1 Koningen 8:12-21
I. Salomo bemoedigt hier de priesters, die van hun bediening uit de tempel kwamen, geheel verbaasd over de donkere wolk, die hen had overschaduwd. De discipelen van Christus "werden bevreesd als die in de wolk ingingen," hoewel het een "luchtige wolk" was, Lukas 9:34 en ook de priesters waren bevreesd toen zij zich door een donkere wolk omhuld zegen. Om hun vrees tot zwijgen te brengen:
1. Herinnert hij hen aan hetgeen zij wel moesten weten, namelijk dat dit een teken was van Gods tegenwoordigheid, vers 12. De Here heeft gezegd dat Hij in donkerheid zou wonen. Het is er zover vandaan dat dit een teken zou zijn van Zijn misnoegen, dat het juist een aanduiding is van Zijn gunst, want Hij heeft gezegd: "Ik verschijn in een wolk," Leviticus 16:2. Er is geen beter middel om ons met duistere bedelingen te verzoenen, dan te bedenken wat God gezegd heeft en een vergelijking te maken tussen Zijn woord en Zijn werk, zoals in Leviticus 10:3. "Dit is het wat de Here gesproken heeft." God is een licht, 1 Johannes 5, en Hij woont in het licht, 1 Timotheus 6:16 maar bij de mensen woont Hij in duisternis, maakt Hij haar tot Zijn tent, omdat zij het verblindend licht van Zijn heerlijkheid niet zouden kunnen dragen. Voorwaar Gij zijt een God, die zich verborgen houdt. Aldus wordt ons heilig geloof geoefend, en onze heilige vrees vermeerderd. Waar God in het licht woont wordt het geloof opgelost in aanschouwen en vrees in liefde.
2. Hijzelf heet het welkom, als alle aanneming waardig, en daar God door Zijn wolk nederkwam om bezit te nemen, spreekt hij enkele woorden om Hem bezit te geven, vers 13. Voorzeker, Ik kom, zegt God. Amen, zegt Salomo, "ja kom, Here. Het huis is het Uwe, geheel en volstrekt het Uwe, ik heb immers een huis gebouwd U ter woonstede, en het voor U gemeubileerd, het is voor altijd het Uwe, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning, het zal nooit vervreemd worden of tot een ander gebruik worden aangewend, de ark zal er nooit uit worden verwijderd, zal nooit meer zwervende zijn". Het is Salomo's blijdschap dat God bezit heeft genomen, en het is zijn begeerte dat Hij in het bezit zal blijven. Laat de priesters dus niet bevreesd zijn, voor hetgeen, waarin Salomo roemt en juicht.
II. Hij onderricht het volk en geeft hun een duidelijk bericht nopens het huis, dat zij nu door God in bezit zagen genomen. Hij sprak kort tot de priesters, om hen te overtuigen (een woord tot de wijzen), maar wendde zijn aangezicht om, vers 14, van hen naar de vergadering, die in het buitenste voorhof stond, en richtte uitvoerig het woord tot haar.
1. Hij zegende de gehele gemeente. Toen zij de donkere wolk in de tempel zagen komen, waren zij er verbaasd over, vreesden zij dat de dikke duisternis de buitenste duisternis voor hen zijn zou. Het verbazingwekkende gezicht, dat zij nooit in hun leven gezien hadden, wekte ieder hunner-naar wij kunnen onderstellen-op om te bidden, en de lichtzinnigsten werden tot ernst gestemd. Salomo stemde dus in met hun gebeden, en zegende hen allen, als gezaghebbende (want hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is) in de naam van God, hij sprak van vrede tot hen en van een zegen, zoals die, waarmee de engel Gideon zegende, toen hij bij een dergelijke gelegenheid bevreesd was, Richteren 6:22, 23. "Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven." Salomo zegende hen, dat is, stelde hen tevreden en gerust, bevrijdde hen van de ontsteltenis, die over hen was gekomen. Om deze zegen te ontvangen, stonden zij allen op ten teken van eerbied en bereidwilligheid om hem te horen en aan te nemen. Het is betamelijk die houding aan te nemen als de zegen wordt uitgesproken.
2. Hij gaf hun inlichting omtrent dit huis, dat hij gebouwd had en nu ging inwijden. Hij begint zijn verhaal met een dankbare erkenning van de goede hand zijns Gods over hem totnutoe: Geloofd zij de Here, de God Israëls, vers 15. Waar wij het genot van hebben, daar moet God de lof van hebben. Aldus wekte hij de vergadering op, om hun hart op te heffen in dankzegging aan God, hetgeen hun zou helpen om de ontroering des geestes tot bedaren te brengen, die waarschijnlijk over hen gekomen was. "Komt", zegt hij, "laat de ontzaglijke verschijningen Gods ons niet van Hem wegdrijven, maar ons tot Hem trekken laat ons de Here, de God Israëls, loven". Zo heeft Job in donkere omstandigheden de naam des Heren geloofd. Salomo loofde hier God:
a. Voor Zijn belofte, die Hij met Zijn mond tot David gesproken heeft.
b. Voor de vervulling die Hij nu met Zijn hand vervuld heeft. Wij hebben het beste, en voor God en onszelf aangenaamste, besef van Gods weldadigheden, als wij die stromen terugleiden naar de fontein van het verbond, en wat God doet vergelijken met wat Hij heeft gezegd.
Salomo doet nu een plechtige overgave van dit huis aan God, het door zijn eigen vrijwillige daad aan God afstaande. Schenkingen en overdrachten beginnen gewoonlijk met een verhaal van hetgeen tevoren gedaan werd en geleid heeft tot hetgeen nu gedaan wordt. Zo is dan hier ook een verhaal van de bijzondere oorzaken en overwegingen, die Salomo hebben bewogen dit huis te bouwen.
A. Hij verhaalt dat totnutoe zo'n plaats ontbroken heeft. Het was nodig dat dit vooraf gezegd zou worden, want volgens de bedeling waaronder zij leefden, moest er een plaats zijn waar zij moesten verwachten, dat God Zijn naam gedachtenis stichten zou. Indien er dus anderen gekozen werden, zou dit een overweldiging zijn. Maar hij toont aan uit hetgeen God zelf gezegd had, dat er geen andere was, vers 16. Ik heb geen stad verkoren om een huis te bouwen, dat Mijn naam daar wezen zou, daarom was het nodig dit te bouwen.
B. Hij verhaalt Davids voornemen om zo'n huis te bouwen. Eerst heeft God de persoon verkoren, die over Zijn volk zou heerser. Ik heb David verkoren, vers 16, en toen heeft Hij het in zijn hart gegeven, om een huis voor de naam des Heren, de God Israëls, te bouwen vers 17. Het was geen bedenksel van hemzelf, om zichzelf groot te maken, maar zijn Godvruchtige vader heeft er het eerst het plan toe gevormd, hoewel hij niet lang genoeg geleefd heeft om er de eerste steen van te leggen.
C. Hij verhaalt Gods belofte aangaande hemzelf. God heeft zijns vaders bedoeling goedgekeurd, vers 18. Gij hebt wel gedaan, dat het in uw hart geweest is. Oprechte voornemens om goed te doen zullen genadig door God goedgekeurd en aangenomen worden, al is het ook dat Zijn voorzienigheid de tenuitvoerbrenging er van voorkomt. "De wens des mensen is zijn weldadigheid." Zie 2 Corinthiers 8:12. God heeft Davids goede wil aangenomen, maar wilde hem niet toelaten het goede werk te doen, die eer heeft Hij weggelegd voor zijn zoon vers 19, die zal Mijn naam dat huis bouwen, zodat hetgeen hij gedaan heeft niet uit zijn eigen brein is voortgekomen, ook heeft hij het niet tot zijn eigen eer en heerlijkheid gedaan, maar het werk zelf was overeenkomstig het voornemen zijns vaders, en dat hij het gedaan heeft was overeenkomstig Gods aanwijzing. D. Hij verhaalt wat hij zelf gedaan heeft en met welke bedoeling. Ik heb een huls gebouwd niet voor mijn eigen naam, maar de naam des Heren, des Gods Israëls, vers 20, en ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, vers 21. Hiermede staat hij elk recht, dat hij of de zijnen op dit huis had of kon hebben, evenals op alles wat er toe behoorde, af aan God, en geeft het Hem voor altijd over. Hij is voor Zijn naam en Zijn ark. Hierin, zegt hij heeft de Here bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had. Elk goed, dat wij doen, moeten wij beschouwen als de vervulling van Gods belofte aan ons veeleer dan als de vervulling van onze belofte aan Hem. Hoe meer wij voor God doen, hoe meer wij Hem verschuldigd zijn, want onze bekwaamheid is uit God en niet uit onszelf.