20. a) Gij nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen zuivere olie van olijven, 1) niet van andere olievruchten, gestoten, niet door persen verkregen. De olijven moeten eerst van bladeren, stof enz. gereinigd worden, opdat het olie van de fijnste soort zij, want zijmoet dienen tot de luchter, opdat men gedurig de lampen aansteekt (
hoofdstuk 25:31 vv.).
a) Leviticus 24:2
1) De olijfboom, een van de voortreffelijkste gewassen van Palestina, werd in bijzondere tuinen, voornamelijk op hoogten en bergen gekweekt, daar zij een droge, zandige grond beminnen; ook komt hij in vochtigen voor, en groeit zelfs onder het water (zie Genesis 8:11). De knoestige stam is 20-30 voet hoog, heeft een gladde grauwe bast, en draagt over zijn gehele lengte takken, die zich zeer ver uitbreiden (Psalm 128:3). De bladeren zijn lancetvormig, dik en stijf, bijna zonder steel, ongeveer 2« duim lang en blijven het gehele jaar groen (Psalm. 52:10 Jeremia 11:19 ). Uit de in kleine bosjes tussen de bladeren tevoorschijn komende witte bloesems ontwikkelen zich de olijven in de gedaante van langwerpig ronde bessen, die soms zo groot als een duivenei worden, eerst groen, en later purperkleurig en zwart zijn en een harde kern omsluiten; zij zijn in september rijp. De onrijpe, voorzichtig afgeslagen vruchten werden òf gestoten, en gaven dan de fijnste olie van witte kleur, òf geperst en getreden; ook heeft men oliemolens. Rijpe en zeer vlezige vruchten geven slechte olie. Niet ongewoon was het, de olijven ook ruw, of in zout water geweekt, of ook ingemaakt te eten.
III. Vers 20-21. Het eveneens in de voorhof te plaatsen wasvat (hoofdstuk 30:7) vooreerst nog voor bijgaande, en in het volgende hoofdstuk van de kleding van zijn dienaren willende handelen, schrijft de Heere eerst voor de soort en toebereiding van de olie voor de zeven lampen, omdat de dagelijkse verzorging van deze lampen aanstonds na het oprichten van de tabernakel een begin moet nemen.
20. a) Gij nu zult de kinderen van Israël gebieden, dat zij tot u brengen zuivere olie van olijven, 1) niet van andere olievruchten, gestoten, niet door persen verkregen. De olijven moeten eerst van bladeren, stof enz. gereinigd worden, opdat het olie van de fijnste soort zij, want zijmoet dienen tot de luchter, opdat men gedurig de lampen aansteekt (hoofdstuk 25:31 vv.).
a) Leviticus 24:2
1) De olijfboom, een van de voortreffelijkste gewassen van Palestina, werd in bijzondere tuinen, voornamelijk op hoogten en bergen gekweekt, daar zij een droge, zandige grond beminnen; ook komt hij in vochtigen voor, en groeit zelfs onder het water (zie Genesis 8:11). De knoestige stam is 20-30 voet hoog, heeft een gladde grauwe bast, en draagt over zijn gehele lengte takken, die zich zeer ver uitbreiden (Psalm 128:3). De bladeren zijn lancetvormig, dik en stijf, bijna zonder steel, ongeveer 2« duim lang en blijven het gehele jaar groen (Psalm. 52:10 Jeremia 11:19 ). Uit de in kleine bosjes tussen de bladeren tevoorschijn komende witte bloesems ontwikkelen zich de olijven in de gedaante van langwerpig ronde bessen, die soms zo groot als een duivenei worden, eerst groen, en later purperkleurig en zwart zijn en een harde kern omsluiten; zij zijn in september rijp. De onrijpe, voorzichtig afgeslagen vruchten werden òf gestoten, en gaven dan de fijnste olie van witte kleur, òf geperst en getreden; ook heeft men oliemolens. Rijpe en zeer vlezige vruchten geven slechte olie. Niet ongewoon was het, de olijven ook ruw, of in zout water geweekt, of ook ingemaakt te eten.