Ezechiël 21:18-27
In de vorige verzen heeft de profeet getoond dat het zwaard kwam, nu toont hij dat zwaard zelf, opdat men zich niet zou vleien, dat er middelen zouden gevonden worden om het in een anderen weg af te wenden.
I. Hij moest het Chaldeeuwse leger zien komen tegen Jeruzalem en daarop wijzen, en aantonen, dat een hoogste macht dat bepaald had. De profeet moest zich twee wegen voorstellen, dat is: hij moest op papier twee wegen tekenen, vers 19, gelijk op landkaarten gedaan wordt, en dan de legerscharen uit Babel op het punt brengen, waar die wegen zich scheiden, want daar zouden zij halt houden. Zij komen beide uit hetzelfde land voort, maar waar zij komen aan een plaats, vanwaar een weg naar Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, en de andere naar Jeruzalem leidt, maakt hij een pauze, want, ofschoon tot beider ondergang besloten is, blijft het nog de vraag, welke stad het eerst zal aangevallen worden, hier weten de staatslieden niet wat te kiezen. Het zwaard moet of naar Rabba of naar Jeruzalem in Juda gaan. Vele bewoners van Juda hebben nu bescherming in Jeruzalem gezocht, en alle belangen des lands lagen in de veiligheid van de stad, en daarom heet het "tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem." Zozeer was ze versterkt, dat ze voor onneembaar werd gehouden, Klaagliederen 4:12. De profeet moet het dilemma beschrijven, waarin de koning van Babel zich bevindt, vers 21, want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, overwegende welke weg hij zal verkiezen. Hoezeer hij een vorst met een heldere blik en vastberadenheid was, toch schijnt hij nu niet te weten, wat het beste is. Laat dus de wijze zich niet beroemen op zijn wijsheid, noch de machtige op zijn souvereine macht, want zelfs degenen, die kunnen doen wat zij willen, weten niet altijd wat het voordeligst is. Let nu hierop,
1. De wijze, waarop hij tracht tot een besluit te komen: hij zal tot waarzegging de toevlucht nemen, op een hogere onzichtbare macht steunen, misschien tot een beslissing door het lot besluiten. Daartoe zal hij zijn pijlen slijpen, die voor het werpen van het lot moesten dienen, als om de ceremonie luister bij te zetten. Misschien werd Jeruzalem op de ene pijl geschreven, en Rabba op de anderen, en die nu het eerst uit de pijlkoker gehaald werd, zou bepalen waarheen de koning het eerst zou trekken. Of hij wachtte op de aanwijzing van het een of het ander voorgewend orakel: hij zal de therafim vragen, in de verwachting, dat daardoor antwoord zal komen. Of hij raadpleegde de opmerkingen, die de waarzeggers uit de ingewanden van de offerdieren afleidden: hij zal de lever bezien, of die voor- of tegenspoed voorspelt. Zie, het wondt de hoogmoed van wijze mensen op aarde, dat zij in moeilijke omstandigheden blij geweest zijn, bij de hemel om hulp te kunnen aankloppen, het is een bewijs van hun dwaasheid, dat zij zulke belachelijke wegen hebben gekozen om dat te doen, terwijl het in gevallen, dat aardse wijsheid inderdaad te kort schiet, voldoende is te bedenken, dat "het lot in de schoot wordt geworpen, met dit gebed: Toon de onschuldige 1 Samuël 14:41, en een vast geloof, dat het gehele beleid daarvan niet van een toeval afhangt, maar is van de Heere," Spreuk. 16:33.
2. Het besluit, waartoe hij door deze waarzeggerij gebracht werd. Zelfs in dit zondig bedrijf volvoert God Zijn raadslagen en wendt Zijn schreden naar Jeruzalem, vers 22. De waarzegging voor Jeruzalem was aan Zijn rechterhand, die, volgens gebruik bij waarzeggen, hem de weg wees. Zie, voor welke diensten God mensen bestemt, Zijn voorzienigheid zal hen er zeker toe brengen, of schoon zij zelf er wellicht heel niets van vermoeden, onder welke leiding zij verkeren. Wel, nu Jeruzalem als eerste doelwit is aangewezen, begint de veldtocht met beleg van deze belangrijke stad. Hoofdlieden worden gesteld voor het kommando van de troepen, die voor het beleg zullen gebruikt worden, die de mond in het doodslaan moeten openen, de soldaten aanwijzing moeten geven wat te doen en door een krijgsproclamatie aansporen. Bevelen worden uitgevaardigd voor alles wat nodig is om het beleg met kracht aan te vangen en door te zetten, stormrammen zullen gesteld en sterkten opgeworpen worden. O welk een inspanning, welke kosten getroost de mens zich om zijn evenmens om het leven te brengen!
II. Hij moet beiden volk en vorst tonen, dat zij deze verwoesting door hun eigen zonde over zich brengen.
1. Het volk eerst, vers 23, 24. Het geeft geen acht op de aankondiging van het naderend oordeel. Ezechiëls profetie is hun een ijdel waarzeggen, zij worden er niet door ontroerd noch tot berouw opgewekt. Wanneer zij vernemen, dat Nebukadnezar door zijn waarzeggerij naar Jeruzalem is gewezen en van de goede uitslag van deze onderneming verzekerd, dan lachen zij en blijven even gerust, het een ijdel waarzeggen noemende, omdat zij met eden beëdigd zijn onder hen, dat is: omdat zij een plechtig verbond met Egypte hebben gesloten, en op de belofte van de Egyptenaren vertrouwen, dat die het beleg zullen doen opbreken, of op de verzekeringen van de valse profeten, dat de stad zal ontzet worden. Het kan ook slaan op de eed van trouw, aan de Babyloniërs gezworen, die zij gebroken hadden, voor welke trouwbreuk God hen had overgegeven aan geestelijke blindheid, zodat de welwillendste waarschuwingen door hen als valse waarzeggerij werden in de wind geslagen. Zie, het is geen wonder, als zij, die met de heiligste eden spotten, ook de gek steken met de heiligste godsspraken want waar zal een heiligschenner ophouden? Maar zal hun ongeloof de raad Gods teniet doen? Zijn zij veilig, omdat zij gerust zijn? Geenszins, juist de spot, waarmee zij goddelijke waarschuwingen ontvangen, is een zonde, die hun overige zonden in gedachtenis brengt, en zij kunnen nog dankbaar zijn, dat die eerst nu gedacht worden.
a. Hun tegenwoordige goddeloosheid wordt ontdekt. Nu God met hen twist, zijn zij zo verdorven en hardnekkig, dat wat ze ook tot hun verdediging aanvoeren, slechts hun schuld verzwaart, nooit gedroegen zij zich zo slecht als nu zij op het luidst tot boete en bekering worden vermaand: "zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen. Gij moogt u wenden waarheen gij wilt, overal vertonen zich uw zwarte zonden." Dit is maar al te waar van een ieder onzer, want niet alleen is er geen mens, die niet zondigt, maar er is ook niemand rechtvaardig, die goed doet. Zelfs onze beste werken zijn niet zuiver voor God, er is zwakheid, dwaasheid, onvolkomenheid in, er is steeds kwaad bij ons zelf, als wij het goede willen doen, zodat ook wij met smart en schaamte moeten getuigen: onze zonden worden gezien in al onze handelingen en klagen ons aan zodat wij, als wij onder de wet waren, verloren zouden zijn.
b. Dit brengt hun vroegere zonden in gedachtenis, "omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, niet door u zelf, opdat gij u mocht verootmoedigen, maar door Gods rechtvaardigheid, die ze u toerekent". Uw zonden brengen de zonden van uw vaderen tot uw laste in gedachtenis, die u anders niet zouden toegerekend worden. Zie, God gedenkt alleen dan vroegere zonden, wanneer uw tegenwoordige overtredingen tonen, dat gij ze niet betreurt.
c. Opdat zij voor allen gestraft worden, worden zij de verwoester ter vergelding overgedragen, vers 24. "Gij zult met de hand gegrepen worden, met de hand, die God besteld heeft om u te grijpen en vast te houden, zodat gij niet kunt ontsnappen." Van mensen wordt gezegd, dat ze in Gods hand zijn, wanneer zij handlangers van Zijn gerechtigheid zijn, Psalm 17:14. Zie, degenen, die door het woord van Gods genade niet gegrepen worden, zal de hand van Zijn toorn grijpen. 3. Zo haalt zich ook de vorst zijn ondergang op de hals. Zedekia is de vorst Israëls, tot wie de profeet zich hier, in Gods naam, wendt. Als hij niet in Gods naam had gesproken, zou hij niet zo moedig, zo ronduit gesproken hebben, want betaamt het, tot een koning te zeggen: gij zijt goddeloos?
a. Hij noemt zijn kwaad vers 25. Gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israël! Hij was niet zo slecht als sommige van zijn voorgangers, en toch slecht genoeg om die beschuldiging te verdienen. Hij zelf was een onheilige, die alle deugd en alle recht had uitgeschud. En hij was goddeloos, daar hij de zonde onder zijn volk bevorderde, hij zondigde en deed Israël zondigen. Zie, onheiligheid en goddeloosheid zijn in iedereen slecht, maar bovenal in een vorst, een vorst in Israël, die als Israëliet beter weten, en als vorst een beter voorbeeld geven en beter invloed uitoefenen moest op degenen, die rondom hem waren.
b. Hij leest hem zijn vonnis voor. Ten tijde van de uiterste, dat is: laatste ongerechtigheid. De maat is vol, en daarom is zijn dag gekomen de dag van zijn straf, de dag van de goddelijke wrake. Zie, hoewel zij, die goddeloos en onheilig zijn een wijle bloeien mogen, toch zal hun dag komen, dat zij vallen. Het hier aangekondigde vonnis luidt:
c. Dat Zedekia zal afgezet worden. Hij heeft zijn kroon verbeurd en zal ze niet langer dragen, door zijn onheiligheid heeft hij zijn kroon ontheiligd, ze zal ter aarde geworpen worden. "Neem die hoed weg en zet die kroon af". Hoeden en kronen zijn verliesbare dingen, alleen in de andere wereld wordt een kroon van de heerlijkheid geschonken, die niet verwelkt, daar is een koninkrijk, dat niet verstoord wordt. De Chaldeeuwse paraphrase luidt aldus, "Neem de diadeem van Seraja, de hogepriester, en Ik zal de kroon afnemen van Zedekia, de koning. De een noch de andere zal op haar plaats blijven, maar beide zullen weggenomen worden". Deze zal dezelfde niet wezen, niet dezelfde, wat ze is geweest, deze niet deze (gelijk er oorspronkelijk staat), nu is hij onheilig en goddeloos, gelijk hij geweest is, maar niet de vorst Israëls, die hij is geweest. Zie, de mens verliest zijn waardigheid door goddeloosheid. Hun onheiligheid en goddeloosheid neemt hun hoed (of diadeem) weg, neemt hun kroon weg en maakt ze het tegenovergestelde van wat zij geweest zijn.
d. De grote verwarring en wanorde in de staat, die hieruit voortspruiten. Alles zal onderstboven gekeerd worden. De overwinnaar zal er behagen in scheppen, te verhogen degene, die nederig is, en te vernederen diegene, die hoog is, sommigen te verheffen en anderen te verlagen, naar zijn willekeur, zonder acht te slaan op recht of verdienste.
e. Pogingen tot herstel van de heerschappij zullen falen en tot niets leiden, vooral die van Gedalia en die van Ismaël, welke van het koninklijke zaad was (op wie de Chaldeeuwse paraphrase doelt), geen van beide zal in staat zijn iets uitte richten. "Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen, eerst het een plan, en dan het andere verijdelen, want wie kan bouwen wat God nederwerpt?"
f. Deze heerschappij zou nimmer hersteld worden, totdat ze in eeuwigheid hersteld werd door de hand van de Messias. Er zullen geen koningen meer zijn uit het huis van David na Zedekia, totdat Christus komt, wie het koninkrijk rechtens toekomt, die dat zaad Davids is, in Wien de belofte haar volle vervulling zal hebben, "Hem zal Ik geven, Hij zal hebben de troon van Zijn vader David," Lukas 1:32 Onmiddellijk voor de komst van Christus is er een langdurige verduistering van de koninklijke waardigheid geweest, en ook de geest van de profetie heeft ontbroken, opdat Zijn verschijning in de volheid des tijds beide als koning en profeet zoveel luisterrijker zou zijn. Zie, Christus heeft ontegensprekelijk recht op de souvereine heerschappij beide in de kerk en in de wereld, het koninkrijk is Zijn recht. En daar Hij het recht heeft, zal Hij ook te van Zijn tijd het bezit erlangen. Ik zal het Hem geven. Eer zal alles onderstboven gekeerd worden dan dat Hij Zijn recht niet zou erven, alles wat Hem in de weg staat, alle tegenstand zal vernietigd worden om voor Hem plaats te maken, Daniël 2:45, 1 Corinthiers. 15:25. Dat wordt hier vermeid tot troost dergenen, die vreesden, dat de belofte, aan David gedaan, voor immer mocht ondergaan. "Neen", zegt God, "die belofte is onfeilbaar, want het koninkrijk van de Messias zal eeuwiglijk bestaan."