijk bestond, maar eerst na ASSYRIË te voorschijn zou treden (Hoofdstuk 13), het tweede voorname beeld van trotse heidense macht. Zij is de stad van den wereldhandel, even als Babel die van het wereldrijk. Zij is het middelpunt der grootste zeemacht, even als Babel die van de landmacht. Zij neemt zo vreedzaam als mogelijk is de schatten der volkeren weg, en verzekert zich van haar voordeel door koloniën en factorijen, gelijk Babel de volken met ijzeren arm onder het juk brengt en zich van zijne heerschappij verzekert door middel van deportatie. Even als Babel, de woestijn aan de zee (Hoofdstuk 21:1) ten onder gebracht wordt door de Meders, zelfs geheel en voor altijd wordt vernietigd (Hoofdstuk 13:17), zo vroeger Tyrus, de sterkte aan de zee (Vers 4) door de Chaldeeën en hun koning Nebukadnezar zo als daarna Ezechiël in Hoofdstuk 26-28 van het Boek zijner profetieën nader uiteenzet. Terwijl thans, nu naar allen schijn Sanherib tegen Jeruzalem optrekt en dit in zijnen Jehova, zo als het schijnt, een slecht bolwerk heeft tegen den machtigen overwinnaar (vgl. Hoofdstuk 36), Tyrus in zijne ligging aan de zee ene zekerheid van onverwinnelijkheid meent te bezitten en vol triomferenden overmoed op alle rijken ziet, die den Assyrischen veroveraar als buit zijn ten deel geworden en nog zullen worden, ziet de profeet over de tijdruimte van meer dan 140 jaren heen, en hij aanschouwt de trotse stad als reeds voor altijd gevallen. Met het jaar 586 v. C. namelijk, zoals men uit velerlei omstandigheden kan opmaken (zie Ezechiel 29:17 vgl. 2 Koningen 25:2) begint de 13 jarige belegering door Nebukadnezar, die de eilandstad door een aarden wal aan het vaste land verbond, en haar, die zich reeds verheugd had over den val van Jeruzalem (in het jaar v. C. 588), en zich zelf daarvan vermeerdering van macht en rijkdom had beloofd (Ezechiel 26:2), na ontzaglijke moeiten en bezwaren (in het jaar 573 v. C.) eindelijk veroverde en waarschijnlijk door capitulatie in zijne macht kreeg. De Tyriers hadden echter hun rijke schatten reeds in veiligheid gebracht en de veroveraar vond dus voor zijne moeiten gene schadevergoeding. (Ezechiel 29:17). De toen regerende koning van Tyrus was Ithobal (Ethbaäl) II. Toch was de inneming der stad gene gehele verwoesting, even als ook Alexander de Grote, na ene belegering van zeven maanden, op dezelfde wijze, door het leggen van een dam, haar (in het jaar 332 v. C.) slechts innam, niet vernietigde (1 Makk. 1:4) en zij zelfs onder Syrische en Romeinse opperheerschappij, nog ene aanzienlijke, bloeiende handelsstad was. Evenzo hebben de kruisvaders in het jaar 1125 n. C. haar slechts veroverd; hare verwoesting volgde eerst 150 jaren later door de Sarracenen. Nu is alle heerlijkheid van Tyrus deels in de zee weggezonken, deels onder het zand begraven. Op de plaats van de bouwvallen der vorige eilandstad staat een dorp, dat uit ellendige houten hutten bestaat en den naam van Sur draagt. Het is nu geen eiland meer, want de dam dien Alexander maakte is door aangespoeld zand ene brede en vaste landtong geworden, die het eiland met het strand verbindt. Jesaja ziet dus op onze plaats nog in verdere toekomst, dan die over 140 jaren. De door Nebukadnezar gebroken macht van Tyrus valt voor zijn oog met de gehele vernietiging te zamen, welke de Geest van God hem openbaarde. Alzo behoeft het niet te bevreemden, dat ook na de bovengenoemde catastrofe de stad hare eigene beheersers had, doch enigermate afhankelijk van de Chaldeeën en naderhand van de Perzen. Na Ithobal II regeerde namelijk, zo als een fragment uit Menander mededeelt, 10 jaren lang Baäl; daarop werden rechters aangesteld, die echter bijna allen slechts enige maanden lang zich staande hielden totdat weer een koning Balatorus gedurende een jaar op den troon zat. Vervolgens lieten de Tyriërs Merbel en na diens dood Hiram uit Babylonië komen, nakomelingen van hun oud koningsgeslacht, dat de Chaldeeën daarheen in ballingschap hadden gevoerd. In het 14de jaar van den laatsten werd Cyrus koning van Perzië.