Ezechiël 16:15-17
In deze verzen hebben wij een verhaal van de grote goddeloosheid van het volk van Israël vooral van hun afgoderij, ondanks de grote gunsten, die God hun gegeven had, waardoor zij voor altijd aan Hem verbonden moesten zijn, zou men zo denken. Deze hun goddeloosheid wordt hier voorgesteld door het wulps en schandelijk gedrag van die schone jongedochter, die van de dood gered werd, grootgebracht en verzorgd door een welwillend vriend en weldoener, die in alle opzichten een vader en een man voor haar was geweest. Hun afgoderij was de grote, de tergende zonde, waaraan zij schuldig waren, zij begon op het einde van Salomo's regering (want van Samuëls tijd tot die tijd herinner ik mij niet, dat er iets van te lezen is), en bleef van die tijd af de min of meer schreiende zonde van dat volk, tot de gevangenschap toe, en hoewel zij nu en dan bestreden werd door vrome koningen, toch werd zij nooit geheel onderdrukt, en toonde zij zich merendeels in hoge mate onbeschaamd en openlijk. Zij dienden niet alleen de ware God onder de gedaante van beelden, zoals de tien stammen door de kalveren te Dan en Bethel, maar zij dienden ook valse goden, Baäl en Moloch en heel het redeloos gepeupel van heidense godheden.
Dat is het, wat hier doorlopend wordt voorgesteld (zoals ook op veel andere plaatsen) door het beeld van hoererij en echtbreuk.
1. Omdat het de schending is van een huwelijksverbond met God, daar zij Hem verlaten en vreemden omhelzen, het is een geven van hun liefde en dienst, die Hem alleen toekomt, aan Zijn mededingers.
2. Omdat het hart bederft en verontreinigt en het geestelijk deel van de mens tot slaaf maakt, en het onderwerpt aan de macht en de heerschappij van de zinnen, evenals de hoererij doet.
3. Omdat het het geweten verleidt, ongevoelig maakt en verhardt, en die door hun afgoderijen de goddelijke natuur onteren, en de waarheid van God in een leugen veranderen en Zijn eer in schande, straft God naar recht door hen over te geven aan een verkeerde zin, om de menselijke natuur te onteren door onreinigheid, Romeinen 1:23 enz. Het is een zonde, die verdwaast en betovert, en als iemand er aan overgegeven is, ontkomt hij maar zelden aan de strik.
4. Omdat het een onbeschaamde schandelijke zonde is voor degenen, die zich bij de Heere gevoegd hebben, om zich bij een afgod te voegen.
I. De oorzaken van deze zonde. Hoe kwam het, dat het volk van God tot de dienst van de afgoden getrokken werd? Hoe kwam het, dat iemand zo wel onderwezen, zo wel opgevoed, zo bedorven werd? Wie zou het gedacht hebben? Maar,
1. Zij werden trots, vers 15 :Gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en verwacht, dat die u invloed zou geven, en hebt gehoereerd vanwege uw naam. Omdat zij door hun naburen zo gevleid en bewonderd werden, dachten zij zich nog aangenamer bij hen te maken en hun vleierij te beantwoorden, door mee te doen aan hun eredienst en zich naar hun gebruiken te schikken. Salomo opende het hek voor de afgoderij, om zijn vrouwen en haar verwanten een genoegen te doen. Machtig veel jonge lieden worden door trots verdorven, en in `t bijzonder door trots op hun schoonheid. "Rara est concordia formae atque pudicitiae. Schoonheid en kuisheid gaan zelden samen." 2. Zij vergaten hun begin, vers 22 :Gij hebt niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, hoe arm, hoe gering, hoe verachtelijk gij waart, en aan de grote dingen, die God voor u gedaan heeft en welke blijvende verplichtingen Hij u daardoor oplegde. Het zou een krachtig beletsel voor onze trots en onze zinnelijkheid zijn, als wij eens overwogen wat wij zijn en hoeveel wij verplicht zijn aan Gods vrije genade.
3. Zij waren zwak van begrip en van wil, vers 30 : Hoe zwak is uw hart, als gij alle deze dingen doet. De kracht van eens mensen lust is een bewijs van de zwakheid van hun hart zij hebben geen zelfkennis, geen zelfbeheersing Zij is zwak en toch een heerszuchtige, hoerachtige vrouw. De grootste dwazen hebben gemeenlijk de grootste heerszucht, en denken, dat zij in staat zijn anderen te beheersen terwijl ze op verre na niet in staat zijn zich zelf te beheersen.
II. De bijzonderheden ervan.
1. Zij aanbaden de afgoden, die zij tegenkwamen, allen, die zij in de gelegenheid kwamen te aanbidden, zij stelden zich ter beschikking van al hun naburen, vers 15 :Gij hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging, voor hem was zij. Zij waren bereid om aan iedere verzoeking van die aard toe te geven, hoe ongerijmd ook. Geen vreemde afgod kon worden ingevoerd, geen nieuwe god uitgevonden, of zij waren gereed allen te vereren als een gemene slet, die zich prostitueert voor iederen voorbijganger en haar hoererijen vermenigvuldigt, vers 25. Zo zijn er gemene dronkaards, die iedereen gezelschap houden, die hun maar een vinger toesteekt, hoe zwak is het hart van dezulken!
2. Zij versierden hun afgodstempels, en bossen en hoogten met de fijne, rijke kleding, die God hun gegeven had, vers 16,18 : Gij hebt van uw klederen genomen en u geplekte hoogten gemaakt, of veelvervige hoogten, als de veelvervige rok van Jozef die God hun gegeven had als tekenen van fijne bijzondere gunst, en hebt daarop gehoereerd (dat is afgoden gediend). Hiervan zegt Hij: Zulks is niet gekomen en zal niet geschieden, dat wil zeggen, zo iets kan niet geduld worden, praktijken als deze zal Ik in geen geval dulden zonder Mijn verbolgenheid er over te tonen.
3. Van de schatten, die God hun gegeven had maakten zij beelden tot verering, vers 17 :Mijn goud en Mijn zilver, dat Ik u gegeven had. Het is God, die ons goud en zilver geeft, de voortbrengselen van de handel, van de kunst en de nijverheid, zijn de gaven van Godsvoorzienigheid aan ons, zowel als de vruchten van de aarde. En hetgeen God ons ten gebruike geeft, dat blijft steeds Zijn eigendom. Het is Mijn zilver en Mijn goud, al had Ik het u gegeven. Het blijft Zijn eigendom, zodat wij er Hem mee moeten dienen en eren, en Hem verantwoording doen van hetgeen wij er mee gedaan hebben. Op iedere penning staat zowel Gods beeld als dat van de keizer. Zouden wij ons zilver en ons goud, onze bezittingen en ons geld, tot het voorwerp van onze trots en van twist, van onze hebzucht en onze verkwisting maken, als wij behoorlijk in overweging namen, dat het Gods zilver en Zijn goud is? De Israëlieten begonnen reeds vroeg afgoden te maken van hun kostbaarheden, toen Aäron van hun oorringen het gouden kalf maakte.
4. Zij dienden hun afgoden met het goede, dat God hun gaf voor eigen gebruik, en om Hem er mee te dienen, vers 18 :Gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld, op hun altaren, als reukwerk voor die drekgoden, Mijn brood, meelbloem en olie, en die honing, waar Kanaän van vloeide, en waarmee Ik u spijsde, daarop hebt gij hen onthaald en hun hongerige priesters, gij hebt er een offer van gemaakt, tot een liefelijken reuk voor hen, om hen te zuiveren en u aannemelijk bij hen te maken: Zo is het geschied, spreekt de Heere Heere, het is te klaar, om ontkend te worden, te erg om verontschuldigd te worden. Zo is het geschied Hij, die alle dingen weet, weet dit ook. Ziet, hoe verzot zij waren op hun afgoden, dat zij afstand wilden doen van hetgeen zij voor hun onderhoud en dat hun gezinnen nodig hebben, om hen te eren, wat onze gierigheid en schrielheid in de dienst van de ware en levende God ten voorbeeld strekken kan.
5. Zij hadden hun kinderen aan de afgoden geofferd. Daarop wordt hier de nadruk gelegd (als ook op vele andere plaatsen), als een van de ergste voorbeelden van hun afgoderij, inderdaad was er geen, waarin de duivel zozeer de kinderen van de mensen beheerste, ten opzichte van beide, hun natuurlijk verstand en hun natuurlijke liefde, als in dit (zie Jeremia 7:31, 19:5, 32:35): Gij hebt uw zonen en uw dochteren genomen, en ze niet alleen door het vuur, of tussen twee varen door doen gaan, ten teken van hun wijding aan Moloch, maar gij hebt ze geofferd om te verteren, vers 20. Er bestaat geen voorbeeld van een ontaarding van het vaderlijk gezag in de meest barbaarse tyrannie, als deze. Toch was dat nog niet het ergste: het was een onherstelbaar onrecht tegenover God zelf, die meer bijzondere aanspraak maakte op het eigendomsrecht van hun kinderen dan op dat van hun goud, hun zilver en hun brood: Het zijn Mijn kinderen, vers 21, de zonen en dochteren, die gij Mij gebaard hebt, vers 20. Hij is de Vader van de geesten, en redelijke wezens zijn op bijzondere wijze de Zijne, en daarom is het benemen van het leven, van het menselijk leven, als het niet is ter voldoening aan het recht, een grote belediging voor de God des levens. Maar de kinderen Israëls waren de Zijne in nog een andere zin, zij waren kinderen des verbonds, in Zijn huis geboren. Hij had tot Abraham gezegd: Ik zal u en uw zade tot een God zijn, zij hadden het zegel des verbonds in hun vlees van de achtsten dag af, zij moesten de dragers worden van Godsnaam en Zijn kerk in stand houden, hen te doden was in de hoogste mate onmenselijk, maar hen te doden ter ere van een afgod, was goddeloos in de hoogste mate. Men kan er niet aan denken zonder de uiterste verontwaardiging: hoe de meedogenloze handen van de ouders het schuldeloos bloed van hun eigen kinderen vergoten, en hoe zij, door dat deel van zich zelf aan de duivel te offeren als een slachtoffer, openlijk betuigden, dat zij zich zelf aan hem wijdden als een levend offer! Hoe ongerijmd was het toch, dat de kinderen, die God geboren waren, de duivelen geofferd werden. De kinderen van de ouders, die leden zijn van de zichtbare kerk moeten beschouwd worden als aan God geboren, en als Zijn kinderen, als zodanig en om die reden moeten wij ze liefhebben en voor hen bidden, hen voor Hem grootbrengen, en, als Hij ze tot Zich roept, er blijmoedig afstand van doen, want, is het Mij niet geoorloofd te doen met het Mijne, wat Ik wil? Over dit voorbeeld van hun afgoderij, dat zeker niet voorbijgegaan mag worden zonder er een bijzonder brandmerk op te zetten, wordt deze opmerking gemaakt, vers 20 :Is het wat kleins van uw hoererijen? wat betekent, dat er waren, die het een kleinigheid vonden, en er een grap van maakten. Er is geen zonde zo snood, van zo'n openbare snoodheid, of mensen zonder geweten drijven er de spot mee. Maar is hoererij, is geestelijke hoererij een kleinigheid? Is het een kleinigheid voor de mensen om van hun kinderen redeloze dieren en van de duivel hun God te maken? Het zal binnen kort een zaak van groot belang zijn.
6. Zij bouwden tempels ter ere van hun afgoden, om anderen uit te nodigen daar hun toevlucht te zoeken, en zich met hen te verenigen in de dienst van hun afgoden: "Na al uw boosheid van deze aard, die gij in `t geheim gedaan hebt, en daarom wee, wee u, spreekt de Heere Heere", (dit is een droeve tussenzin, die te kennen geeft, dat die in hun zonde blijven, in een jammerlijke toestand verkeren, en die hen nog bijtijds waarschuwt, indien zij zich maar laten waarschuwen), "hebt gij tenslotte zo'n trap van onbeschaamdheid bereikt, dat gij er openlijk voor uitkomt", gij hebt lang een hoerenhart gehad, maar nu hebt gij ook een hoerenvoorhoofd en kunt niet meer blozen, vers 23-25. Gij hebt u een bordeel gebouwd, want dat waren hun afgodstempels. Gij hebt u een hoge plaats gemaakt, voor een of anderen afgod, in elke straat, en aan elk hoofd des wegs, en wederom, vers 31. " Zij deden wat zij konden, om anderen te verleiden en te bederven, en de besmetting te verspreiden, door de gelegenheden tot afgoderij zo talrijk mogelijk te maken, en hierdoor maakten de voorgangers in de afgoderij zich tot schande, en zij, die hen er toe verleid hadden, begonnen zelf te walgen van de overmaat en het geweld van hun afgoderij. Gij hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, zelf bij hen, die ze bewonderd hadden. Door hun eigen God te verlaten, en de goden van de volken om hen heen, aan te hangen, had het Joodse volk zich laag en verachtelijk gemaakt, zelfs in de ogen van hun heidense naburen, veel meer nog was hun schoonheid gruwelijk bij allen, die wijs en goed waren, en belang stelden in de eer van God en godsdienst. Die smaad over hun belijdenis brengen, maken zichzelf te schande. En naar recht zal de schoonheid, de uitnemendheid, die de mensen tot het voorwerp van hun trots maken, tenslotte het voorwerp van de walging worden van anderen.
III. Waardoor deze zonde nog verzwaard werd.
1. Zij waren verzot op de afgoden van die volken, die hun onderdrukkers en vervolgers waren geweest. Zoals,
a. De Egyptenaren. Dat volk was berucht om zijn afgoderij, om de meest dwaze en redeloze afgoderijen, zij hadden Israël van ouds mishandeld met barbaarse wreedheid, en nog onlangs door hun verraad-zij waren altijd wreed of vals tegen hen, en toch waren de Israëlieten zo verdwaasd, dat zij gehoereerd hebben met de kinderen van Egypte, hun naburen, niet alleen door met hen mee te doen aan hun afgoderijen, maar door verbonden en bondgenootschappen met hen te sluiten en op hen te steunen en hulp van hen te verwachten in hun moeilijkheden, wat een echtbreuk tegenover God was.
b. De Assyriërs. Ook die hadden Israël geplaagd: "En toch hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, vers 28, hoewel zij verder weg woonden, toch hebt gij hun afgoden gediend, en hun bijgelovige gebruiken onderhouden, en zo hebt gij uw hoererij vermenigvuldigd tot in Chaldea, gij hebt godenbeelden overgenomen, altaarvormen, offerplechtigheden, en de ene dwaasheid van die aard na de andere uit dat verre land, dat vijandige land gehaald, en hebt dat alles ingevoerd in het land van Kanaän, en ze daar doen wonen en het burgerrecht gegeven." Op gelijke wijze heeft Georg Herbert lang geleden voorspeld, of ten minste gevreesd, De Seine zal de Tiber eens verzwelgen De Theems neemt beide op, maar bezoedelt haar stroom.
2. Zij waren onder de straffende hand van de Voorzienigheid geweest, om hun zonden, en toch bleven zij er in, vers 27 :Ik strekte Mijn hand over u uit, om u te bedreigen en af te schrikken. Dat deed God, voordat Hij Zijn hand tegen hen wendde, om te verderven en te verstoren, en dat is Zijn gewone manier van doen, om eerst te trachten de mens tot bekering te brengen met kleinere oordelen. Dat deed Hij hier ook. Voordat Hij zo'n hongersnood over hen bracht, dat de staf des broods gebroken werd, verminderde Hij hun bescheiden deel, kortte hen in, voordat Hij hen afsneed Als de overvloed misbruikt wordt, dan is het rechtvaardig van God te verminderen wat noodzakelijk is. Voordat Hij hen overgaf aan de Chaldeën om verstoord te worden, gaf Hij hen over aan de dochters van de Filistijnen om bespot te worden wegens hun afgoderij, want zij haatten hen en hoewel zelf afgodendienaars, schaamden zij zich over hen, om hun wellustige wandel, daar de Israëlieten onheiligen geworden waren in hun afgoderij dan een van hun naburen, en van goden veranderden, terwijl andere volken hun goden trouw bleven, Jeremia 2:10, 11. Hierom werden zij te recht door de Filistijnen gekastijd. Ook kan het betrekking hebben op de invallen, die de Filistijnen onder de regering van Achaz deden tegen het zeiden van Juda, waardoor het verzwakt en verarmd werd, en wat het beginsel van de smarten voor hen is, 2 Kronieken 28:18, maar zij lieten zich door deze oordelen niet waarschuwen, en werden daarom ten laatste te recht aan het verderf overgegeven. Bij de verantwoording, waartoe alle onboetvaardige zondaars zullen geroepen worden, zullen zij herinnerd worden, niet alleen aan de genade, waarvoor ze ondankbaar zijn geweest, maar ook aan de beproevingen, waardoor zij zich niet hebben laten beteren, Amos 4:11.
3. Zij waren onverzadelijk. in hun geestelijke hoererij: Gij zijt niet verzadigd geworden, vers 28 en wederom vers 29. Als zij hun afgoden en bijgelovige gebruiken buiten mate vermenigvuldigd hadden, bleven zij nog steeds vragen naar nieuwe goden en nieuwe godsdienstige gebruiken. Die in oprechtheid zich bij de ware God voegen, vinden in Hem genoeg tot hun voldoening, en al verlangen zij steeds meer van God, toch verlangen zij nooit meer dan God. Maar die deze bron van levend water verlaten voor gebroken bakken, zullen spoedig bevinden dat zij van walging vervuld, maar nooit voldaan worden, zij hebben spoedig genoeg van de goden, die zij hebben, en blijven steeds naar andere vragen.
4. Hun afgoderij joeg hen op grote kosten, en nam een aanmerkelijk deel van hun rijkdom in beslag door de aankoop van nieuwe beelden en altaren, en door het huren van priesters uit andere landen, om de dienst weer te nemen: Hoeren ontvingen gewoonlijk loon, maar deze onbeschaamde echtbreekster, in plaats van zich te laten betalen voor het dienen van afgoden, huurde zelf afgoden om haar te beschermer en haar hulde te aanvaarden. Hierop wordt alle nadruk gelegd, vers 31 -34. In dit opzicht geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, anderen worden nagelopen maar gij loopt hen na, die u niet nalopen, gij houdt er van verbonden en bondgenootschappen te sluiten met de heidense volken, die verachten, anderen ontvangen geschenken, maar gij geeft uw geschenken, de geschenken, die God u genadiglijk gegeven had, aan uw afgoden, hierin zijt gij als een vrouw, die echtbreuk pleegt, niet voor loon, zoals hoeren doen, maar uitsluitend om de zonde. Geestelijke lusten, die van het hart, zoals die van hen tot de afgoden, zijn dikwijls even sterk en hartstochtelijk als enige vleselijke lust. En het is een grote verzwaring van de zonde, als de mensen zich zelf verleiden, en in plaats van zich enig tijdelijk voordeel daarvan te beloven, er door op kosten worden gejaagd, dezulken handelen trouwelooslijk zonder oorzaak, Psalm 25:3, zij zijn de ergste goddelozen.
En zal men nu niet Jeruzalem haar gruwelen in dit alles bekend maken? Want aan welke gruwelen kon zij zich schuldig maken, die nog groter waren dan deze? Hier kunnen wij met verbazing en schrik zien, hoe bedorven de natuur van de mensen is, als God hen aan zichzelf overlaat, ja, al verkeren zij ook in de voordeligste toestand om beter te zijn en beter te doen. En de weg van de zonde loopt omlaag. "Netitur in vetitum-Verboden wateren zijn liefelijk."