Numeri 16:1-11
I. Hier is een bericht van de opstandelingen, wie en wat zij waren, niet zoals tevoren de gemengde schare en de heffe des volks, die daarom nooit genoemd werden, maar mannen van naam en aanzien. Korach was de aanvoerder. Hij formeerde de factie en stelde zich aan het hoofd er van, weshalve zij de tegenspreking van Korach wordt genoemd, Judas: 11. Hij was een volle neef van Mozes, zij waren broeders kinderen, maar die verwantschap heeft hem niet weerhouden, om ruw en beledigend te zijn jegens Mozes. Acht het niet vreemd dat iemands vijanden die van zijn eigen huis zijn. Met hem verenigden zich Dathan en Abiram, oversten van de stam van Ruben Jakob's oudste zoon. Waarschijnlijk heeft het Korach gehinderd dat Aaron tot het priesterambt was bevorderd, en dat Elizafan aan het hoofd van de Kohathieten was gesteld, Hoofdstuk 3:30, en de Rubenieten waren misschien vertoornd, omdat aan Juda de ereplaats in het leger was aangewezen. In vers 1 wordt On genoemd als een van de hoofden van de factie, maar nooit daarna in geheel de geschiedenis hetzij omdat hij, naar sommigen denken, berouw had en er zich van terugtrok, of omdat hij niet zo op de voorgrond trad als Dathan en Abiram. De Kohathieten waren aan dezelfde zijde van de tabernakel gelegerd als de Rubenieten, hetgeen wellicht aan Korach de gelegenheid gaf om hen in het komplot te betrekken, weshalve de Joden zeggen: "Wee de goddeloze en wee zijn buurman," die gevaar loopt van door hem aangestoken te worden. En daar deze zelf mannen van naam waren, hebben zij twee honderd en vijftig oversten van de vergadering, vers 2, verlokt om aan de samenzwering deel te nemen, waarschijnlijk waren deze eerstgeborenen, of tenminste hoofden van gezinnen, die vóór Aarons verheffing de heilige dingen bediend hadden. De hoogmoed en eerzucht van grote mannen hebben ten allen tijde veel kwaad gesticht, zowel in de kerk als in de staat. Moge God in Zijn genade grote mannen nederig maken, en aldus vrede geven in onze tijd! Vermaarde mannen, en mannen van naam, zoals deze hier beschreven worden te zijn, zijn de grote zondaren geweest van de oude wereld, Genesis 6:4. De naam en faam die zij hadden, waren hun niet genoeg, voldeden hen niet, zij waren hoog, maar wilden nog hoger zijn, en zo zijn de beroemde mannen berucht geworden.
II. Het bezwaar van de rebellen, vers 3. Wat zij verkeerd vinden is, dat Aaron en zijn geslacht met het priesterambt zijn bekleed. Zij achten dit een te grote eer om door Mozes gegeven en door Aaron aangenomen te worden en dus beschuldigen zij beide van overweldiging, van een onwettig zich meester maken van dit ambt. Het is te veel voor u, of: "Vergenoegt u er mee om op gelijken bodem te staan met uw naasten, die allen heilig zijn, evengoed als gij, en dus ook even groot behoren te wezen". Of: "Laat het u genoeg zijn tot dusver geheerst te hebben, en denkt er nu eens aan om uw plaats over te laten aan anderen, die er evenveel recht op hebben en evengoed instaat zijn om er de plichten van te vervullen".
1. Hovaardig roemen zij op de heiligheid van de vergadering en de tegenwoordigheid Gods onder haar. Zij allen zijn heilig, en even geschikt om offeranden te offeren als Aaron, en als hoofden van gezinnen dit eertijds waren, en de Heere is in het midden van hen, om hen te erkennen en te leiden. Weinig reden hadden zij om te roemen op de reinheid des volks, of op de gunst van God, daar het volk toch zo herhaaldelijk en nog zo onlangs verontreinigd was door de zonde, en nu onder het teken was van Gods misnoegen, weshalve zij dankbaar hadden moeten zijn voor priesters om voor hen tussenbeide te treden bij God, maar inplaats van dankbaar voor hen te wezen, benijden zij hen.
2. Onrechtvaardig beschuldigen zij Mozes en Aaron van zichzelf de eer genomen te hebben, die zij hadden, terwijl het toch zonder tegenspraak duidelijk was gebleken, dat zij er door God toe geroepen waren, Hebreeën 5:4. Zodat zij of in het geheel geen priesters wilden hebben, noch enigerlei regering, niemand, die in burgerlijke of Godsdienstige zaken het bestuur zou hebben, niemand over de vergadering, of zij wilden niet berusten in de door God ingestelde regering, het door Hem verordineerde bestuur. Zie hieraan:
a. Van welke geest de gelijkheidspredikers zijn en zij, die de heerschappij verachten en de machten weerstaan, die God over hen gesteld heeft, zij zijn trots wangunstig, eerzuchtig, oproerig goddeloos en onredelijk.
b. Welke behandeling zelfs de beste en nuttigste mensen kunnen verwachten van hen zelfs, aan wie zij de meeste dienst bewijzen. Als diegenen voorgesteld worden als overweldigers, die het meeste recht hebben op de regering, en als tirannen, die het best regeren, zo laat hen zich herinneren, dat Mozes en Aaron evenzo verkeerd voorgesteld werden.
III. Mozes' gedrag toen deze beschuldiging tegen hem bekend werd gemaakt. Hoe heeft hij haar opgenomen?
1. Hij viel op zijn aangezicht, vers 4, zoals tevoren, Hoofdstuk 14:5. Aldus toonde hij hoe gaarne hij zich aan hen zou onderwerpen en hoe bereid hij was om afstand te doen van de regering, indien dit slechts bestaanbaar ware met zijn plicht tegenover God en zijn getrouwheid aan de hem opgedragen last. Aldus heeft hij zich ook door het gebed tot God gewend om bestuur en leiding van Hem te ontvangen voor hetgeen hij in die treurige omstandigheden te doen of te zeggen had. Hij wilde tot hen niet spreken, voordat hij zich aldus verootmoedigd had en zijn eigen gemoed tot kalmte was gekomen (het kon toch wel niet anders of hij moest ontroerd en ontrust zijn) en hij instructies van God had ontvangen. In zo'n geval zal het hart des rechtvaardigen zich bedenken om te antwoorden, en Gods mond om raad vragen.
2. Hij stelt voor om de zaak voor God te brengen en aan Hem de beslissing over te laten als iemand die wèl verzekerd is van de deugdelijkheid van zijn aanspraken, maar toch gaarne bereid zou zijn, om zijn ambt neer te leggen, indien God het voegzaam zou oordelen, om aan het misnoegde volk voldoening te geven door er anderen voor te benoemen. Een eerlijke zaak schroomt geen onderzoek, vreest geen tweede onderzoek, vreest geen spoedig onderzoek, laat het morgen reeds geschieden vers 5-7. Laat Korach en zijn aanhangers hun wierookvaten brengen en de Heere reukwerk offeren, en zo Hij er Zijn welgevallen in te kennen geeft, dan is Mozes nu even tevreden, dat al het volk des Heeren priesters zijn, indien dit Gode behaagt, als hij tevoren tevreden geweest is, dat al het volk des Heeren profeten zijn, Hoofdstuk 11:29. Maar zo God na beroep op Hem, voor Aaron beslist, (wat Hij ongetwijfeld doen zal) dan zullen zij het zeer gevaarlijk vinden om die proef te doen, en daarom stelt hij het uit tot morgen om te zien of de nacht ook beraad voor hen zou brengen zodat zij-tot berouw en bekering gekomen-van hun pretenties afzien.
3. Hij bespreekt de zaak openhartig met hen, teneinde door klem van redenering het oproer te stillen, zo mogelijk nog voor het beroep op God, want zo dit beroep plaatsheeft, dan weet hij, dat het in beschaming van de klagers zal eindigen.
A. Hij noemt hen kinderen van Levi, vers 7 en wederom in vers 8. Zij waren van zijn eigen stam, ja, zij waren van Gods stam, zo was het dan zoveel slechter van hen, om aldus te rebelleren, beide tegen God en hem. Het was nog niet lang geleden, dat de kinderen van Levi zich aan de zijde Gods hebben gesteld in de zaak van het gouden kalf, en er onsterflijke eer door hebben verworven, en zullen zij, die toen de enige onschuldigen waren, nu de leidende misdadigers zijn, en al de eer verliezen, die zij toen hebben gewonnen? Kon er zulk kaf op Gods dorsvloer zijn? Levieten, en toch rebellen?
B. Hij werpt hun beschuldiging terug op henzelf, zij hadden onrechtvaardig Mozes en Aaron ten laste gelegd zich te veel aan te matigen, zeggende: het is te veel voor u, ofschoon zij niets meer gedaan hadden dan wat God hun opgelegd had te doen. Neen, zegt Mozes, het is te veel voor u, gij kinderen van Levi. Diegenen matigen zich te veel aan, die Gods verordinering durven bedillen en tegenspreken. Het is ons genoeg ons te onderwerpen, het is te veel voor ons, om de wet te willen voorschrijven.
C. Hij wijst hen op hun voorrechten als Levieten, die genoeg voor hen waren, zij hadden het niet nodig om naar de eer van het priesterschap te staan, vers 9, 10. Hij herinnert hen er aan, hoe groot de eer was, waartoe zij als Levieten bevorderd waren.
a. Zij waren afgescheiden van de vergadering Israëls, van hen onderscheiden, boven hen verwaardigd. Inplaats van er over te klagen, dat Aarons geslacht boven hen was bevorderd, hadden zij dankbaar moeten wezen, dat hun stam boven de overige stammen was bevorderd, hoewel zij in ieder opzicht met hen gelijk waren. Als wij bedenken hoevelen er beneden ons zijn, dan zal dit ons helpen om niet afgunstig te wezen op hen, die boven ons zijn. Inplaats van te morren omdat iemand boven ons staat in eer macht, bezitting of invloed, in gaven en bekwaamheden, in nuttige werkzaamheid voor anderen, hebben wij reden om God te danken als wij, die minder zijn dan de minsten, toch niet tot de allerlaatsten gesteld worden. Er zijn misschien velen, die beter verdienen, en minder bevorderd zijn.
b. Zij waren afgescheiden tot de zeer grote eer:
Ten eerste. Om tot God te naderen, meer dan de gewone Israëlieten, hoewel ook zij een volk waren, dat Hem nabij is. Hoe nader iemand tot God is, hoe groter eer hij heeft.
Ten tweede. Om de dienst van des Heeren tabernakel te bedienen. Het is eer genoeg om de vaten van het heiligdom te dragen, en in enigerlei deel van de dienst des tabernakels gebruikt te worden. De dienst van God is niet slechts volmaakte vrijheid, maar hoge bevordering.
Ten derde. Om te staan voor het aangezicht van de vergadering om hen te dienen. Diegenen zijn waarlijk groot, die de gemeente dienen, en het is de eer van Gods dienstknechten om de dienaren te zijn van de kerk ja een eer, die hun waardigheid bijzet.
c. Het was de God van Israël zelf, die hen had afgescheiden. Hij was het, die hen op hun plaats gesteld heeft, en daarom hadden zij niet misnoegd moeten wezen, en Hij was het evenzeer, die Aaron op zijn plaats gesteld heeft, en daarom hadden zij hem niet moeten benijden.
d. Hij overtuigt hen van de zonde om hun voorrechten te onderschatten: is het u te weinig? Alsof hij gezegd had: Van alle mensen betaamt het u wel het allerminst om Aaron zijn priesterschap te misgunnen, daar gij toch, toen hij tot die eer werd bevorderd, voor een andere eer werdt bestemd en aangewezen, die daarvan afhankelijk was, zodat gij kondet schitteren in een licht, dat aan het zijne ontleend was. Het voorrecht om tot de God Israëls te naderen is op zichzelf geen kleine zaak, en moet ons dus niet gering toeschijnen. Aan hen, die de gelegenheid veronachtzamen om tot God te naderen er onverschillig en vormelijk in zijn, voor wie het een taak, geen genot is, kunnen wij met recht vragen: "Is het u te weinig, schijnt het u een kleine zaak te zijn, dat God u tot een volk gemaakt heeft, dat Hem nabij is?" Zij, die staan naar dingen die hun verboden zijn, en er zich met geweld meester van willen maken, smaden ten zeerste de eer, die hun wèl toegestaan is. Wij hebben, een ieder van ons, zo'n deel van eer en aanzien, als God geschikt voor ons acht en waarvoor Hij ons geschikt ziet, en veel groter dan wij verdienen, en wij behoren er tevreden mee te wezen, en niet, zoals deze hier, te wandelen in dingen, die te groot voor ons zijn. Zoekt gij nu ook het priesterambt? Zij wilden niet erkennen dat zij het zochten, maar Mozes zag dat zij dit op het oog hadden, de wet had zeer goed gezorgd voor hen, die het altaar bedienden, en daarom begeren zij nu dit ambt.
e. Hij verklaart hun rebellie opstand te zijn tegen God, vers 11, terwijl zij voorgeven op te komen voor de heiligheid en vrijheid van het Israël Gods, hebben zij in werkelijkheid de wapenen opgevat tegen Israëls God, gij zijt vergaderd tegen de Heere. Wat zij ook mogen zeggen of voorgeven, en-hetzij zij er zich van bewust zijn of niet-zij, die tegen God strijden, strijden tegen hun Maker. Diegenen strijden tegen de vorst, die strijden tegen hen, die door hem gemachtigd of afgevaardigd zijn, want, helaas, zegt Mozes, wat is Aaron, dat gij tegen hem murmureert? Indien murmureerders en klagers wilden bedenken, dat de werktuigen, waarmee zij twisten, slechts werktuigen zijn, die door God gebruikt worden, en dat zij slechts datgene zijn wat Hij hen doet zijn, niets meer en niets minder, niets beters en niets ergers, dan zouden zij niet zo vrij en vermetel zijn in hun berispingen en verwijten. Zij, die het priesterschap, zoals het was ingesteld, een zegen bevonden, moesten er God al de lof voor geven, maar zo iemand het een last bevond, dan moest hij daarom niet twisten met Aaron, die slechts is wat hij gemaakt is, en slechts doet wat hem wordt geboden. Alzo heeft hij zich op God beroepen in deze zaak, en hij kan er zeker van wezen, dat dit beroep voor hem gunstig zal uitvallen.