4. En nog zult gij, nadat gij dit kleine gedeelte een tijd lang op de genoemde wijze bewaard hebt, wederom van die nemen, en niet een gering gedeelte daarvan, en gij zult die werpen in het midden des vuurs, gelijk gij boven met het eerste derde deel hebt gedaan (
Vers 2), en zult ze verbranden met vuur: daaruit zal voortkomen een vuur tegen het gehele huis van Israël 1), zo al niet tot geheel verbranden, toch een vuur des toorns en des gerichts. 1) Kort en goed verklaart Michaëlis de betekenis van de symbolische handeling, die den Profeet was opgedragen, op de volgende wijze: "Het scheermes is de Goddelijke wraak, de weegschaal is de billijkheid daarvan, de haren zijn de Joden, de verdeling de aan elk toegedeelde straffen. " Ezechiël bekleedt bij hetgeen hij doen moet, de plaats van den Heere of van Zijn werktuig, den koning van Babylonië; bij hetgeen hij met zijn hoofdhaar doet, de plaats van het volk; men kan hierbij onderscheid maken tussen het gewone volk (hoofdhaar) en den koning met de groten van zijn rijk (baardhaar), wanneer men dien zin wil vinden in
Jesaja 7:20, welke plaats aan deze handeling ten grondslag ligt. Dat de Profeet geen werkelijk scheermes tot het afscheren van zijn haar moet nemen, (de Lutherse vertaling heeft: "een zwaard, scherp als een scheermes), maar een zwaard, scherp als een scheermes, heeft daarin zijn reden, dat, wat met haar bedoeld is, gedeeltelijk voor het zwaard heen in ballingschap zal gaan, zo als dan ook aan het slot van
Vers 2 de aanbevolene handeling reeds in het mededelen van hare betekenis overgaat. Men heeft betwijfeld of Ezechiël deze handeling ook werkelijk en metterdaad heeft moeten verrichten; "zich met een zwaard scheren aan hoofd en baard, zodat in `t geheel gene haren overbleven, is zeker een zeer moeilijk werk-merkt Hengstenberg op-vooral voor een man, bij wien het inwendige op den voorgrond staat, en die voor zulke handelingen gewoonlijk niet geschikt is; en dan zou de zaak bij de uitvoering belachelijk worden, de onrustige indruk zou op den achtergrond geraken. " Dat laatste is waar van het standpunt van den tegenwoordigen tijd, voor ons, die in ons nuchtere Westen zulke symbolische tekenen niet verdragen. Anders is het reeds bijv. bij de negers in Afrika. Wanneer daar een bekeerde de woorden (
Lukas 15:14) van den verloren zoon mededeelt: "als hij het alles verteerd had, " strijkt hij met de vlakke rechterhand over de vlakke linkerhand, om zinnebeeldig uit te drukken: alles was nu weg, als door den wind weggevaagd. " En nu herinnere men zich, hoezeer bij Israël het symbolische in de profetie behoefte was-zozeer, dat ook valse profeten, wat zij wilden voorzeggen, uiterlijk belichaamden, zonder bij de keuze hunner tekenen te vragen, of zij zich volgens de begrippen van onzen modernen tijd daarmee belachelijk zouden maken en aan spot zouden blootstellen. Wanneer het teken maar vol uit uitdrukking was en betekenis had, deden zij naar de begrippen hunner tijdgenoten de zaak goed (
1 Koningen 22:11). En wat de moeilijkheid van het werk, dat aan Ezechiël was opgedragen, aangaat, en de onhandigheid en zulk enen man voor dergelijke handelingen-nu, die het hem bevolen heeft, zal hem ook wel de uitvoering hebben laten gelukken, zonder dat hij zich hoofd en kin daarbij moest ontvlesen; wanneer hier van een eigen inval sprake was, zouden ook wij de zaak zeer bedenkelijk vinden. Wat zou het daarentegen hebben gebaat, wanneer, zo als men meent te moeten aannemen, de handeling alleen ene inwendige gebeurtenis had moeten zijn, zodat de Profeet, die in den geest of in geestverrukking had verricht, en naderhand aan zijn volk had verhaald? Vooreerst zou hij volgens
Hoofdstuk 3:26 niet spreken, en ten tweede maakt een later verhalen ook geen indruk; maar wel maakt juist ene zo moeilijke, door enen in uitwendige dingen zo onhandigen man, aan zijn lichaam volbrachte handeling, wanneer die geschikt en op ene door geen anderen uit te voeren wijze volbracht werd, dadelijk den indruk, dat hier Gods hand in het spel was, dat de hand des Heeren over den Profeet was gekomen (
Hoofdstuk 3:22). Wij verenigen ons dus volkomen met hetgeen Kliefoth zegt: Ene veelbetekenende handeling, zonder daarbij te spreken, moet worden gedaan, opdat zij aan degenen, die haar aanschouwen, iets tone. Wat zou een teken baten, wanneer het niet werd volbracht? Er was bij het teken op gedoeld, dat het moest worden gedaan; en het is ook gedaan, hoewel de tekst dit niet uitdrukkelijk uitspreekt, daar het bij ene door God bevolene zaak van zelf spreekt.
Zeker heeft het zijne moeilijkheid, want God vordert soms zware dingen van Zijne dienaren; maar Hij helpt hen den ook, en in Hoofdstuk 3:26, 4:8 belooft Hij den ook in `t bijzonder deze hulp. Wat de drie delen aangaat, in welke de Profeet het afgesneden haar moet verdelen en met ieder op bijzondere wijze moet handelen, zo kunnen wij ook hierbij denzelfden uitlegger volgen. gelijk Ezechiël een derde deel zijner haren verbrandt op den steen. die het belegerde Jeruzalem voorstelt, zo zal volgens Vers 12 het derde deel in het midden der belegerde stad door pest en honger omkomen. Dat de verschrikking der belegering in Vers 2 door vuur, en in Vers 12 door pest en honger worden voorgesteld, wordt eenvoudig daaruit verklaard (afgezien daarvan, dat de laatste niet gemakkelijk uitwendig konden worden voorgesteld), dat alle drie evenzeer tot de verschrikkingen ener belegering behoren. Een tweede derde deel der bewoners zal bij de uitvallen of bij de inname der ingesloten stad naar buiten vlieden, maar volgens Vers 12 door het zwaard der belegeraars vallen, juist zo als Ezechiël het tweede derde deel zijner haren om het beeld der belegerde stad strooit en dan met het zwaard slaat. Het derde deel zal wel de verschrikkingen der belegering overleven, maar God zal ze volgens vers 12 in alle winden verstrooien, even als de Profeet het laatste derde deel haren in den wind verstrooit; hij zal zijn zwaard achter hen uittrekken, gelijk Hij door Mozes gedreigd heeft" Bij Vers 3, moeten wij echter ene andere uitlegging volgen, dan die geleerde geeft; want onmogelijk kan het vuur, dat over het ganse huis Israëls zal komen, voor een reinigingsvuur gehouden worden, en daaronder dat vuur worden verstaan, dat Christus op aarde is komen aansteken (Lukas 12:49). Dat is ene onnatuurlijke en gewrongene verklaring, die niet kan gerechtvaardigd worden door een beroep op Ezechiel 6:8-10. Integendeel zijn degenen, die volgens deze plaats het zwaard ontkomen, zich onder de heidenen bekeren en naar het heilige land terugkeren, reeds aangewezen door het "weinigen in getal" in Vers 3 van ons hoofdstuk, die Ezechiël in den slip zijns mantels moet binden, en die hij als het heilige zaad of het overblijfsel, dat het gericht overleefd, moet aanwijzen. Daaruit zal na het eindigen der ballingschap volgens de profetie in Jesaja 6:13 (Jesaja is de centrale Profeet, bij wien alle zijden van de verkondiging der toekomst of reeds zijn ontvouwd of toch in kiem reeds aanwezig zijn), als uit den tronk in de aarde het nieuwe rijsje, een nieuw Israël ontspruiten. Terwijl het echter in Vers 3 vooreerst slechts naar de ideale zijde, naar Zijne Goddelijke roeping en bestemming in aanmerking komt, volgt in Vers 4 aanstonds de verdere symbolische aankondiging, hoe het met zijne werkelijke gesteldheid wezen zal. Het zal voor het grootste gedeelte een verdorven Israël zijn, rijp voor het gericht, dat in `t vuur moet worden geworpen en verbrand (Hoofdstuk 11:21 1), en daarom zal het vuur des toorns over geheel Israël komen. Alzo ligt het Israël der tien stammen, dat eigenlijk nooit uit de Assyrische ballingschap is teruggekeerd, en Juda, voor zo verre het van de toestemming, om naar het land der vaderen terug te keren, geen gebruik heeft gemaakt, maar in den vreemde is gebleven, voortaan onder het oordeel der verstoting en verharding. Wij hebben dus in Vers 4 aan dat Joodse volk te denken, dat Christus verworpen heeft, zich tegen Zijn Evangelie heeft verhard, en de tweede verwoesting van Jeruzalem heeft veroorzaakt. De gevolgen van dat vuur zijn tot het volk in Palestina beperkt gebleven, maar hebben ook het volk in de verstrooiing (de diaspora 1 Makk. 1:11) aangegrepen, zo als het nog heden ten dage is. "Dat zijn voorzeggingen, waarbij men de handen moet vouwen. " . Het vuur, waarvan op het laatst sprake is, zal geen werkelijk vuur zijn, maar nog veel wezenlijker dan dit, vuur van Gods toorn, daar hij hen tot enen vloek overgeeft en tot altijddurende gewetenskwelling. Dit vuur zal geheel Israël aangrijpen (Deuteronomium 32:22).
Zoals uit bovenstaande blijkt zijn sommigen van gevoelen, dat wat hier den Profeet bevolen is, ook door hem in werkelijkheid is vervuld. Calvijn noemt wat hier gezegd wordt, een visioen, en Keil acht het een symbolische handeling, die als in den geest doorleefd is. Wij voor ons kunnen ook ons niet met Kliefoth e. a. verenigen. Vers 2 strijdt daar tegen. Ezechiël moest toch dat haar niet verbranden in de werkelijk belegerde stad Jeruzalem, maar in de getekende op den tichelsteen.
Het is wel duidelijk, dat de Heere hier hem voorzegt, dat een derde deel der inwoners van de stad door het vuur, den pest en de hongersnood zal omkomen, een ander derde deel door het zwaard des vijands en een ander derde deel zal naar alle hoeken des winds verstrooid worden.
Van de geredden zullen echter ook nog weer door het vuur van Gods toorn vernietigd worden en betrekkelijk slechts een klein gedeelte uit den smeltkroes der beproeving te voorschijn komen.