Genesis 28:16-22
God openbaarde zich en Zijn gunst aan Jakob toen hij sliep en geheel lijdelijk daar neerlag, want evenals de wind blaast de Geest wanneer en waar Hij wil, en Gods genade is "als een dauw van de Heere, als droppelen op het kruid, dat op geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt," Micha 5:6. Maar toen Jakob ontwaakt was, begaf hij er zich toe om nut en voordeel te trekken uit het bezoek, dat God hem gebracht had, en wij kunnen ons wel voorstellen, dat hij ontwaakte zoals de profeet, hij ontwaakte en zag toe, en zijn slaap was hem zoet. Jeremia 31:26. Wij zien bij deze gelegenheid veel van Jakob's Godsvrucht.
I. Hij geeft grote verwondering te kennen over de tekenen, die hij had van Gods tegenwoordigheid met hem aan deze plaats, vers 16. Gewis is de Heere aan deze plaats en ik heb het niet geweten. Gods openbaringen aan Zijn volk brengen hun eigen bewijs mee. God kan onloochenbare blijken geven van Zijn tegenwoordigheid, waardoor de ziel der gelovigen er volkomen van overtuigd wordt, dat God waarlijk met hen is, een overtuiging, die onmededeelbaar is aan anderen maar voor henzelf genoeg is. Soms ontmoeten wij God waar wij maar weinig gedacht hebben Hem te zullen ontmoeten. Hij is waar wij niet gedacht hebben, dat Hij zijn zou, en wordt gevonden waar wij Hem niet gezocht hebben. Geen plaats sluit de bezoeken van God buiten, Hoofdstuk 16:13, ook hier. Waar wij ook zijn, in de stad of in de woestijn, in het huis of op het veld, in de winkel, de werkplaats of op straat, overal kunnen wij gemeenschap oefenen met de hemel, zo daar niet door onze eigen schuld storing in komt.
II. Hij werd er door vervuld met eerbied en ontzag, vers 17. Hij vreesde, zó ver was het van hem, om er door opgeblazen te zijn of zich te verheffen door de uitnemendheid van de openbaringen, 2 Corinthiërs 12:7, dat hij vreesde. Hoe meer wij van God zien, hoe meer reden wij zullen zien voor een heilig beven en blozen voor Zijn aangezicht. Zij, aan wie het God behaagt zich te openbaren, worden er zeer gering door in hun eigen ogen, en zij zien reden om te vrezen, zelfs de Heere en Zijn goedheid. Hosea 3:5. Hoe vreselijk is deze plaats! zei hij. Dat is: "Aan de verschijning van God op deze plaats zal nooit anders dan met heilig ontzag en eerbied gedacht kunnen worden. Zolang als ik leef, zal ik eerbied hebben voor deze plaats en aan haar blijven denken vanwege dit teken". Niet alsof hij dacht dat deze plaats dichter bij de visioenen Gods was dan andere plaatsen maar wat hij daar op die tijd zag, was als het ware het huis Gods, de woonstede der Goddelijke Majesteit, en de poort des hemels, dat is: de plaats van samenkomst van de bewoners van de bovenwereld, zoals de bijeenkomsten van stadbewoners in hun poorten gehouden werden. Of wel: de opklimmende en nederdalende engelen waren als reizigers, die door de stadspoorten in- en uitgaan. God is op een bijzondere wijze tegenwoordig, waar Zijn genade wordt geopenbaard en waar Zijn verbonden worden bekend gemaakt en verzegeld, zoals vanouds door de dienst der engelen, en nu door de verordineerde inzettingen, Mattheus 28:20. Waar God ons ontmoet met Zijn bijzondere tegenwoordigheid, daar behoren wij Hem te ontmoeten met ootmoedige eerbied, gedachtig aan Zijn gerechtigheid en heiligheid en onze eigen geringheid en onwaardigheid.
III. Op tweeërlei wijze zorgde hij er voor om de gedachtenis er van in stand te houden.
1. Hij zette de steen op tot een opgericht teken, vers 18. Niet alsof hij dacht, dat zijn visioenen op enigerlei wijze aan die steen te danken waren, maar hij wilde er de plaats aan herkennen als hij terugkwam en een blijvend gedenkteken oprichten van Gods gunst over hem, en omdat hij geen tijd had om hier een altaar te bouwen, zoals Abraham gedaan heeft op de plaatsen, waar God hem verschenen was Hoofdstuk 12:7. Daarom goot hij olie bovenop de steen, hetgeen toen waarschijnlijk de gebruikelijke plechtigheid was voor de inwijding van hun altaren, als een onderpand van zijn bouwen van een altaar op die plaats, als hij er de middelen toe had, zoals hij dan ook later gedaan heeft uit dankbaarheid aan God voor dit visioen. Hoofdstuk 35:7. Als God ons genade schenkt, dan behoort dit ons aan te sporen tot dankbaarheid en plichtsbetrachting, en de gemeenschap, die wij met God hebben gehad, moet steeds door ons in gedachtenis worden gehouden.
2. Hij gaf een nieuwe naam aan deze plaats, vers 19. Men noemde haar Luz, "een amandelboom," maar hij wil dat zij voortaan Beth-el, het huis Gods, zal genoemd worden. Deze genaderijke verschijning van God aan hem, bracht groter eer aan die plaats en maakte haar meer beroemd dan al de amandelbomen, die er bloeiden. Dit is dat Beth-el waarvan later gezegd is: "te Beth-el vond God Jakob," en in hetgeen Hij hem daar zei, "sprak Hij met ons," Hosea 12:5. In verloop van tijd is dit "Beth-el, het huis Gods, Beth-aven, een huis der ijdelheid" en ongerechtigheid geworden, toen Jerobeam er een van zijn kalveren heeft opgericht.
IV. Bij deze gelegenheid deed hij een plechtige gelofte, vers 20-22. Door Godsdienstige geloften geven wij eer aan God, erkennen wij onze afhankelijkheid van Hem, en leggen wij onze ziel onder de verplichting om Hem gehoorzaam te zijn. Jakob was nu in vrees en benauwdheid, en het is passend om in tijden van benauwdheid, of als wij een bijzondere zegen wensen te verkrijgen geloften te doen, Johannes 1:16, Psalm 66:13, 1 Samuël 1:11, Numeri 21:1-3. Jakob had nu een genaderijk bezoek van de hemel, God had Zijn verbond met hem vernieuwd, en het verbond is wederzijds, als God Zijn beloften aan ons bevestigt, dan past het ons onze beloften aan Hem te herhalen. In deze gelofte nu hebben wij op te merken:
1. Jakob's geloof. God had gezegd: Ik ben met u en zal u behoeden, vers 15. Jakob grijpt dit aan, en leidt er uit af: "Daar God met mij zal zijn en mij zal behoeden, gelijk Hij gezegd heeft, en (hetgeen begrepen is in deze belofte) mij van het nodige zal voorzien, en daar Hij beloofd heeft mij weer te brengen in dit land dat is: in het huis mijns vaders, die ik bij mijn terugkeer in vrede nog levend hoop te vinden", (zo ongelijk was hij aan Ezau, die verlangde naar de dagen van rouw over zijn vader) "vertrouw ik hier ook op." Gods beloften moeten de gids en de maatstaf zijn van onze begeerten en verwachtingen.
2. Jakob's bescheidenheid en grote gematigdheid in zijn begeerten. Hij zal blij en tevreden zijn met brood om te eten en kleren om aan te trekken, en ofschoon Gods belofte hem nu tot erfgenaam heeft gemaakt van een zeer grote bezitting, bedingt hij toch geen zachte kleren en keurige, smakelijke spijzen voor zich. Hij koestert de wens van Agur: "Voed mij met het brood mijns bescheiden deels." Zie ook 1 Timotheus 6:8. De natuur is met weinig tevreden, en de genade met nog minder. Zij, die het meeste hebben, hebben toch eigenlijk niets meer voor zichzelf dan voedsel en kleren, van het overige zijn zij slechts de bewaarders of de gevers, het genot er van hebben zij niet. Indien God ons meer geeft moeten wij er dankbaar voor zijn en het voor Hem gebruiken, indien Hij ons alleen dit, en niet meer, geeft, moeten wij er tevreden mee wezen en het in dank aan Hem genieten en gebruiken.
3. Jakob's vroomheid en liefde tot God, welke hier blijken:
A. In hetgeen hij begeerde, namelijk dat God met hem zal zijn en hem zal behoeden. Wij behoeven, waar wij ook zijn, niets meer om ons gelukkig en gerust te maken, dan dat God met ons is en dat Hij ons zal beschermen. Het is op een reis aangenaam om op een ons onbekende weg een gids te hebben, op een gevaarlijke weg een wachter, wèl voorzien te zijn van het nodige, en overal goed en aangenaam gezelschap te hebben, en dit alles, en wel op de beste wijze, hebben zij, met wie God is.
B. In hetgeen hij zich voorneemt. Zijn besluit is:
a. In het algemeen, de Heere aan te kleven als zijn God in het verbond, zo zal de Heere mij tot een God zijn. Niet alsof hij Hem zou verloochenen en verwerpen, indien hij gebrek aan voedsel en kleren zou hebben, nee, ofschoon Hij ons doodde, zouden wij Hem toch moeten aankleven, maar "dan zal ik mij verblijden in Hem als mijn God, dan zal ik mij nog sterker verplicht achten om mij aan Hem te houden." Elke zegen, die wij van God ontvangen, moeten wij als een nieuwe verplichting beschouwen om Hem, als onze God, dicht achter na te wandelen.
b. In het bijzonder, dat hij enige bijzondere handelingen der Godsvrucht zou verrichten als teken van zijn dankbaarheid.
Ten eerste. "Dit opgericht teken zal hier blijven, totdat ik in vrede wederkom, en dan zal het Gods huis zijn", dat is: "hier zal een altaar gebouwd worden tot eer van God."
Ten tweede. "Het huis Gods zal niet ledig, Zijn altaar niet zonder offer wezen. Van alles wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven, om besteed te worden, hetzij voor Gods altaren, of voor de armen," welke beide Zijn ontvangers zijn in de wereld. Het was waarschijnlijk volgens algemene instructies ontvangen van de hemel, dat Abraham en Jakob de tienden van hun bezittingen aan God offerden. God moet geëerd worden met onze bezittingen, en moet er het Hem toekomende uit ontvangen. Als wij meer dan gewone zegeningen van God ontvangen, dan moeten wij er ons op toeleggen om een bijzonder bewijs te geven van onze dankbaarheid jegens Hem. Tienden zijn een zeer passend deel om aan God te wijden en voor Hem te gebruiken, hoewel dit, al naar de omstandigheden zijn en wij welvaren verkregen hebben, meer of minder kan wezen, 1 Corinthiërs 16:2.