Psalm 27:1-6
Wij kunnen hier opmerken:
I. Met welk een levendig geloof David roemt in God, in Zijn heilige naam en in zijn deel aan Hem.
1. De Heere is mijn licht. David's onderdanen noemden hem het licht of de lamp Israël's, 2 Samuël 21:17. En hij was ook voorzeker een brandende en lichtende kaars, maar hij erkent dat hij schijnt zoals de maan, met een ontleend licht; het licht, dat God op hem deed schijnen, werd teruggekaatst op hen. De Heere is mijn licht. God is een licht voor Zijn volk om hun de weg te doen zien als zij in twijfel zijn, hun hart te vertroosten en te vervrolijken als zij zich in droefheid bevinden. Het is in Zijn licht, dat zij nu voortgaan op hun weg en in Zijn licht hopen zij licht te zien tot in eeuwigheid.
2. Hij is mijn heil, mijn verlossing, in wie ik veilig ben, en door wie ik verlost en behouden zal worden."
3. "Hij is de kracht van mijn leven, niet slechts de beschermer van mijn aan gevaar blootgesteld leven, die er mij voor behoedt om gedood te worden, maar de kracht van mijn broos, zwak leven, die mij er voor behoedt om neer te zinken en te bezwijken." God, die het licht is van de gelovige, is de kracht van zijn leven niet alleen door wie, maar in wie, hij leeft en zich beweegt. Zo laat ons ons dan versterken in God.
II. Met welk een onversaagden moed hij triomfeert over zijn vijanden geen kloekmoedigheid is zo groot en heerlijk als de kloekmoedigheid van het geloof. Indien God voor hem is, wie kan dan tegen hem zijn? Voor wie zou ik vrezen? Voor wie zou ik vervaard zijn? Als de Almacht hem behoedt, heeft hij geen reden om te vrezen, en als hij weet dat dit zo is, dan heeft hij ook geen neiging om te vrezen. Indien God zijn licht is, dan vreest hij geen schaduwen, indien God zijn heil is dan vreest hij geen onheil. Hij triomfeert over zijn vijanden, die reeds verslagen waren, vers 2 Zijn vijanden naderden tot hem om zijn vlees te eten, niets minder dan dat bedoelende er reeds zeker van zijnde, maar zij vielen, niet: "hij sloeg hen en zij vielen,"maar "zij stieten zelf aan en vielen"; zij waren zo verward en verzwakt dat zij niet konden voortgaan met hun onderneming. Aldus werden zij, die kwamen om Christus te grijpen, door een woord te spreken ter aarde geworpen, Johannes 18:6 Het verderf van sommigen van de vijanden van Gods volk is een onderpand van de algehele tenonderbrenging van hen allen. En daarom deze gevallen zijnde, vreesde hij de overigen niet. "Hoewel zij talrijk zijn, een geheel leger; hoewel zij stoutmoedig en vermetel zijn, en hun aanvallen zeer dreigend zijn, al is het ook dat zij mij belegeren, met geheel een leger tegen een man, al is het ook dat zij strijd tegen mij voeren, mijn hart zal niet vrezen. Heirlegers kunnen ons niet schaden als de Heere van de heirscharen ons beschermt, ja in deze zekerheid dat God voor mij is zal ik vertrouwen." Van twee dingen zal hij zich verzekerd houden
1. Dat hij veilig zal zijn. "Indien God mijn heil is, zal Hij mij ten dage des kwaads verbergen; Hij verbergt mij in Zijn hut ten dage des kwaads, Hij zal mij buiten gevaar stellen en boven de vrees er voor." God zal niet slechts voor Zijn in benauwdheid en gevaar verkerend volk een schuilplaats vinden, zoals Hij gedaan heeft, Jeremia 36:26, maar Hij zelf zal hun een verberging zijn. Psalm 32:7. Zijn voorzienigheid zal hen wellicht in veiligheid brengen, maar in ieder geval zal Zijn genade hen gerust maken. Zijn naam is de sterke toren, waar zij in het geloof heenlopen, Spreuken 18:10. "Hij zal mij verbergen, niet in de vestingen van Engedi, 1 Samuël 24:I, maar in het verborgene van Zijn tent. De genadige tegenwoordigheid Gods, Zijn macht, Zijn belofte, Zijn bereidwilligheid om het gebed te horen en te verhoren, het getuigenis van Zijn Geest in het hart van Zijn volk, deze allen zijn het verborgene van Zijn tent, en daarin vinden de heilige reden voor die heilige gerustheid en kalmte van gemoed, waardoor zij zeker wonen. Dit stelt hen op een rots, die niet onder hen zal wegzinken, maar op welke zij vaste grond zullen vinden voor hun hoop; ja het stelt hen op een hoge rots, waar de woedende, schuimende golven van een onstuimige zee hen niet kunnen aanraken, het is een rotssteen, die hoger is dan zij.
2. Dat hij zal zegevieren, vers 6 "Nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, niet alleen zo dat zij het niet kunnen bereiken met hun pijlen, maar zo dat ik verhoogd zal worden om over hen te heersen." Door het geloof in de belofte van God triomfeert David hier reeds voor de overwinning behaald was, en is hij zeker, niet slechts van de lauweren, maar ook van de kroon, alsof zij reeds op zijn hoofd was.
III. Met welk een Godvruchtige vurigheid hij bidt om voortdurende gemeenschap met God in Zijn heilige inzettingen, vers 4 Hij werd grotelijks bemoedigd in zijn vertrouwen op God, doordat hij zich bewust was van liefde tot God en Zijn inzettingen, en dat hij in zijn element was, als hij zich op de weg van zijn plicht bevond en in de weg om zijn kennis van Hem te doen toenemen. Als ons hart kan getuigen dat wij ons verlustigen in God meer dan in enig schepsel, dan kan dit ons aanmoedigen om op Hem te vertrouwen, want het is een teken dat wij behoren tot hen, die Hij beschermt als de Zijnen. Of het kan aldus worden genomen: Hij begeerde in het huis des Heren te wonen ten einde er veilig te zijn voor de vijanden, die om hem heen waren. Zich omsingeld bevindende door dreigende legerscharen, zegt hij niet: "Een ding heb ik begeerd voor mijne veiligheid, dat ik een leger mag hebben, dat zo en zo talrijk is, of dat ik meester zal zijn van deze of die stad, deze of die sterke vesting, maar dat ik mocht wonen in het huis des Heren, en dan is het wel met mij."
Merk op:
1. Wat het is, dat hij begeert: in het huis des Heren te wonen. In de voorhoven van Gods huis hadden de priesters hun woning, en David wenste dat hij een van hun was. Sommigen zien met minachting neer op Gods dienstknechten, maar een van de grootste en beste van de koningen, die er ooit geweest zijn, zou gaarne lotgemeen met hen geweest zijn, zeer gaarne onder hen gewoond hebben. Of liever: Hij begeert dat hij nauwgezet en voortdurend kon deelnemen aan de openbare eredienst Gods met andere getrouwe en gelovige Israëlieten, naar de plicht van iedere dag het vereiste. Daarom wenste hij een einde te zien aan de oorlog, waarin hij nu gewikkeld was; niet om rustig en op zijn gemak in zijn eigen paleis te kunnen wonen, maar ten einde tijd en gelegenheid te hebben om de dienst in Gods voorhoven bij te wonen. Zo heeft Hizkia, een ware, echte zoon van David, verlangd naar het herstel van zijn gezondheid, niet om op te gaan naar de stoel van het gericht, maar om "op te gaan naar het huis des Heren," Jesaja 38:22 Al Gods kinderen begeren in Gods huis te wonen; waar anders zouden zij wonen? Niet om er te vertoeven als een reiziger, die zich van de weg afwendt om voor een nacht ergens te verwijlen, of slechts voor enige tijd, zoals de dienstknecht, die niet altijd in het huis blijft; maar om er al de dagen van zijn leven te verblijven, want daar verblijft de zoon eeuwig. Hopen wij dat het loven van God de zaligheid zal zijn van de eeuwigheid? Dan voorzeker moeten wij er ons levenswerk van maken in onze tijd. 2. Hoe vuriglijk hij dit begeert. Dit is het "één ding, dat ik van de Heere heb begeerd, en dat ik zal zoeken" Als hij slechts een ding van God begeert, zal dit het wezen, want dit ging hem meer dan iets anders ter harte. Hij begeerde het als iets goeds; hij begeerde het van de Heere als Zijn gave en een teken van Zijn gunst. En zijn begeerte hierop gericht hebbende als op het een nodige, zocht hij het; hij bleef er om bidden, en richtte zijn zaken en werkzaamheden zo in, dat hij er de tijd en de gelegenheid voor zou hebben. Zij, die waarlijk gemeenschap met God hebben zullen er zich met alle naarstigheid toe begeven, Spreuken 18:1
3. Wat hij er mee op het oog had: hij wilde in Gods huis wonen, niet voor het goede en overvloedige onthaal aan de offermaaltijden, noch om de muziek en het schoon gezang aldaar, maar om de lieflijkheid des Heren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Hij verlangde in Gods voorhoven te komen:
a. Om het genot te hebben van na te denken over God. Hij kende iets van de lieflijkheid des Heren, de oneindige, alles overtreffende beminnelijkheid van het Goddelijk wezen en Zijn volmaaktheden, Zijn heiligheid is Zijn lieflijkheid, Zijn schoonheid, Psalm 110:3, Zijn goedheid is Zijn schoonheid, Zacheria 9:17 De harmonie van al Zijn eigenschappen is de schoonheid van Zijn natuur. Met het oog van het geloof en heilige liefde aanschouwen wij deze schoonheid en zien er gedurig meer in wat lieflijk en bewonderenswaardig is. Als wij met een heilige vlam van Godvruchtige genegenheid Gods heerlijke voortreffelijkheden in onze gedachten nagaan en ons verblijden in de tekenen van Zijn bijzondere gunst jegens ons, dan is dit het aanschouwen van de lieflijkheid of schoonheid des Heren, waarnaar David hier verlangt, en zij kan verkregen worden in Zijn inzettingen, want daarin openbaart het zich.
b. Ten einde de voldoening te hebben om onderwezen te worden in zijn plicht, want hiernaar wilde hij onderzoeken in Gods tempel. Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? Om de wille van die twee zaken begeerde hij dat een ding: in het huis des Heren te wonen al de dagen van zijn leven want welgelukzalig zijn zij, die dat doen; zij zullen Hem gestadig prijzen, Psalm 84:5 zowel in het spreken tot Hem als in het horen van Hem. Maria's zitten aan de voeten van Christus om Zijn woord te hoven, noemt Christus het een nodige en het goede deel.
4. Welk voordeel hij er zich van voorstelde als hij een plaats in Gods huis kon verkrijgen.
a. Daar zou hij kalm en gerust zijn; daar zouden hem geen moeilijkheden vinden, want hij zou verborgen zijn; daar zouden geen moeilijkheden hem bereiken, want hij zou op een hoogte gesteld zijn, vers 5 Joas, één uit David's zaad, was gedurende zes jaren verborgen in het huis des Heren, en werd er niet slechts behoed voor het zwaard, maar bewaard voor de kroon, 2 Koningen 11:3 De tempel werd een veilige plaats geacht voor Nehemia om er zich te verbergen, Nehemia 6:10 Doch de veiligheid van de gelovigen is niet gelegen in de muren van de tempel, maar in de God van de tempel, en hun vertroosting in gemeenschap met Hem.
b. Daar zou hij aangenaam en blijmoedig zijn, daar zou hij offeranden offeren met geschal, vers 6 Want Gods werk brengt zijn eigen beloning mede, daar zou hij zingen, ja psalmzingen de Heere. Al wat de oorzaak is van onze blijdschap, behoort oorzaak of stof te zijn van onze lof. En als wij in de heilige inzettingen tot God gaan, dan moeten wij grote blijdschap smaken en de Heere overvloedig loven Het is tot eer van onze God, dat wij moeten zingen van Zijn wegen. en als Hij ons hoofd verhoogt boven onze vijanden, dan moeten wij Hem verhogen in onze lof. Gode zij dank, die ons te allen tijde doet triomferen, 2 Corinthiërs 2:14