18. En Hij, die reeds in
Vers 6, met mij sprak, en mij de maten in `t algemeen had aangegeven (
Vers 13), zei tot mij: Mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantiën des altaars, de bepalingen omtrent de inwijding die moet plaats hebben, ten dage als men het zal maken, als het zal ingericht zijn voor het doel, om brandoffer daarop te offeren en om daarop bloed te sprengen1), tot volbrenging daarvan moet het vooraf worden ingewijd.
Christus is onze altaar, alhoewel Hij geen onreinheid had, waarvan Hij moest gereinigd worden, zo heiligde Hij nochthans zichzelven, en wanneer wij aan het altaar onze harten naar God toeheiligen, om het vuur van heilige liefde altoos brandende op dezelve te houden, moeten wij toezien, dat wij gereinigd en gezuiverd zijn van de liefde der wereld en de begeerlijkheid des vleses.
Het brandofferaltaar staat in het gezicht, als het aan Ezechiël wordt getoond (Vers 13) reeds gereed. In werkelijkheid staat het nog niet, en wordt van iets toekomstigs gesproken. Hier wordt verordend aan te tonen, dat het nog eerst moet worden ingewijd; dit moet geschieden op den dag, dat het wordt opgericht en in gebruik genomen. Even als het altaar van den tabernakel, toen die gereed was voor het gebruik (Leviticus 8:11, 15, 19, 33) werd gewijd, gelijk dat bij den tempel van Salomo geschiedde (1 Koningen 8:62, 2 Kronieken 7:4, zo moest het ook hier plaats hebben; en evenals God de inwijding van het brandofferaltaar van den tabernakel, welke in Leviticus 8 geschiedde, te voren beval en regelde (Exodus 29), zo doet Hij ook hier. Een bijzonder onderscheid echter tussen, die bij Mozes en die bij Ezechiël zien wij dadelijk in het volgende vers daarin, dat tegelijk met het altaar ook Aäron en zijne zonen werden gewijd; hier is daarentegen reeds ene priesterschap aanwezig, en alleen het altaar wordt gewijd. Bovendien wordt ons in Leviticus 8:11; Exodus 29:36 gezegd; dat Mozes zijn altaar met zalf en olie zalfde; daarentegen is hier van zulk ene zalving geen sprake.
Het altaar betekent het volk; er wordt van een gemaakt worden gesproken, ook wijst de gehele inwijding op mensen, die als zodanig niets reins en heiligs vermogen.