1 Petrus 1:13-23
Hier begint de apostel zijne vermaningen aan hen, wier heerlijken toestand hij tevoren had beschreven, en onderricht ons daarbij dat het Christendom een leer is overeenkomstig de godzaligheid en bestemd om ons niet alleen wijzer, maar ook beter te maken.
I. Hij wekt op tot matigheid en heiligheid.
1. Daarom, opgeschort hebbende de lenden uws verstands, enz. vers 13. Het is alsof hij zegt: Daarom, omdat gij zo geëerd en onderscheiden wordt als hierboven gezegd is: gordt daarom de lenden van uw verstand. Gij hebt een reis te maken, een loopbaan te lopen, een strijd te voeren, een groot werk te verrichten. En daarom, gelijk de reiziger, de wedrenner, de krijgsman, de landbouwer, neemt samen en gordt op uw lange en loshangende klederen, opdat gij meer gereed, bekwaam en vlug in uw verrichtingen moogt worden. Doet zo met uw innerlijken mens, met uwe aandoeningen, gordt die, schort ze op, neemt ze samen, laat ze niet los hangen en u om de benen slingeren, toomt hun buitensporigheden in, laat de lenden, dat is de kracht en levenskracht van uw verstand op uw plicht gericht zijn, ontdoet u van al wat u hinderen kan, en weest flink en besloten in gehoorzaamheid. Weest nuchter, waakzaam tegen al uw geestelijke gevaren en vijanden, weest matig en bescheiden in eten, drinken, kleding, ontspanning, arbeid en in geheel uw gedrag. Weest ook nuchter in gedachten zowel als in praktijk, en nederig in uw oordeel over uzelven. En hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus. Sommigen passen dat toe op het laatste oordeel, alsof de apostel hun aandacht gericht had op de volkomen openbaring van Jezus Christus, maar het schijnt natuurlijker de woorden op te vatten gelijk hier volgt.
Hoopt volkomenlijk, of doorgaande, op de genade, die u toegebracht wordt in of door de openbaring van Jezus Christus, dat is: door het Evangelie, dat het leven en de onverderflijkheid aan het licht brengt. Hoopt volkomenlijk, vertrouwt zonder aarzeling op de genade, die u nu door het Evangelie aangeboden wordt.
A. Het voorname werk van een Christen ligt in het rechte bestieren van zijn hart en verstand, de eerste vermaning van den apostel is: Schort op de lenden van uw verstand.
B. De beste Christenen hebben behoefte aan de vermaning om nuchter te zijn. Deze uitnemende Christenen werden er aan herinnerd, het werd vereist in een opziener, 1 Timotheus 3:2, in bejaarde mannen, Titus 2:2, de jonge vrouwen en mannen werden er evenzeer toe geroepen, Titus 2:4, 6.
C. De werkzaamheid des Christens is niet geëindigd zodra hij in een staat van genade overgebracht is, hij moet voortdurend hopen en worstelen om meerdere genade. Wanneer hij de rechte straat ingegaan is, moet hij wandelen op den engen weg, en tot dat doel de lenden van zijn verstand opschorten.
D. Een sterk en volkomen vertrouwen op de genade Gods is zeer goed bestaande met onze beste pogingen in onzen plicht, wij moeten volkomenlijk hopen, en toch de lenden van ons verstand opschorten, ons zelven met volle kracht wijden aan het werk, dat wij te doen hebben, en ons bemoedigen met de genade van Jezus Christus.
2. Als gehoorzame kinderen, enz. vers 14. Deze woorden kunnen genomen worden als regel voor een heilig leven. Gij behoort te leven als gehoorzame kinderen, als dezulken, die God in Zijn gezin heeft opgenomen en door Zijne genade wedergeboren. En daarbij: gij moet niet gelijkvormig worden aan de begeerlijkheden, die tevoren in uwe onwetendheid waren. Ook kunnen deze woorden aangemerkt worden als een drangreden tot heiligheid, door de overweging dat zij nu zijn kinderen der gehoorzaamheid, en dat zij vroeger leefden in begeerlijkheid en onwetendheid.
A. De kinderen Gods behoren zich als zodanig te betonen door hun gehoorzaamheid aan God, door dadelijke, voortdurende, onbeperkte, gehoorzaamheid.
B. Ook de beste van Gods kinderen hebben hun tijd van begeerlijkheden en onwetendheid gehad, een tijd waarin hun gehele levensplan, heel hun weg en gedrag, er op aangelegd waren om hun onwettige begeerten en ondeugende hartstochten te bevredigen, daar zij grof onwetend waren omtrent God en zich zelven, omtrent Christus en het Evangelie.
C. Bekeerde mensen verschillen werkelijk veel van hetgeen zij vroeger geweest zijn. Zij hebben andere vormen en manieren, hun inwendig leven, hun gedrag, hun taal en omgang, alles is veel veranderd bij vroeger vergeleken.
D. De lusten en buitensporigheden der zondaren zijn de vruchten en bewijzen van hun onwetendheid.
3. Maar gelijk hij, die u geroepen heeft, enz. vers 15, 16. Hier is een edele reden, aangedrongen door sterke bewijsvoeringen: Weest gij ook zelven heilig in al uw wandel. Wie is daartoe bekwaam? En toch wordt dat met aandrang geëist en de eis versterkt met drie beweegredenen, genomen uit Gods genade in onze roeping, uit Zijn gebod: er is geschreven, en uit Zijn voorbeeld: Zijt heilig, want Ik ben heilig.
A. De genade Gods in de roeping des zondaars is een sterke drangreden tot heiligheid. Het is een grote gunst, werkdadig door de goddelijke genade geroepen te zijn uit een toestand van zonde en ellende tot het bezit van al de zegeningen des nieuwen verbonds, en grote gunsten zijn grote verplichtingen, zij bekwamen ons om heilig te zijn, maar verplichten er ons ook toe.
B. Volmaakte heiligheid is de begeerte en de plicht van iedere Christen. Hier is een tweeledige regel voor heiligheid.
a. Wat haar uitgebreidheid betreft, zij moet algemeen zijn. Wij moeten heilig zijn in al onzen wandel, in alle burgerlijke en godsdienstige zaken, in voor- en tegenspoed, jegens alle mensen, vrienden en vijanden, in al ons gedrag en handel moeten wij heilig zijn.
b. Wat het voorbeeld aangaat. Wij moeten heilig zijn gelijk God heilig is, wij moeten Hem navolgen, al kunnen wij Hem nimmer evenaren. Hij is volkomen, onveranderlijk, eeuwig heilig, en wij moeten zulk een toestand najagen. De overweging van Gods heiligheid moet ons verplichten tot den hoogsten graad van heiligheid, die voor ons bereikbaar is.
C. Het geschreven Woord van God is de zekerste leidraad voor een Christelijk leven, en deze leidraad gebiedt ons heilig te zijn in al onze wegen.
D. De Oud-Testamentische geboden moeten betracht en gehoorzaamd worden onder het Nieuwe Testament, de apostel eist van de Christenen heiligheid met de woorden van een gebod uit de Mozaïsche wet.
4. En indien gij tot een Vader aanroept, enz. vers 17. De apostel geeft hier niet enigen twijfel te kennen of wel al deze Christenen hun hemelsen Vader zouden aanroepen, maar onderstelt dat zij dat zeker doen, en daarom dringt hij er bij hen op aan, dat zij in vreze den tijd hunner inwoning zullen wandelen. Indien gij den groten God als een Vader en een Rechter erkent, behoort gij al den tijd uwer inwoning hier in vreze te leven.
A. Alle ware Christenen beschouwen zich zelven in deze wereld als gasten en vreemdelingen, vreemdelingen in een ver gelegen land, dat zij doortrekken naar een ander, waar zij eigenlijk thuis behoren, Psalm 39:13, Hebreeën 11:13.
B. De gehele tijd van onze inwoning alhier moet doorgebracht worden in de vreze Gods.
C. De beschouwing van God als Rechter is niet oneigenaardig voor hen, die Hem waarlijk hun Vader mogen noemen. Heilig vertrouwen op God als een Vader en eerbiedige vreze voor Hem als een Rechter, zijn zeer wel met elkaar bestaanbaar, opzien tot God als Rechter is een uitnemend middel om Hem als Vader dierbaar voor ons te maken.
D. Het oordeel van God zal zonder aanneming des persoons zijn: naar eens iegelijks werk. Geen uitwendige betrekking tot Hem zal iemand beschermen, de Joden mogen God Vader noemen en Abraham vader noemen, maar God zal geen persoon aanzien en hen niet bevoordelen uit persoonlijke overwegingen, maar hen oordelen overeenkomstig hun werken. De werken der mensen zullen in dien groten dag openbaren wat hun personen zijn, God zal voor de gehele wereld bekendmaken wie de Zijnen zijn, uit hun werken. Wij zijn verplicht tot geloof, heiligheid en gehoorzaamheid, en onze werken zullen getuigenis geven of wij al dan niet onze verplichting vervuld hebben.
5. Nadat de apostel met deze beschouwing hen aangemaand heeft om met vreze voor God al den tijd hunner inwoning te wandelen, omdat zij Hem als Vader aanroepen, voegt hij er vers 18, een tweede beweegreden bij: Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen verlost zijt enz. Hier herinnert hij hun:
A. Dat zij zijn verlost, of teruggekocht voor een losprijs door den Vader betaald.
B. Welke de prijs was voor hun verlossing.
Geen vergankelijke dingen, zilver of goud, maar het dierbaar bloed van Christus. C. Waaruit zij verlost zijn: Van hun ijdele wandeling, hun door de vaderen overgeleverd.
D. Dat zij dit weten: Wetende dat gij enz. zodat ze omtrent deze grote zaak generlei onwetendheid kunnen voorwenden.
a. De overweging van onze verlossing moet een voortdurende en machtige prikkel tot heiligheid en tot de vreze Gods zijn
b. God verwacht dat een Christen zal leven overeenkomstig hetgeen hij weet, en daarom hebben wij grote behoefte gedurig aan hetgeen wij weten herinnerd te worden, Psalm 39:5.
c. Geen zilver of goud, geen van de vergankelijke dingen dezer wereld kunnen ook slechts een enkele ziel redden. Zij zijn dikwijls strikken, verzoekingen en hinderpalen voor de zaligheid der mensen, maar zij kunnen in geen enkel opzicht hen vrijkopen of bevoordelen, zij zijn vergankelijk en daarom niet instaat een onvergankelijke en onsterfelijke ziel te redden.
d. Het bloed van Jezus Christus is de enige prijs voor des mensen verlossing. Die verlossing des mensen is werkelijkheid, niet zinnebeeldig. Wij zijn gekocht tot een prijs, en die prijs staat in verhouding tot den koop, want hij is het dierbaar bloed van Christus, het bloed van een onschuldige, van een onbesmet en onstraffelijk lam, dat door het paaslam afgebeeld werd, en van een oneindig persoon, den Zoon van God, en daarom wordt dat bloed het bloed Gods genoemd, Handelingen 20:28.
e. Het doel van Christus, toen Hij Zijn dierbaar bloed vergoot, was onze verlossing, niet alleen van het eeuwig verderf hiernamaals, maar ook uit onze ijdele wandeling in deze wereld. Een wandeling is ijdel wanneer zij ledig, beuzelachtig en Godonterend is en smaadheid brengt over den godsdienst, de overtuiging van ongelovigen verhindert, en den troost en de rust van ons geweten verstoot. Niet alleen de openbare goddeloosheid, maar ook de ijdelheid en nutteloosheid van onzen wandel zijn zeer gevaarlijk.
f. De wandel eens mensen kan een schijn van godsvrucht hebben, zij kan zich beroemen op ouderwetsheid, gewoonte en overlevering, en zich daarmee verdedigen, en toch met dat al een uiterst- ijdele wandeling zijn. De Joden hadden door al hun vormendienst heel wat van dien aard in te brengen, maar toch was hun wandeling zo ijdel, dat alleen het bloed van Christus hen daarvan verlossen kon. Oudheid is geen bewijs van waarheid en het is niet verstandig te zeggen: Ik zal leven en sterven op dezelfde wijze als mijne voorvaderen deden.
6. Na den prijs der verlossing genoemd te hebben, gaat de apostel nu spreken over de dingen, die beiden den Verlosser en de verlosten betreffen, vers 20, 21.
A. De Verlosser wordt beschreven niet alleen als een onbevlekt lam, maar ook:
a. Als voorgekend voor de grondlegging der wereld, voor-verordineerd of voorgekend. Waar van Gods voorwetenschap gesproken wordt, is altijd meer bedoeld dan vooruit zien of vooruit overwegen. Het omvat een wilsdaad en besluit dat de zaak zal zijn. Handelingen 2:23. God wist niet alleen vooruit, maar bepaalde en stelde vast dat Zijn Zoon voor den mens zou sterven, en dat besluit werd genomen voor de grondlegging der wereld. De tijd en de wereld begonnen tegelijk te bestaan, voor den aanvang des tijds was er niets dan de eeuwigheid.
b. Als geopenbaard in deze laatste tijden. Hij werd geopenbaard als den door God voorgekenden Verlosser. Hij werd geopenbaard bij Zijne geboorte, door Zijns Vaders getuigenis, en door Zijn eigen werken, met name door Zijne opstanding uit de doden, Romeinen 1:4. Dit geschiedde in deze laatste tijden van het Nieuwe Testament en van het Evangelie, voor u, Joden, zondaren, bedroefden. Gij hebt de vertroosting van de openbaring en verschijning van Christus, zo gij in Hem gelooft.
c. Dat lam was van de doden opgewekt door den Vader, die Hem heerlijkheid gaf. De opwekking van Christus, beschouwd als machtsdaad, gaat u it van de drie personen, maar als een rechterlijke daad is zij een handeling van den Vader, die als Rechter Christus ontsloeg, Hem uit het graf opwekte, Hem heerlijkheid gaf en door de opwekking uit de doden Hem voor de gehele wereld verklaarde Gods Zoon te zijn, Hem verhoogde ten hemel, Hem met eer en majesteit kroonde, Hem alle macht in hemel en op de aarde gaf, en Hem met de heerlijkheid bekleedde, die Hij bij God had voor de wereld was.
B. De verlosten worden hier evenzeer beschreven naar hun geloof en hoop, waarvan Jezus Christus de oorzaak is. Die door Hem gelooft in God, door Hem als de bewerker, aanmoediger, drager en voleindiger des geloofs. Uw hoop en geloof kunnen nu in God zijn, want door Christus, uw Middelaar, zijt ge met Hem verzoend.
C. Uit dit alles leren wij:
a. Het besluit Gods, om Christus als Middelaar te zenden, was van eeuwigheid, het was een rechtvaardig en barmhartig besluit, hetwelk echter in geen enkel opzicht de zonden der mensen verontschuldigt, die Hem kruisigden, Handelingen 2:23. God had voornemens van bijzondere gunst voor zijn volk lang voordat Hij hun enige genade openbaarde.
b. Groot is het geluk van de laatste tijden in vergelijking met dat, hetwelk de wereld in vroegere eeuwen genoot. De helderheid van licht, de ondersteuning des geloofs, de kracht der instellingen en de hoegrootheid van vertroosting, zijn alle veel groter sedert de openbaring van Christus dan zij vroeger waren. Onze dankbaarheid en dienstvaardigheid behoren evenredig aan zulke gunsten te zijn.
c. De verzoening van Christus is het eigendom alleen van de ware gelovigen. Een algemene verwerving wordt door sommigen geloofd en door anderen ontkend, maar niemand beweert dat er een algemene toepassing van Christus' dood is ter zaligheid van alle mensen. Huichelaars en ongelovigen zullen voor eeuwig verloren gaan niettegenstaande den dood van Christus.
d. God in Christus is het hoogste voorwerp van ons geloof, hetwelk krachtig ondersteund wordt door de opstanding van Christus en de heerlijkheid daarna volgende.
II. Hij wekt hen op tot broederlijke liefde. 1. Hij onderstelt dat het Evangelie reeds zulk een invloed op hen gehad heeft, dat het hun zielen gereinigd had, omdat zij het door den Geest gehoorzaamden en dat het ten minste een ongeveinsde broederlijke liefde had gekweekt, en daaruit trekt hij voor hen de vermaning om op te klimmen tot hoger graad van liefde en elkaar uit een rein hart vuriglijk lief te hebben, vers 22.
A. Het kan niet betwijfeld worden of ieder waar Christen reinigt zijn ziel. De apostel houdt dat voor toegestemd: Hebbende dan enz. Het reinigen der ziel onderstelt enige grote onreinheid en bezoedeling, waarmee zij besmet is, en dat dit vuil verwijderd is. Zomin de levitische reinigingen onder de wet als de huichelachtige reinigingen van den uitwendigen mens kunnen dit teweegbrengen.
B. Het Woord Gods is het grote werktuig voor de reiniging van een zondaar. Hebbende uwe zielen gereinigd in gehoorzaamheid der waarheid. Het Evangelie wordt de waarheid genoemd, in tegenstelling met typen en schaduwen, dwaling en leugen. Deze waarheid is krachtig om de ziel te reinigen, die haar gehoorzaamt, Johannes 17:17. Velen horen de waarheid, maar worden nooit door haar gereinigd, omdat zij zich niet aan haar willen onderwerpen of haar gehoorzamen.
C. De Geest van God is de grote werkmeester in de reiniging van de ziel des mensen. De Geest overtuigt de ziel van haar onreinheid, geeft haar die deugden en genaden die haar versieren en reinigen, als het geloof, Handelingen 15:9, hoop, 1 Johannes 3:3, de vreze Gods, Psalm 34:10, en de liefde van Jezus Christus. De Geest vuurt onze pogingen aan en doet ze wel slagen. De hulp des Geestes maakt onze eigen werkzaamheid niet overbodig, deze mensen hadden zelf hun zielen gereinigd, maar door den Geest.
D. De zielen der Christenen moeten gereinigd worden alvorens zij elkaar zulk een ongeveinsde liefde kunnen toedragen. Er zijn zo vele begeerlijkheden en partijdigheden in de natuur des mensen, dat wij zonder de goddelijke genade zomin God als elkaar kunnen liefhebben zoals wij verplicht zijn te doen, er is alleen in een rein hart liefde.
E. Het is de plicht van alle Christenen elkaar oprecht en vurig lief te hebben. Onze liefde tot elkaar moet oprecht en werkelijk zijn, en daarbij vurig, standvastig en uitgebreid.
2. Hij dringt bij de Christenen op dat elkaar liefhebben uit een rein hart aan door de beschouwing van hun geestelijke betrekking. Zij zijn allen wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad. Hier leren wij:
A. Alle Christenen zijn wedergeboren. De apostel spreekt daarover als iets, dat alle ernstige Christenen met elkaar gemeen hebben, en waardoor zij tot elkaar in nieuwe en nauwe betrekking gebracht zijn, zij worden broeders door hun nieuwe geboorte.
B. Het Woord van God is het grote middel voor de wedergeboorte, Jakobus 1:18. De genade der wedergeboorte wordt meegedeeld door het Evangelie.
C. Deze nieuwe en tweede geboorte is begeerlijker en uitnemender dan de eerste. Dat leert de apostel door het onvergankelijke zaad te stellen boven het vergankelijke. Door het ene worden wij zonen en dochters van mensen, maar door het andere kinderen van den Allerhoogsten. Dat het Woord van God bij zaad vergeleken wordt, leert ons dat, ofschoon het gering is van aanzien, het nochtans machtig is van werking, ofschoon het aanvankelijk verborgen ligt, groeit het op en draagt ten laatste uitnemende vruchten.
D. Zij, die wedergeboren zijn, moeten elkaar vuriglijk liefhebben uit een rein hart. Broederen van nature zijn aan elkaar verbonden door liefde, maar dubbele verplichting is daar, waar geestelijke betrekking ontstaat. Zij zijn onder dezelfde regering, delen in dezelfde voorrechten, hebben dezelfde belangen.
E. Het Woord van God leeft en blijft eeuwig. Het is een levend woord, Heb. 4:12. Het is een middel voor geestelijk leven, om dat te doen ontstaan en te bewaren, ons in onzen plicht aan te moedigen en te versterken, tot het ons in het eeuwige leven brengt, en het is blijvend, het blijft tot in eeuwigheid waar, en blijft in de harten der wedergeborenen voor eeuwig en altoos.