7. Ziet gij niet, o gewaande profeten Israëls! een ijdel gezicht, en spreekt ene leugenachtige voorzegging, als gij zegt van hetgeen gij aan het volk verkondigt: De HEERE spreekt, daar Ik niet gesproken heb?
De leugenprofeten worden eerst in Vers 2 in `t algemeen profeten Israëls genoemd, want zij waren in Israël in trek, zij werden gehouden als alleen gerechtigd; zij hadden als het monopolie of privilege van voorzeggen en gedroegen zich ook zelf zonder meer als de profeten, terwijl daarentegen Jeremia en Ezechiël in de ballingschap als éénlingen stonden en de regering zowel als den tijd en volksgeest tegen Zich hadden. Daar nu tot onzen Profeet wordt gezegd: "profeteer tegen die profeten, " wordt profetie tegenover profetie gesteld, de voorzegging van boven tegen de profetie van beneden. Waar de krachten der leugen zich verheffen, daar moet ook de waarheid in de bres springen. " De bron, waaruit de profetie van die profeten, die openlijk geloof vinden, voorkomt, is het eigen hart. " Wat dit hun ingeeft, wat zij zelf verzinnen en dichten (Nehemia 6:8), dat verkondigen zij onder voorgeven, dat zij door Gods Geest werden verlicht en gedreven, en het volk geloofde het dadelijk, omdat het hart des volks met dat van zijne profeten sympathiseert en hun hart met dat des volks; er is dus wederkerige sympathie, overeenkomst in denken, gevoelen, streven en hopen, en dit is het machtigste middel ter vereniging van mensen. Omdat de wereld bedrogen wil zijn, hebben leugensprekers gemakkelijk spel, om voor hun leugen ook geloof te vinden. Daarentegen staan Gods woord en waarheid met het dichten en zoeken van het natuurlijk hart in de verhouding van antipathie tot elkaar. Het ene is tegen het andere; Gods woord en waarheid bestraft en doodt het natuurlijk hart, en dit wederom verzet zich tegen het eerste, ja haat en veracht het. Eerst moet de mens van zijne natuur verlost, of uit zijne natuurlijke houding omtrent God uitgebracht zijn, voordat hij begint naar Hem te horen, en dat kost den Geest Gods een moeilijken arbeid. Menigmaal schijnt het, dat het zal gelukken, doch spoedig wordt het weer verijdeld, en hoe meer dat herhaald wordt, des te moeilijker gelukt de op nieuw begonnen arbeid, totdat het eindelijk tot verharding komt. Ware profetie is nog nooit uit den menselijken wil voortgekomen, zo leert ons 1 Petrus 1:21. Het spreken uit eigen hart en volgen van eigen geest is dus het hoofdkenteken van valse profetieën, waarvan de valse profeten ook het eerst bij zich zelven bewust zijn, en eveneens gevoelen het de hoorders aan hun predikers dadelijk, daar doet zich ene zekere gewetensvrees gevoelen, om in Gods naam te spreken, en hier gevoelt men, dat het bedenkelijk is, te geloven, totdat men den moedwillig (2 Petrus 3:5), hetgeen bij mensen in `t algemeen in zaken der zaligheid ene zo grote rol speelt, de vrees overwint. Het is zeer karakteristiek, wanneer in Vers 4 Israëls profeten worden vergeleken met de vossen in de woestijn. "Ruïnen zijn gewenste verblijfplaatsen der vossen (KLaagl. 5:17), zo hebben de geestelijke vossen, de dwaalleraars den meesten voorspoed, hoe dieper de toestanden des volks zijn gezonken. Nooit waren de valse profeten menigvuldiger dan in de laatste tijden van den Joodsen staat" (Mattheus 24:5, 11). In den regel nu beschouwt men den vos als een beeld van list en sluwheid, zo als dat bij ons is, en men vindt ook hier een doelen op het arglistige van de valse profeten. Maar zelfs in Lukas 13:32 heeft de Heere Herodes slechts in één opzicht (in zoverre hij zich van de Farizeën bediende om Jezus uit zijne nabijheid te krijgen), om zijne sluwheid of huichelachtige listigheid een vos genoemd; nog meer komt dat uit in het woord, dat hij Hem in den mond legt, dat Hij hem wel als enen verderver van den wijnberg, als een verwoester van Gods volk (Hooglied 2:15) van de geschiedenis der onthoofding van Johannes den Doper af kent, en hem wel zulk ene bedoeling als hem toegeschreven is, toekent, maar toch voor hem niet behoeft te vrezen. Vossen zijn ook de gevaarlijke vijanden en verstoorders van het wild, en zij komen in dit opzicht hier voor; zij komen dus overeen met de verscheurende wolven in Mattheus 7:15 en Handelingen 20:29. Als van Israëls Profeten in Vers 5 verder gezegd wordt, dat zij niet in de bressen treden en zich niet tot muren maken voor het huis van Israël, zo als zijl zouden doen, als zij ware Profeten waren, dan moet onder de bressen de zondige toestand van het volk verstaan worden, die het aan de genade van zijnen God onttrekt, en nu voor de richtende machten den toegang opent. In de bres treden en tevens een muur toemuren om het volk van God, is boete prediken en tot gelovige omkering des harten bewegen, want daardoor alleen kan de toekomstige toorn worden afgewend. De dag des Heeren, waarop Hij met zijne oordelen tegen Israël zal strijden, is nu wel is waar onafwendbaar geworden, maar een standhouden is van de zijde der ware Profeten ook daar nog op die wijze mogelijk, zo als het Mozes in Exodus 32, en David in 2 Sam. 24:17, getoond heeft. Dat verwezenlijkt zich door den arbeid der zielen aan de overigen, die van den ondergang worden gered, maar in de gevangenschap gevoerd, opdat zij over hun boosheid berouw hebben en de Heere Zich weer over hen zou kunnen ontfermen (Hoofdstuk 6:8). Wij hebben boven bij Hoofdstuk 3:19 onzen Profeet in één opzicht als een voorbeeld voor de dienaars des goddelijken Woords in dezen tegenwoordigen tijd genoemd, in zoverre zij van hem moeten leren, wat hun ambt is ten opzichte van de grote menigte der Christenen, dat zij die niet met valse verwachtingen vervullen. Nu komt ook een tweede zijde daarbij: In Openbaring 1:11, is de toekomst geprofeteerd, die achter de naaste toekomst is, en dat "de overigen" leren verschrikken en den God des hemels te Zijner tijd weer ere geven, is tevens, de roeping van het geestelijk ambt, daar het van deze anderen het in Hoofdstuk 3:20 genoemde gevaar afwendt. Wat in Vers 7 als ene gewetensvraag tot den valsen Profeet wordt gericht, dat zal als ene zodanige in de harten van hen dringen, die nu nog in den ijver van hun geestelijken vrijheidswaan zoeken boven op te komen, en zich van ene Laodicea-inrichting der kerk (Openbaring :14) een gouden tijd beloven, wanneer nu dicht achter deze inrichting dat gene komt, wat in Openbaring 1:7-13 wordt aangekondigd. Dan zullen zij het gevaar worden, dat hun gezicht niets is en hun voorzeggingen enkel leugen, en zij zullen dan voor een deel nog wel het onderscheid opmerken tussen hetgeen de Heere gesproken en hetgeen Hij niet gesproken heeft. Zeker ware het beter, dat zij zich nu niet vermoeiden om hun zaak te behouden, en zich de smarten des berouws bespaarden, om eenmaal te moeten zeggen, dat zij als de vossen in de woestijn zijn geweest. Zulk een berouw is een brandend vuur in het hart, gelijk wij in Paulus zien, zo dikwijls hij er aan denkt, dat hij een lasteraar, vervolger en verstoorder van de gemeente des heren is geweest (vgl. bij Hoofdst 34:17). 8. Daarom zo zegt de Heere HEERE: omdat gijlieden ijdelheid spreekt en leugen ziet, waarbij hij Mijnen heiligen naam misbruikt, daarom ziet Ik wil aan u vergelding doen, spreekt de Heere HEERE.