Mattheus 7:15-20
Hier hebben wij ene waarschuwing tegen valse profeten, om ons te hoeden van door hen bedrogen en misleid te worden.
Profeten zijn eigenlijk mensen, die toekomende dingen voorzeggen: sommigen worden in het Oude Testament genoemd, die onbevoegd hier aanspraak op maakten, en uit de gebeurtenis bleek, dat hun voorgeven vals was, zo als Zedekia, 1 Koningen 22:11, en een andere Zedekia, Jeremia 29:21. Maar profeten hebben ook het volk hun plicht geleerd, zodat valse profeten hier valse leraars zijn. Christus, een profeet zijnde, en een Leraar van God gezonden, en voornemens zijnde leraren onder Hem uit te zenden, waarschuwt allen zich in acht te nemen voor namaaksels, die in plaats van de zielen te genezen met gezonde lering, gelijk zij voorgeven te doen, ze zouden vergiftigen. Diegenen zijn valse leraren en valse profeten:
1. Die met een valsen lastbrief komen, voorgevende ene onmiddellijke opdracht en aanwijzing van God te hebben om als profeten op te treden, door God geïnspireerd te zijn, terwijl zij dit niet zijn. Hun leer kan waar wezen, en toch moeten wij ons voor hen wachten als voor valse profeten. Valse apostelen zijn zij, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, Openbaring 2:2, zodanige zijn valse profeten. "Wacht u voor hen, die voorgeven openbaringen te ontvangen, en laat hen niet toe zonder voldoend bewijs, opdat niet ene ongerijmdheid toegelaten zijnde, duizend anderen volgen". 2, Die ene valse leer prediken ten opzichte van de dingen, die essentieel zijn voor den Godsdienst, die leren hetgeen in tegenspraak is met de waarheid, gelijk zij in Jezus is, met de waarheid, die naar de Godzaligheid is. De eersten schijnen het eigenlijke denkbeeld te zijn van pseudo-propheta, een valse of voorgewende profeet, maar de laatsten zullen zich gewoonlijk met hen samentreffen, want wie zou ene valse vlag vertonen anders dan met bedoeling, n.l. om door het vertonen van die vlag met des te meer succes de waarheid aan te vallen. Welnu wacht u voor hen, verdenkt hen, stelt hen op de proef, en als gij hun valsheid hebt ontdekt, mijdt hen, hebt niets met hen te doen. Weest op uwe hoede tegen deze verzoeking, welke gewoonlijk met tijden van hervorming gepaard gaat, als het Goddelijke licht met meer dan gewone kracht en glans doorbreekt. Als Gods werk verlevendigd wordt, zijn Satan en zijne agenten het drukst in de weer. Hier is:
I. Ene goede reden voor deze waarschuwing.
Wacht u voor hen, want het zijn wolven in schaapsklederen, vers 15.
1. Het is nodig zeer voorzichtig te zijn, omdat hun voorgeven heel schoon en aannemelijk schijnt, en van een aard is, dat wij er licht door bedrogen kunnen worden, als wij niet op onze hoede zijn. Zij komen in schaapsklederen, in het gewaad van profeten, dat, eenvoudig, grof en onbewerkt was: zij dragen een haren mantel om te liegen, Zacheria 13:4. De Septuaginta noemt Elia's mantel hê mêlotê -een schapenvacht-mantel. Wij moeten op onze hoede zijn om ons niet te laten bedriegen door der mensen gewaad, zo als dat der schriftgeleerden, die willen wandelen in lange klederen Lukas 20:46. Of het kan ook in overdrachtelijken zin genomen, zij wenden voor schapen te zijn, en uitwendig schijnen zij gans onschuldig, onnozel, zachtaardig, nuttig, alles wat goed is, zodat zij door niemand overtroffen kunnen worden. Zij veinzen rechtvaardig te zijn, en om der wille hunner kleding worden zij onder de schapen toegelaten, hetgeen hun de gelegenheid geeft om hun, eer zij er op verdacht zijn, kwaad te doen. Zij en hun dwalingen zijn verguld met het schoonschijnende voorgeven van heiligheid en vroomheid. Satan verandert zich in een engel des lichts, 2 Corinthiërs 11:13, 14. De vijand heeft hoornen, des Lams hoornen gelijk. Openbaring 13:11, aangezicht van mensen, Openbaring 9:7, 8. Verleiders, in taal en manieren, zacht als wol, Romeinen 16:18, Jesaja 30:10.
2. Omdat onder dit voorgeven hun bedoelingen zeer boosaardig en noodlottig zijn: van binnen zijn zij grijpende wolven. Ieder geveinsde is een bok in schaapsklederen, maar een valse profeet is een wolf in schaapsklederen, niet alleen is hij geen schaap, maar hij is de ergste vijand van het schaap, die niet anders komt dan om te verscheuren en te verslinden, de schapen te verstrooien, Johannes 10:12, ze weg te drijven van God en van elkaar, en naar kromme wegen. Zij, die ons van enigerlei waarheid willen beroven, en ons dwaling willen doen aannemen, hebben-wàt zij ook voor schoons voorwenden-slechts schade voor onze ziel op het oog. Paulus noemt hen zware wolven, Handelingen 20:29. Zij roven voor zich zelven, dienen hun buik Romeinen 16:18, maken u tot ene prooi, maken een gewin van u. Daar het nu zo gemakkelijk, en tevens zo gevaarlijk is bedrogen te worden, zo wacht u van de valse profeten.
II. Hier is een goede regel, waaraan men zich voor die waarschuwing moet houden, wij moeten alle dingen beproeven, 1 Thessalonicenzen 5:21, de geesten beproeven, 1 Johannes 4:1, en hier hebben wij een toetssteen, aan hun vruchten zult gij hen kennen, vers 16-20. Let op:
1. Het ophelderende van deze vergelijking, het ontdekken van den aard des booms door de vruchten. Gij kunt bomen niet altijd onderkennen aan hun schors of hun bladeren, noch aan het uitbreiden hunner takken, maar aan hun vruchten zult gij hen kennen. Overeenkomstig de boom is de vrucht. In hun belijdenis kunnen de mensen wel hun natuur geweld aandoen, en in tegenspraak zijn met hun innerlijk beginsel, maar de stroom en richting hunner handelingen zijn in overeenstemming met hen. Christus wijst hierop met groten nadruk, de overeenkomst van vrucht en boom is zo, dat indien gij weet wat de boom is, gij ook weet welke vrucht gij er van kunt verwachten. Denk nooit druiven van doornen te kunnen lezen, noch vijgen van distels, het is niet in hun aard om zulke vruchten voort te brengen. Een appel kan op een doorn worden gestoken, en ene tros druiven er aan gehangen worden, zo kan ene goede waarheid, een goed woord of ene goede daad, in een slechten mens gevonden worden, maar gij kunt er van verzekerd wezen, dat het er niet gegroeid is. Verdorvene, boze, ongeheiligde harten zijn als doornen en distels, die in de wereld gekomen zijn, met de zonden, zij zijn nietswaardig, lastig, en ten laatste voor het vuur bestemd. Goede werken zijn goede vruchten, zoals druiven en vijgen, welbehaaglijk aan God en nuttig aan de mensen. Deze goede vruchten moeten nooit van slechte mensen worden verwacht, evenmin als een reine uit een onreine, er ontbreekt het beginsel aan, dat hen welbehaaglijk zou doen zijn. Uit een kwaden schat zal het kwade voortgebracht worden. En aan den anderen kant, als gij weet wat de vrucht is, dan kunt gij daaraan bemerken wat de boom is. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, ja, hij kan niet anders dan goede vruchten voortbrengen, en een kwade boom kan gene goede vruchten voortbrengen, ja, hij kan niet anders dan kwade vruchten voortbrengen. Maar dan moet ook datgene als vruchten van den boom aangemerkt worden, hetwelk hij natuurlijkerwijze voortbrengt, en dat wezenlijk zijne vruchten zijn, -die hij overvloedig en gestadig voortbrengt. De mensen worden gekend, niet aan ongewone, bijzondere daden, maar aan de algemene richting, van hun' wandel, en aan hun veelvuldiger daden, inzonderheid aan die, welke zij vrijwillig, uit eigene beweging doen, en het minst onder den invloed van uitwendige beweegredenen geschieden. 2. De toepassing hiervan op de valse profeten.
a. Door bedreiging en verschrikking, vers 19, Een ieder boom, die gene goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen. Dit zelfde gezegde werd door Johannes den Doper gebruikt, Hoofdstuk 3:10. Christus zou hetzelfde in andere woorden hebben kunnen zeggen, Hij zou het hebben kunnen veranderen, of er een nieuwe strekking aan hebben kunnen geven, maar Hij achtte het gene verkleining voor Hem zelven, om te zeggen wat Johannes de Doper voor Hem had gezegd. Laten leraren niet de eerzucht koesteren om nieuwe uitdrukkingen te verzinnen, en de hoorders niet zo ketelachtig zijn van gehoor, dat zij altijd iets nieuws moeten horen, dezelfde dingen te schrijven en te spreken moet niet verdrietig zijn, want het is zeker. Hier hebben wij de beschrijving van onvruchtbare bomen, het zijn bomen, die gene goede vruchten voortbrengen, al zijn er ook vruchten, als het gene goede vruchten zijn (er kan iets gedaan worden, dat op zichzelf wel goed is, maar het wordt niet goed gedaan, niet op de rechte wijze en niet tot het rechte doel) dan wordt de boom onvruchtbaar geacht. Het lot van onvruchtbare bomen: zij worden uitgehouwen en in het vuur geworpen. God zal met hen handelen, zoals de mensen met dorre bomen plegen te handelen, die onnut den grond beslaan, Hij zal ze merken met de duidelijke tekenen van Zijn ongenoegen, Hij zal ze ontschorsen, door hun hun gaven en vermogens te ontnemen, Hij zal ze neder houwen door den dood, en hen in het vuur der hel werpen, een vuur, aangeblazen met den blaasbalg van Gods toorn, en onderhouden met het hout van onvruchtbare bomen. Vergelijk hiermede Ezechiël 31:12, 13, Daniël 4:14, Johannes 15:6.
b. Door toetsing: Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Aan de vruchten van hun persoon, hun woorden en daden, en de richting van hun wandel. Wilt gij weten, of zij al of niet op den rechten weg zijn, zo let op hun manier van leven, hun werken zullen voor of tegen hen getuigen. De schriftgeleerden en Farizeeën waren gezeten op den stoel van Mozes, en onderwezen de wet, maar zij waren hoogmoedig, hebzuchtig, vals en onderdrukkend, en daarom heeft Christus Zijne discipelen gezegd zich voor hen te wachten, voor hen en voor hun zuurdesem, Markus 12:38. Als mensen voorgeven profeten te zijn, en zijn onzedelijk, dan wordt hun voorgeven hierdoor weerlegd. Diegenen, welker God is de buik, en die aardse dingen bedenken, zijn gene vrienden des kruizes van Christus, wàt zij ook mogen zeggen of beweren. Diegenen zijn niet van den heiligen God geleerd of gezonden, uit wier leven blijkt, dat zij door den onreinen geest worden geleid. God legt den schat in aarden vaten, maar niet in zulke verdorvene vaten, zij kunnen wel Gods inzettingen vertellen, maar, "wat hebben zij Zijne inzettingen te vertellen?" Aan de vruchten van hun leer, hun vruchten als profeten, niet dat dit het enige middel is, maar het is een der middelen om leringen te beproeven, of zij al of niet uit God zijn. Wat is hun strekking? Tot welke genegenheden en handelingen zullen zij diegenen leiden, die ze aannemen? Indien de leer uit God is, dan zal zij leiden tot ernstige Godsvrucht, ootmoed, liefde, barmhartigheid en heiligheid, met nog andere Christelijke genadeblijken, maar indien de leer, welke deze profeten prediken, ene blijkbare strekking heeft om de mensen hoogmoedig, wereldsgezind en twistgierig te maken, hen loszinnig en slordig te maken in hun wandel, onrechtvaardig of liefdeloos, oproerig of verstoorders van den openbaren vrede, indien zij vleselijke vrijheid bevordert, en de mensen er van afbrengt om zich zelven en hun gezin te regeren door de stipte regelen van den nauwen weg, dan kunnen wij tot de gevolgtrekking komen, dat dit gevoelen niet is uit Hem, die ons roept, Galaten 5:8. Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, Jakobus 3:15. Het geloof en een goed geweten gaan samen, 1 Timotheus 1:19, 3:9. Leerstellingen, die leiden kunnen tot twistige samensprekingen, moeten getoetst worden aan genadegaven en plichten van ontwijfelbare zekerheid. Die meningen komen niet van God welke leiden tot zonde, maar als wij hen niet kunnen kennen aan hun vruchten, dan moeten wij den groten toetssteen aanleggen van de wet en de getuigenis: -spreken zij naar dit woord?