Jeremia 7:29-34
Hier is:
I. Een luide oproeping om te wenen en te treuren. Jeruzalem, dat een vrolijke stad was geweest, de vreugde van de gehele aarde, moet nu een weeklacht verheffen op de hoge plaatsen, vers 29. De hoge plaatsen waren die, waar ze hun afgoden gediend hadden, daar moesten ze nu hun ellende bewenen, ten teken van smart en dienstbaarheid beide moest Jeruzalem nu haar hoofdhaar afscheren en wegwerpen, dit woord ziet op het haar van de Nazareërs, die het als teken en onderpand hunner heiliging. aan God lieten wassen, en wordt daarom hun kroon genoemd. Jeruzalem was een stad geweest, als een Nazareër aan God gewijd, maar moest nu hun haar afscheren, moest ontwijd, vernederd en van God gescheiden worden, zoals ze vroeger Hem gewijd was geworden. Voor hen, die hun heiligheid verloren hebben, is het tijd hun vreugde af te leggen.
II. Rechtvaardige oorzaak voor dit grote klaaglied gegeven.
1. De zonde van Jeruzalem verschijnt hier zeer afschuwelijk, erger dan elders, en zeer zondig, vers 30. "De kinderen van Juda, Gods belijdend volk, dat uit de wateren van Juda was voortgekomen," Jesaja 48:, "hebben gedaan wat kwaad is in Mijne ogen, onder Mijn oog, in Mijn tegenwoordigheid, zij hebben Mij in het aangezicht beledigd, waardoor zij hun overtreding nog erger gemaakt hebben", of: zij hebben gedaan wat zij wisten dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij ten hoogste vertoornd. Afgoderij was de zonde, die in Gods oog alle andere zonden overtrof. Nu worden zij hier van twee dingen beschuldigd, die zij in hun afgoderij gepleegd hebben, en die zeer tergend waren.
a. Zij bedreven die zeer onbeschaamd tegenover God en trotseerden Hem: "Zij hebben hun verfoeiselen (hun afgrijselijke afgoden en derzelver altaren) gesteld in het huis, dat naar Mijn naam genoemd is, zelfs in de voorhoven des tempels, om dit te verontreinigen Manasse had het gedaan", 2 Koningen 21:7, 23:12), alsof zij meenden, dat God het door de vingers zou zien en er niet om gaf, hoezeer het Hem ook mishaagde, of alsof zij hemel en hel God en Baäl konden verzoenen. Het hart is de plaats, die God verkozen heeft, om Zijn naam daar te zetten, indien de zonde daar de hoogste en innigste plaats heeft, verontreinigen wij des Heeren tempel, en daarom tergt niets Hem meer dan "drekgoden in zijn hart op te zetten", Exodus 14:4.
b. Zij waren zeer barbaars jegens hun eigen kinderen, vers 31. Zij hebben vooral de hoogten van Tofeth gebouwd, waar het beeld van Moloch opgericht was, in het dal des zoons van Hinnom, in de buurt van Jeruzalem, en daar hebben zij hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand, ze vermoord op de wreedst denkbare manier, om hun afgoden, die duivelen en geen goden waren, te eren of tevreden te stellen. Dit was zeker het grootste voorbeeld van Satans macht over de kinderen van de ongehoorzaamheid, en van de ontaarding en het verderf van de menselijke natuur. Men zou hopen, dat er slechts weinig gevallen van zulke barbaarse afgoderij bestonden, maar het wekt verbazing, dat er zijn, dat mensen hun natuurlijke liefde zó kunnen verloochenen en iets zó onmenselijks doen als onschuldige kinderen te verbranden, nog wel hun eigen kinderen, dat zij zó volstrekt los zelfs van natuurlijke godsdienst konden zijn om zo'n gruwel voor wettig, ja de goden aangenaam, te houden. Zeker was dit een rechtvaardig oordeel, omdat zij de heerlijkheid Gods hadden veranderd in de gelijkenis van een beest, nu had God ze overgegeven aan zulke lage neigingen, die hen erger dan het redeloze vee maakten. God zegt, dat dit was wat Hij hen niet had geboden noch in Zijn hart was opgekomen, dat wil zeggen niet alleen had Hij hun niet geboden, Moloch te dienen (dit had Hij uitdrukkelijk verboden), maar Hij had ook nooit geboden, dat Zijn dienaren Hem met zulke offers zouden verheerlijken en hun natuurlijk zozeer geweld aandoen, het was nooit in Zijn hart opgekomen, kinderoffers te vergen en toch hadden zij Zijn dienst verlaten voor de dienst van zulke goden, die, door zulke offers te eisen, vijanden van de mens toonden te zijn.
2. De verwoesting van Jeruzalem verschijnt hier als zeer vreselijk. Dit is reeds ellende genoeg, vers 29. De Heere heeft het geslacht van Zijn verbolgenheid verworpen en verlaten. Zonde maakt voorwerpen van Zijn liefde tot voorwerpen Zijns toorns. En God zal degenen verwerpen en ganselijk verlaten, die zichzelf door hun onboetvaardigheid maken, vaten des toorns, tot het verderf toebereid. Hij kent ze niet meer als de Zijnen. Voorwaar, zeg Ik u, Ik ken u niet. Hij zal ze overgeven aan de verschrikkingen van hun eigen schuld en ze daaraan ten prooi laten.
a. De dood zal over hen triomferen, vers 32, 33. De zonde heerst tot de dood, want de dood is haar bezoldiging en haar einde. Tofeth, de vallei nabij Jeruzalem, zal moorddal geheten worden, want daar zullen menigten gedood worden, in de pogingen om uit de stad uitvallen te doen of te ontkomen, zullen zij in de handen van de belegeraars vallen. Of het zal het dal van de verslagenen heten, omdat daarheen de lijken van de verslagenen zullen vervoerd worden om ze te begraven, totdat er geen plaats meer zal zijn om graven te maken. Dit wijst op het aantal dergenen, die door het zwaard de pestilentie en de honger zullen vallen. De dood zal voorspoedig rijden, met vreselijke praal en macht, overwinnende en opdat hij overwinne. De verslagenen des Heeren zullen vele zijn. Dit dal van Tofeth was een plaats waarheen de burgers van Jeruzalem wandelen om zich te vermeien, maar het zou voor dat doel niet meer passen, want het zou zó vol graven worden dat er geen wandelplaats meer overschoot, en het gevaar van besmetting in de nabijheid van zoveel lijken. Daar hadden zij sommige hunner kinderen opgeofferd en aan Moloch gewijd, en daar zouden zij vallen als offers van de goddelijke gerechtigheid. Tofeth was vroeger de begraafplaats of de plaats van de verbranding geweest voor de dode lichamen van de belegeraars, toen de engel in het leger van de Assyriërs sloeg, en daarvoor was het van gisteren, dit is van ouds bereid, Jesaja 30:33. Maar zij hadden die uitredding vergeten en er een plaats van de zonde van gemaakt, nu zal God het verkeren in een begraafplaats voor de belegerden. Zinspelende op dit dal wordt de hel in het Nieuwe Testament Gehenna, het dal Hinnoms genoemd, want daar werden beide de ingevallen Assyriërs en de rebellerende Joden begraven, zo is de hel na de dood de ontvangplaats voor ongelovigen en huichelaars, de openlijke vijanden van Gods kerk en derzelver verraderlijke vrienden, het is de vergadering van de doden, bereid voor het geslacht van Gods toorn. Maar de slachting zal zó groot zijn dat zelfs het ruime dal van Tofeth ze niet zal kunnen bevatten, en eindelijk zullen er niet genoeg levenden overblijven om de doden te begraven, zodat de dode lichamen des volks voedsel zullen zijn voor vogelen en wilde dieren die ze zullen afweiden als krengen, en niemand zal lust of moed hebben, ze te verjagen, zoals Rispa deed ten bate van de dode lichamen van Sauls zonen, 2 Samuël 21:10. Dit was overeenkomstig de beschrijving in de wet en een deel van de vloek, Deuteronomium 28:26. "En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten van de aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken," zo stemmen wet en profeten overeen aangaande de uitvoering van de oordelen. Behoorlijke begrafenis van de doden is iets menselijke, ter herinnering aan wat het dode lichaam geweest is, de tabernakel van de redelijke ziel. Ja, het is zelfs iets goddelijks, in verwachting van wat het dode lichaam ten dage van de opstanding worden zal. Het gemis van een begrafenis is soms een teken van menselijk woeden geweest tegen Gods getuigen, Openbaring 11:9. Hier wordt het bedreigd als een bewijs van Gods toorn tegen Zijn vijanden, als een teken, dat het kwaad de zondaars vervolgt tot na hun dood. b. De vreugde zal van hen vlieden, vers 34. "Ik zal doen ophouden de stemme van de vrolijkheid. God had hen door Zijn profeten en door kleiner straffen opgeroepen om te wenen en te rouwen, maar zij hadden het omgekeerde gedaan en wilden van niets dan vreugde en blijdschap weten", Jesaja 22:12, 13. En wat was daarvan het gevolg? Nu riep God hen tot weeklagen, vers 29, en Hij zette Zijn roepstem kracht bij, door alle reden of lust tot vreugde en blijdschap weg te nemen. Zij, die niet willen wenen zullen wenen, zij, die niet door Gods genade van hun ijdele vrolijkheid willen genezen worden, zullen door Gods gerechtigheid van alle vrolijkheid beroofd worden, want wanneer God oordeelt, overwint Hij. Hier wordt gedreigd, dat er niets zal zijn om zich over te verblijden. Er zal geen huwelijkspret zijn, want er zullen geen huwelijken meer wezen. De gemakken des levens zullen verdwijnen en alle zorg, om het menselijk geslacht op aarde in stand te houden, afgeworpen, er zal niet meer zijn de stem des bruidegoms noch die van de bruid, geen muziek, geen bruiloftsliederen. Ook de vreugde over de oogst zal ontbreken, want het land zal woest zijn, onbebouwd en onverzorgd. Zowel de steden van Juda als de straten van Jeruzalem zullen vrezen, en wanneer men er wandelt, vindt men geen oorzaak van blijdschap, geen wonder, dat men zich terugtrekt en geen lust meer voelt voor vreugde. Zo spoedig kan God de blijdschap van de blijden bederven en doen ophouden, daarom moeten wij ons altijd verheugen met beving, ons verblijden en wijs zijn.