Exodus 27:20-21
In het vijf en twintigste hoofdstuk lazen wij van de kandelaar, en hier wordt gedurig bevolen dat de lampen er gedurig in moeten branden, want anders zou hij nutteloos zijn. In iedere kandelaar behoort een brandend en schijnend licht te wezen, kandelaars zonder kaarsen of lampen zijn als fonteinen zonder water, of als regenloze wolken. Nu moest:
1. Het volk in de olie voorzien, van het volk moeten de dienaren des HEEREN hun onderhoud hebben. Of liever, de reine olie betekende de genadegaven des Geestes, die aan alle gelovigen meegedeeld worden uit Christus, de goede olijfboom, uit wiens volheid wij ontvangen Zacheria 4:11,12, en zonder wie ons licht niet kan schijnen voor de mensen.
2. De priesters moesten de lampen aansteken en verzorgen, het behoorde tot hun dagelijkse dienst om ze altijd te doen branden, nacht en dag, zo is het het werk van de Evangeliedienaren om, door de prediking en verklaring der Schrift (die als een lamp zijn) de kerk, Gods tabernakel op aarde, te verlichten, en de geestelijke priesters in de dienst van God te onderwijzen. Het moet een eeuwige inzetting zijn, dat de lampen van het woord even nauwkeurig worden aangestoken als het reukwerk van gebed en lofzegging wordt geofferd.