Psalm 25:1-7
Hier hebben wij Davids betuigingen van begeerte naar God en van vertrouwen op Hem. Hij begint dikwijls zijn psalmen met zodanige betuigingen, niet om God te bewegen, maar om zichzelf te bewegen, en zich op te wekken om aan die betuigingen te beantwoorden.
1. Hij belijdt zijn begeerte naar God. Tot U, o Heere, hef ik mijne ziel op. vers 1. In de vorigen psalm werd het als het karakter van een Godvruchtig man aangeduid, dat hij zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, vers 4, en de roepstem ging uit tot de eeuwige deuren om haar hoofden op te heffen, opdat de Koning van de ere zou ingaan, vers 7. Aan dit karakter beantwoordt hier David, aan die roepstem geeft hij gehoor. "Heere," zegt hij, "tot U hef ik mijn ziel op, niet tot ijdelheid, maar tot U." In het aanbidden van God moeten wij onze ziel tot Hem opheffen. Het gebed is het opklimmen van de ziel tot God, op God moet het oog gericht zijn. Sursum corda hef hart naar boven, zo klonk vanouds de roepstem tot gebed. Met een heilige minachting van de wereld en de dingen van de wereld, door bestemde gedachten en een werkzaam geloof, moeten wij ons God voor ogen stellen en onze begeerten laten uitgaan naar Hem als de bron van onze zaligheid.
2. Hij belijdt zijn vertrouwen op God en bidt om het voordeel en de vertroosting van dat vertrouwen, vers 2. Mijn God, op U betrouw ik. Zijn geweten getuigde voor hem dat hij geen vertrouwen had in zichzelf, of in een ander schepsel, en dat hij geen mistrouwen had van God, noch van Zijn macht of belofte. Hij heeft behagen in deze belijdenis van geloof in God. Zijn vertrouwen op God gesteld hebbende, is het gerust, tevreden, vrij van de vrees voor kwaad, en daarop pleit hij bij God, wiens eer het is om diegenen te helpen, die Hem eren door op Hem te verbouwen. Waar de mensen hun vertrouwen op stellen is of hun blijdschap, of hun schande al naar hetgeen het blijkt te zijn.
A. Nu bidt hier David onder de leiding des geloofs, vurig en ernstig, dat schaamte zijn deel niet zal zijn. Laat mij niet beschaamd worden in mijn vertrouwen op U, laat er mij niet van weggedreven worden door enigerlei overheersende vrees, en laat mij bij de uitkomst niet teleurgesteld worden in hetgeen waarvoor ik op U vertrouw. Als wij van ons vertrouwen op God onze steun maken, dan zal het niet onze schande zijn, en als wij in Hem triomferen, dan zullen onze vijanden niet triomferen over ons, en dat zouden zij wel doen, indien wij nu bezweken onder onze vrees, dat de uitkomst niet zal beantwoorden aan onze verwachting.
B. Dat dit ook niet het lot mocht wezen van anderen, die op Hem betrouwen. Al de heiligen zijn eenzelfde dierbaar geloof deelachtig geworden, en daarom zullen zij ook allen ongetwijfeld voorspoedig blijken te zijn in de uitkomst. Aldus wordt de gemeenschap van de heiligen in stand gehouden, namelijk door hun bidden voor elkaar. Ware heiligen zullen voorbede doen voor alle heiligen. Het is zeker dat niemand die gelovig op de Heere blijft wachten, beschaamd gemaakt zal worden,
C. Dat dit wel het lot kan wezen van overtreders, zij zullen beschaamd worden, die overtreden zonder oorzaak, vers 3, of ijdellijk, zoals de betekenis is van het Hebreeuwse woord.
a. Zonder aanleiding, zonder er toe geprikkeld te zijn. Zij staan op tegen God, verlaten en verzaken hun plicht, rebelleren tegen David en zijn regering (zo verstaan het sommigen) zonder dat er hun reden toe is gegeven, niet instaat zijnde om voor te geven dat zij ongerechtigheid hebben gevonden in God, of dat Hij hen in iets vermoeid heeft. Hoe zwakker de verzoeking is, waardoor de mensen zich tot zonde laten verlokken, hoe sterker het bederf is, dat hen er toe drijft. Diegenen zijn wel de ergste overtreders, die zondigen om de wille van de zonde.
b. Tevergeefs. Zij weten, dat hun aanslagen tegen God vruchteloos zijn, zij bedenken ijdelheid en daarom zullen zij spoedig beschaamd worden.
3. Hij bidt God om leiding op de weg van zijn plicht, vers 4,5. Wederom bidt hij hier God om hem te onderwijzen. Hij was zelf een kundig man, maar ook de verstandigsten en oplettendsten behoeven en begeren van God geleerd te worden, van Hem moeten wij allen leren.
Merk op
A. Wat hij wenste te leren: Leer mij geen fraaie woorden, geen schone denkbeelden, maar Uw wegen, Uw paden, Uw waarheid. De wegen, waarop Gij gaat om tot mij te komen, die allen goedertierenheid en waarheid zijn, vers 10, en de wegen, waarop Gij wilt, dat ik zal gaan om tot U te komen. Diegenen zijn het best geleerd, die hun plicht verstaan, weten wat "het beste is, dat zij zullen doen," Prediker 2:3. De paden des Heeren en Zijn waarheid zijn hetzelfde, de Goddelijke wetten zijn alle gegrond op Goddelijke waarheden. De weg van Gods geboden is de weg van de waarheid, Psalm 119:30. Christus is beide de weg en de waarheid, en daarom moeten wij Christus leren.
B. Wat hij daarom van God begeert.
a. Dat Hij zijn verstand zal verlichten betreffende zijn plicht, maak mij Uw wegen bekend en leer mij Uw paden. In twijfelachtige gevallen behoren wij vurig te bidden dat God ons duidelijk zal. maken wat Hij wil dat wij doen zullen.
b. Dat Hij zijn wil er toe zou neigen en er hem in zou versterken. "Leid mij, en aldus leer mij." Niet alleen zoals wij iemand leiden, die slecht van gezicht is, teneinde hem er voor te behoeden om van de weg af te raken, maar zoals wij iemand leiden die ziek en zwak is, om hem voorwaarts te helpen op de weg en hem te behoeden voor bezwijken en vallen. Wij gaan niet verder op de weg naar de hemel dan het Gode behaagt ons te leiden en te ondersteunen.
C. Waar hij op pleit:
a. Op zijn grote verwachtingen van God Gij zijt de God des heils. Zij, die het heil Gods verkiezen als hun doel en Hem tot de God huns heils maken, kunnen vrijmoedig tot Hem komen om leiding op de weg, die naar dat doel heenleidt. Indien God ons verlost, zal Hij ons leren en leiden. Hij, die heil geeft, zal ook onderricht geven.
b. Op zijn voortdurend wachten op God. U verwacht ik de ganse dag. Van wie zal een dienstknecht leiding verwachten voor hetgeen hij te doen heeft dan van zijn eigen meester? Als wij in oprechtheid begeren onze plicht te kennen met het vaste besluit die te doen, dan behoeven wij er niet aan te twijfelen dat God er ons in zal leiden en besturen. 4. Hij beroept zich op Gods oneindige barmhartigheid-daar steunt hij op, maar op generlei verdienste van zichzelf, vers 6. Gedenk Heere, aan Uw barmhartigheden, en om de wille van die barmhartigheden, leid mij en leer mij want zij zijn van eeuwigheid. Gij zijt altijd een barmhartig God geweest, het is Uw naam het is Uw eigenschap om barmhartigheid te betonen."
b. "Uw raad en Uw voornemens van barmhartigheid zijn van eeuwigheid, de vaten van de barmhartigheid zijn tevoren bereid tot heerlijkheid."
c. De voorbeelden van Uw barmhartigheid jegens de kerk in het algemeen en jegens mij in het bijzonder, waren vanouds en zijn tot nu toe standvastig gebleven. Gij hebt mij onderwezen van mijn jeugd af, onderwijs mij ook nu.
5. Hij is zeer bijzonder begerig naar de vergeving van zijn zonden, vers 7. Gedenk niet van de zonden mijner jonkheid. Heere, "gedenk Uw barmhartigheden, vers 6, die voor mij spreken, en niet mijn zonden, die tegen mij spreken." Hier is:
A. Een belijdenis van zonde, waarin hij inzonderheid de zonden van zijn jonkheid noemt. De fouten en dwaasheden van onze jeugd moeten nog lang daarna betreurd worden, een reden voor ons wezen om ons te verootmoedigen omdat de tijd de schuld van de zonde niet uitwist. Oude lieden moeten treuren over zondige vrolijkheid en smart hebben om de zondige genoegens van hun jeugd. Hij verzwaart zijn zonden, noemt ze zijn overtredingen, en hoe meer heilig, rechtvaardig en goed de wet is, die door de zonde werd overtreden, hoe zondiger die zonde ons moet toeschijnen.
B. Een uitdrukkelijke bede om barmhartigheid.
a. Dat hem de schuld kwijtgescholden zal worden. Gedenk niet de zonden van mijn jeugd, " gedenk ze niet tegen mij, breng ze niet tegen mij in, treed er niet voor in het gericht met mij." Als God de zonde vergeeft, wordt van Hem gezegd dat Hij haar niet meer gedenkt, hetgeen een algehele kwijtschelding aanduidt, Hij vergeeft en vergeet.
b. Dat hij welbehaaglijk mocht wezen in Gods ogen. "Gedenk mijner ten goede en kom mij tijdig ter hulp." Wij hebben niets meer nodig om ons gelukkig te maken dan dat God ons gedenkt ten goede, ons gedenkt in gunst. Zijn pleitgrond is: "naar Uw goedertierenheid, om Uw goedheid wil." Het is Gods goedheid niet de onze, Zijn barmhartigheid, en niet onze eigen verdienste, waarop wij moeten pleiten als wij bidden om vergeving van zonde en om al het goede, dat wij nodig hebben. Op deze pleitgrond moeten wij altijd steunen, ons bewust zijnde van onze armoede en onwaardigheid en overtuigd zijnde van de rijkdom van Gods genade en barmhartigheid.