Genesis 17:1-3
Hier is:
I. De tijd wanneer God aan Abram dit genaderijk bezoek gebracht heeft: toen hij negen en negentig jaar oud was, volle dertien jaren na de geboorte van Ismaël.
1. Zó veel tijd verliep er tussen Gods buitengewone verschijningen aan Abram, en al de gemeenschap, die hij met God had, was in de gewone weg van de inzettingen en leidingen van Zijn voorzienigheid. Er zijn bijzondere vertroostingen, die niet het dagelijks brood zijn, ja zelfs niet van de beste heiligen, zij worden er slechts nu en dan mee bevoorrecht. Aan deze zijde van de hemel hebben zij geschikt voedsel, maar niet altijd een feestmaal.
2. Zó lang werd de belofte van Izaak uitgesteld.
a. Misschien wel ter bestraffing van Abram wegens zijn overhaastig huwen van Hagar. De vertroostingen, waarop wij zondig vooruit lopen, worden rechtvaardig vertraagd.
b. Opdat, daar Abram en Sarai nu zo vergevorderd waren in jaren, Gods macht in deze zaak des te meer verheerlijkt en hun geloof des te meer beproefd zou worden. Zie Deuteronomium 32:36, Johannes 11:6, 15.
c. Opdat een kind, hetwelk zó lang verwacht werd, "een Izaak, in waarheid een zoon, zou wezen," Jesaja 54:1.
II. De wijze, waarop God dit verbond met hem maakte. De Heere verscheen aan Abram in de Shechina, een zichtbare tentoonspreiding van Gods heerlijke tegenwoordigheid met hem. God maakt zich eerst aan ons bekend, en geeft ons op Hem te zien door het geloof, en dan neemt Hij ons op in Zijn verbond.
III. De houding, die Abram bij deze gelegenheid heeft aangenomen. Hij viel op zijn aangezicht, terwijl God met hem sprak, vers 3. Hetzij:
1. Als iemand, die overweldigd is door de glans en de schittering van de Goddelijke heerlijkheid en niet instaat om er het gezicht van te verdragen, hoewel hij haar verscheiden malen tevoren gezien had. Daniël en Johannes hebben evenzo gedaan, hoewel ook zij bekend waren met de gezichten des Almachtigen, Daniël 8:17, 10:9, 15,. Openbaring 1:17. Of:
2. Als iemand, die beschaamd is over zichzelf, bloost bij de gedachte aan de eer, die aan iemand, zó onwaardig, aangedaan wordt. Hij ziet op zichzelf met ootmoed, en op God met eerbied, en als teken van beide gemoedsaandoeningen, valt hij op zijn aangezicht neemt hij de houding van aanbidding aan. God is zo genadig en neerbuigend vriendelijk, dat Hij spreekt met hen, met wie Hij een verbond aangaat en die Hij tot gemeenschap met zich toelaat. Hij spreekt met hen door Zijn woord, Spreuken 6:22. Hij spreekt met hen door Zijn Geest, Johannes 14:26. Deze eer hebben alle heiligen. Zij, die tot gemeenschap met God worden toegelaten, moeten zeer ootmoedig zijn en wezen en zeer eerbiedig in hun naderen tot Hem. Indien wij zeggen gemeenschap met Hem te hebben, en de gemeenzaamheid minachting teweegbrengt, dan bedriegen wij onszelf. Zij, die vertroosting willen verkrijgen van God, moeten er zich toe begeven om eer te geven aan God, en aanbidden voor de voetbank van Zijn voeten. IV. De algemene strekking en inhoud van het verbond, als grondslag waarop al het overige gebouwd moest worden, het is geen ander dan het verbond der genade, thans nog gemaakt met alle gelovigen in Jezus Christus, vers 1.
Merk hier op:
1. Wat wij kunnen verwachten, God voor ons te zullen bevinden, Ik ben God, de Almachtige. Bij deze naam wilde Hij zich aan Abram bekendmaken, veeleer dan bij Zijn naam Jehovah, Exodus 6:2. Hij gebruikte hem bij Jakob, Hoofdstuk 35:11. Zij noemden Hem bij deze naam, Hoofdstuk 28:3, 43:14, 48:3. Het is de naam van God, die door heel het boek van Job het meest gebruikt wordt, ten minste dertig maal in de redevoeringen, welke in dat boek voorkomen. Na Mozes wordt Jehova het meest gebruikt, en slechts zelden deze naam. Ik ben El-Shaddai, dit wijst op de almachtige kracht Gods, hetzij:
a. Als wreker, van---hij verwoestte, zoals de mening is van sommigen, en zij denken, dat God deze titel aannam vanwege Zijn verwoesting van de oude wereld. Dit wordt ondersteund door Jesaja 13:6, en Joël 1:15.
Of b. Als een weldoener voor---. Hij is een God, die genoeg is, of, zoals een oude Engelse overzetting het hier veelbetekenend heeft: Ik ben God de Algenoegzame. De God, met wie wij te doen hebben, is een God, die genoeg is.
a. Hij is genoeg in zichzelf, Hij is zelfgenoegzaam, Hij heeft alles en heeft niets van node.
b. Hij is genoeg voor ons, als wij in verbond met Hem zijn, wij hebben alles in Hem, genoeg om onze grootste, veelomvattendste begeerten te bevredigen, genoeg om het ontbreken van alle andere dingen te vergoeden en aan onze onsterfelijke zielen een eeuwige gelukzaligheid te verzekeren. Zie Psalm 16:5, 6, 73:25.
2. Wat God eist, dat wij voor Hem zijn zullen, het verbod is wederzijds: "Wandel voor Mijn aangezicht en wees volmaakt", dat is: eerlijk en oprecht, want hierin is het verbond der genade wel geordineerd, dat oprechtheid onze Evangelie-volmaaktheid is.
Merk op:
a. Godsdienstig te zijn is in oprechtheid voor Gods aangezicht wandelen, het is God gedurig voor ons te stellen, en in alles te denken, te spreken en te handelen als degenen die altijd onder Zijn oog zijn. Het is bij al onze handelingen voortdurend acht te geven op Zijn woord als onze regel, en op Zijn heerlijkheid als ons doel, en te allen tijde in Zijn vreze te wezen. Het is in al de plichten van de Godsverering innerlijk met Hem te wezen, want inzonderheid daarin wandelen wij voor Gods aangezicht, 1 Samuël 2:30, en in alle heilig verkeer geheel en al voor Hem te wezen. Ik ken geen Godsdienst zonder oprechtheid.
b. Dat het wandelen in oprechtheid voor Gods aangezicht de voorwaarde is van ons deelhebben aan Zijn algenoegzaamheid. Indien wij Hem veronachtzamen of geveinsd zijn bij Hem, dan verbeuren wij het voordeel en de vertroosting van onze betrekking tot Hem.
c. Een voortdurend achtslaan op Gods algenoegzaamheid zal van grote invloed zijn op ons wandelen in oprechtheid voor Zijn aangezicht.