2 Petrus 3:3-7
Om ons te verlevendigen en aan te sporen tot een ernstig behartigen en rondweg erkennen van hetgeen God ons geopenbaard heeft door Zijn profeten en apostelen, wordt ons bekend gemaakt dat er spotters zullen komen, mensen die van de zonde en van de zaligheid spotbeelden zullen maken. De mensen zullen spotten met Gods weg tot zaligheid van zondaren door Jezus Christus, en dat zal zijn in het laatst der dagen, onder het Evangelie. Het kan ons zeker zeer vreemd toeschijnen, dat de Nieuw Testamentische bedeling van het verbond der genade, die geestelijk is en daardoor meer overeenkomstig Gods natuur dan het Oude Testament, zal belachelijk gemaakt en gesmaad worden. Maar de geestelijkheid en de eenvoud van den Nieuw Testamentische eredienst staan lijnrecht tegenover het vleselijk verstand van den mens, en daarop schijnt de wenk van den apostel te doelen, dat de spotters in het laatste der dagen talrijker en stouter zullen zijn dan ooit tevoren. Ofschoon het in alle tijden zo geweest is, dat degenen, die naar het vlees geboren waren, vervolgen, lasterden en smaadden degenen, die naar den Geest geboren waren en wandelden, zal er toch in het laatst der dagen een meer dan gewone toeneming zijn in het verachten en vervolgen van de ware godzaligheid en van hen, die volharden in de zelfverloochening en voorzichtigen wandel, welken het Evangelie voorschrijft. Dat wordt vermeld als iets, dat allen Christenen wèl bekend is, en waarop zij dus behoren te rekenen, opdat zij daardoor niet verrast en geschokt worden, alsof hun iets vreemds overkwame. Om nu te voorkomen dat deze ware Christenen zouden worden overmeesterd, wanneer ze door die spotters aangevallen werden, wordt ons gemeld:
I. Welke soort van mensen zij zijn. Zij wandelen naar hun eigen begeerlijkheden, zij volgen de ingeving en begeerten van hun eigen harten en hun bedorven vleselijke lusten, niet de voorschriften en regelen van de ware rede en een verlicht en goed-gevormd oordeel. Dat doen zij in geheel hun wandel, zij leven naar hun lusten en spreken naar hun welgevallen, niet alleen hun innerlijke mens is boos en tegen God vijandig, zoals de geest van iedere onwedergeborene is, Romeinen 8:7, afkerig van God, onwetend omtrent Hem, maar zij zijn tot zulk een trap van boosheid gestegen, dat zij openlijk uitspreken wat in hun hart is en in de harten van andere vleselijk-gezinden. Zij zeggen: Onze tongen en onze krachten behoren ons, wie is heer over ons? Wie zal ons tegenspreken of besturen, of ons ter verantwoording roepen van hetgeen wij zeggen en doen? En gelijk zij niet dulden, dat enige wet van God hun wandel zou besturen, zo kunnen zij het ook niet verdragen, dat de openbaring Gods hun zou voorschrijven wat zij te geloven hebben, zij zullen wandelen in hun eigen begeerlijkheden, maar ook hun eigen gedachten denken en hun eigen beginselen vormen, ook daarin zal hun eigen begeerlijkheid hun enige maatstaf zijn. Geen van deze volslagen vrijdenkers kan rusten alvorens hij zit in het gestoelte der spotters. Daaraan zult gij hen herkennen opdat gij des te beter tegen hen op uw hoede kunt zijn.
II. Wij worden alzo vooruit gewaarschuwd, hoe ver zij zullen voortgaan, zij zullen beproeven ons te schokken en te doen wankelen, vooral in ons geloof aan de wederkomst van Christus. Spottend zullen zij vragen: Waar is de belofte Zijner toekomst? vers 4. Zonder deze zouden al de overige artikelen van het Christelijk geloof weinig te betekenen hebben, deze is de vervulling en het eindresultaat van al de andere. De beloofde Messias is gekomen, is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, Hij is geheel en al dezelfde, die beloofd werd, en heeft alles voor ons gedaan wat tevoren daaromtrent voorzegd is. De vijanden van het Christendom hebben reeds van den aanvang af gepoogd dit alles omver te werpen, maar aangezien dat alles rustte op feiten, die reeds geschied waren en waarvan deze en de andere apostelen ons het meest-afdoende getuigenis hebben gegeven, is het te voorzien dat zij eindelijk het moede zullen worden om zich daartegen te kanten. Maar een zeer belangrijk artikel van ons geloof bleef nog onvervuld en rust alleen op een belofte, en dus zullen zij ons, tot het einde van deze bedeling, daarop aanvallen. Totdat onze Heere zal gekomen zijn, zullen zij zelven niet geloven dat Hij komen zal, ja, zij zullen lachen op de enkele vermelding van Zijn wederkomst en alles doen wat in hun vermogen is om hen belachelijk te maken, die daar ernstig aan geloven en daarop wachten. Laat ons daarom zien hoe het met deze zaak staat, zo aan de zijde der gelovigen als aan die der ontkenners. De. gelovige verlangt niet alleen naar Christus' wederkomst, maar hij heeft voor die wederkomst een belofte, een belofte door Christus zelf gedaan en dikwijls herhaald, een belofte, ontvangen en overgebracht door betrouwbare getuigen, en die op zekerheid gegrond is, en daarom is hij er zeker en ten volle van overtuigd dat Christus wederkomen zal. Aan de andere zijde: deze spotters hopen dat Hij nooit wederkomt, en daarom doen zij al wat zij kunnen om dat zich zelven wijs te maken en anderen daarvan te overtuigen. Zij kunnen niet ontkennen dat er een belofte bestaat, en daarom belachen zij die belofte, hetgeen wijst op hoger trap van ongeloof en minachting. Waar is, zo vragen zij, de belofte Zijner toekomst?
III. Wij worden ook gewaarschuwd tegen de manier, waarop zij zullen redeneren, want terwijl zij lachen, zullen zij ook trachten bewijzen te leveren. Met dat doel voegen zij er bij: Want van dien dag dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping, vers 4. Dat is een listige, maar geen degelijke wijze van redeneren, zij is geschikt om indruk te maken op zwakke verstanden en vooral op slechte harten. Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom vleien zij zich zelven dat het nooit komen zal, en daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen, Prediker 8:11. En daarom handelen zij, en trachten anderen over te halen om te handelen, zoals hier beschreven wordt, zij zeggen: De vaderen zijn allen ontslapen. Zij, aan wie de belofte gedaan is, zijn allen dood, en zij hebben er niets van gezien, ook is het niet waarschijnlijk dat er nu nog iets van komen zal, waarom zouden wij er ons dan over verontrusten? Indien er enige waarheid of zekerheid was in de belofte, waarvan gij spreekt, dan zouden wij er stellig reeds vroeger iets van gezien hebben, enig teken van Zijn komst, enige voorbereidende maatregelen, maar wij zien dat tot op dezen dag alle dingen blijven, zonder enige verandering, gelijk als van het begin der schepping. En omdat de wereld gedurende zoveel duizenden jaren geen verandering ondergaan heeft, zullen wij ons niet verontrusten alsof er ooit een einde aan komen zou. Zo voeren deze spotters hun bewijzen. Zij vrezen Hem noch Zijn oordelen, en besluiten dat Hij nooit doen zal wat Hij nog nooit gedaan heeft.
IV. Hier wordt de valsheid van hun redeneringen aangetoond. Terwijl zij vol vertrouwen zeggen, dat er van het begin der schepping nog nooit enige verandering gekomen is, brengt de apostel ons in herinnering welke verandering reeds heeft plaats gehad, die in zekeren zin gelijk staat met de verandering, welke wij geroepen worden te verwachten en waarnaar wij moeten uitzien, het verdrinken van de oude wereld ten tijde van Noach. Dat zagen deze spotters over het hoofd, daar rekenden zij niet mede. Ofschoon zij dat konden weten, en het behoorden te weten, was het hun willens onbekend. vers 5, zij verkozen dat stilzwijgend voorbij te gaan alsof zij daarvan nooit iets gehoord hadden, indien zij het wisten, scheen het dat zij het niet in hun geheugen bewaarden, zij namen deze waarheid niet aan en waren er niet bekommerd over. Het is moeilijk de mensen te overtuigen van hetgeen zij niet als waarheid willen aannemen, zij zijn in vele gevallen onwetend omdat zij onwetend willen zijn, en zij weten niet omdat zij geen behoefte gevoelen om te weten. Maar nooit mogen de zondaars zich inbeelden, dat zulk een onwetendheid als verontschuldiging zal gelden voor de zonden, die zij daarin bedrijven. Zij, die Christus kruisigden, wisten niet wie Hij was, indien zij het geweten hadden, dan zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben, 1 Corinthiërs 2:8. Maar ofschoon onwetend, waren zij toch niet onschuldig, hun onwetendheid zelf was zonde, opzettelijke en moedwillige zonde, en nooit kan de ene zonde een verontschuldiging zijn voor de andere. Zo is het ook hier: hadden dezen geweten hoe de vreeslijke wraak van God in een slag een gehele wereld van goddeloze ellendelingen heeft verdelgd, dan zouden zij zeker niet gespot hebben met Zijn bedreigingen van een dergelijk verschrikkelijk oordeel. Maar zij waren willens onwetend, zij wisten niet wat God gedaan had, omdat zij niet gezind waren om het te weten. En daarom zullen wij voortgaan met kennis te nemen van hetgeen de apostel ons hier mededeelt, zowel betreffende de verwoesting van de oude wereld door het water, als omtrent den laatsten brand, die de tegenwoordige wereld wacht. Hij spreekt van het ene als hetgeen God gedaan heeft, om ons te overtuigen en te bewegen om des te beter te geloven hetgeen komen zal.
1. Wij beginnen met hetgeen de apostel zegt aangaande de verwoesting, die reeds eenmaal over de wereld gekomen is, vers 5, 6. Door het woord Gods zijn de hemelen van overlang geweest, en de aarde uit het water en in het water bestaande. Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is. Oorspronkelijk was de wereld anders ingericht, de wateren waren tijdens de schepping met de hoogste wijsheid en ten meesten zegen voor ons bedoeld. Een deel van de wateren was vergaderd boven het uitspansel, hier hemelen genoemd evenals in Genesis 1:8, en het andere deel was beneden het uitspansel in een plaats vergaderd, toen waren beide, de zee en het droge, geschikte woonplaats voor de kinderen der mensen. Maar nu, ten tijde van den algemenen zondvloed, is de toestand ingrijpend veranderd, de wateren, die God vroeger verdeeld had, aan elk deel zijn eigen behoorlijke plaats toewijzende, heeft Hij nu in zijn toorn, bijeen vergaderd op een hoop.
Alle fonteinen des groten afgronds werden opengebroken, en de sluizen des hemels (de wolken) geopend, Genesis 7:11, tot de gehele aarde van het water overstroomd was, en er zelfs op de hoogste bergen geen droge plek overbleef, want die stonden nog vijftien ellen onder water, Genesis 7:20. Daardoor maakte Hij tegelijkertijd bekend Zijn geweldige macht en Zijn schrikwekkenden toorn. De wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, verging, vers 6. Is dit geen verandering, en wel een zeer ontzagwekkende verandering? En daarbij moet opgemerkt worden, dat dit alles geschiedde door het woord van God, evenals door Zijn machtwoord de wereld eerst gemaakt en zo heerlijk en geschikt toebereid was, Heb. 11:3. En God zei: daar zij een uitspansel enz., Genesis 1:6, 7.
Dat de wateren van onder den hemel in ene plaats vergaderd worden enz., vers 9, 10. Hij spreekt en het is er, Psalm 33:9. Zo, zegt de apostel, bestond de wereld van overlang door het woord Gods, de hemelen zoals zij bij het begin der schepping waren, en de aarde uit het water en in het water bestaande. Niet alleen de eerste ordening van de wereld geschiedde door het woord Gods, maar evenzo de daarop volgende verwarring en verwoesting, zowel als de vernietiging van al haar bewoners, geschiedde door dat woord. Geen ander dan de God, die de hemelen uitgespannen en de grondslagen der aarde gelegd heeft, kan zulk een heerlijk bouwwerk met een slag verwoesten en teniet maken. Dat geschiedde door het woord Zijner kracht, en het geschiedde evenzeer naar het woord Zijner belofte. God had gezegd dat Hij den mens, alle vlees, van den aardbodem zou verdelgen, en dat Hij het doen zou door een watervloed over de aarde te brengen, Genesis 6:7, 13, 17. Dat was de verandering, welke God vroeger had tot stand gebracht en welke deze spotters over het hoofd zagen. Nu beschouwen wij: 2. Wat de apostel zegt van de verwoestende verandering, die nu over de wereld komen zal.
Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddeloze mensen, vers 7. Hier hebben wij een ontzagwekkende voorstelling van de laatste ontbinding der wereld, en in deze zijn wij veel nauwer betrokken. De verwoesting, die over de wereld en hare bewoners kwam door den zondvloed, lezen en horen wij, wij denken er met belangstelling aan, ofschoon wij hen, die daarbij omkwamen, niet gekend hebben, maar het oordeel, waarvan hier sprake is, moet nog komen en zal zeker komen, ofschoon wij niet weten wanneer of over welk mensengeslacht. En daarom zijn wij niet zeker, en kunnen niet zeker zijn, dat het niet tijdens ons leven komt. Dit maakt een zeer groot verschil, alhoewel toegestemd moet worden dat die beide oordelen in alle andere opzichten aan elkaar gelijk zijn, is er dit grote onderscheid dat er enkelen waren, ofschoon zeer weinigen, die aan den zondvloed ontkwamen, maar niemand zal ontsnappen aan den wereldbrand. Daarenboven: in het eerste waren wij niet betrokken, maar wij kunnen niet met zekerheid zeggen dat we in het tweede onheil niet zullen delen. Te zien dat de gehele wereld, waartoe wij behoren, eensklaps verwoest wordt-niet een enkel persoon, niet een bepaald geslacht, niet een volk (de drie afdelingen waarbij wij het meeste belang hebben) maar de gehele wereld plotseling te zien verzinken, en geen reddende ark, geen mogelijke weg om te ontkomen aan de algemene verdelging, dit maakt het grote onderscheid tussen de eerste ramp en hetgeen wij hebben te verwachten. De eerste is reeds voorbij en zal nooit meer herhaald worden, want God heeft uitdrukkelijk gezegd, dat nimmermeer een vloed de wereld zal verdelgen, Genesis 9:11-17. De andere is in aantocht, en komt zo zeker als de waarheid en de macht Gods zeker zijn. De ene kwam trapsgewijze over de aarde en nam voor haar bewoners gedurende veertig dagen onverpoosd toe, alvorens aan hun bestaan een einde gemaakt werd, Genesis 7:12, 17. Deze zal over hen komen haastig en plotseling, 2 Petrus 2:1. Daarbij, zoals reeds gezegd is, bij de eerste waren enkelen die ontkwamen, maar de aanstaande verwoesting der wereld zal volstrekt en algemeen zijn. Er zal geen deel, hoe klein ook, ontkomen aan de verterende vlammen, geen schuilplaats zal ergens voor de bewoners der aarde overblijven, geen enkel plekje in de gehele wereld, waar iemand veilig zal zijn. Derhalve, welke punten van verschil tussen deze beide gebeurtenissen ook kunnen aangewezen worden, de thans komende verwoesting is het verschrikkelijkste oordeel, dat denkbaar is. En dat de wereld reeds eenmaal verwoest is door een algemene overstroming, maakt het des te geloofwaardiger dat het nu zal geschieden door een alles verterenden brand. De spotters, die lachen om de wederkomst onzes Heeren ten gerichte, behoren dus in elk geval te bedenken, dat zo iets mogelijk is. Er wordt daaromtrent in Gods Woord niets meegedeeld, dat niet binnen het bereik van Gods macht ligt, en dus ofschoon zij er mede blijven spotten, zullen zij ons daardoor niet in verlegenheid brengen. Wij zijn er ten volle van verzekerd, omdat Hij het gezegd heeft en wij staat maken kunnen op Zijne belofte. Zij dwalen, niet wetende (ten minste niet gelovende) de Schriften of de kracht Gods. Maar wij kennen beide en behoren op beide te steunen. Hetgeen Hij gezegd heeft en zeker waar maken zal, is dat de hemelen en de aarde welke nu zijn, die met welke wij in verbinding staan, die nu bloeien in al de schoonheid en regelmaat waarin wij ze kennen, die voor ons zo aangenaam en zo nuttig zijn, bewaard worden, niet om te zijn wat wereldsgezinde mensen zo gaarne zouden willen, schatten voor ons, maar wat God wil: bewaard in Zijn schatten, veilig geborgen en bewaard voor Zijn doeleinden. Dat volgt. Zij worden ten vure bewaard. Gods volgende oordelen zijn verschrikkelijker dan de voorafgaande, de oude wereld werd verwoest door water, deze wordt bewaard ten vure, dat op den laatsten dag alle goddelozen verbranden zal. En ofschoon dat schijnt uitgesteld te worden, toch, wanneer deze goddeloze wereld in stand gehouden wordt door het woord Gods, dan wordt ze alleen bewaard voor de wraak van Hem, wie de wrake toekomt, en die op den dag des gerichts met een goddeloze wereld zal handelen overeenkomstig haar zonden, want die oordeelsdag is de dag der verderving der goddeloze mensen. Zij, die nu spotten met den oordeelsdag, zullen ondervinden dat hij de dag van hun uiterste verwoesting, de dag der wrake, zal zijn. Zorgt derhalve er voor dat gij niet onder deze spotters behoort, trekt nooit in twijfel of die dag des Heeren wel komen zal, tracht met allen ernst gevonden te worden in Christus, opdat er een tijd van verkoeling en van verzoening voor u moge zijn op dezelfden dag, die der goddeloze wereld wraak en verdelging brengt.