Genesis 8:1-3
Hier is:
I. Een daad van Gods genade. God gedacht aan Noach en aan al het gedierte. Dit is een uitdrukking naar de wijze van de mensen, want niet een van Zijn schepselen, Lukas 12:6 veel minder nog een van Zijn volk, is voor God vergeten, Jesaja 49:15, 16. Maar:
1. Geheel het menselijke geslacht, behalve Noach en zijn gezin, was nu vernietigd, heengegaan naar het land van de vergetelheid om niet meer herdacht te worden, zodat Gods gedenken aan Noach het wederkeren was van Zijn barmhartigheid jegens het mensdom, waarmee Hij geen voleinding wilde maken. Er is een merkwaardige uitdrukking in Ezechiël 5:13 :"Alzo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten en Mij troosten." Aan de eis van Gods gerechtigheid werd voldaan door het verderf van deze zondaren, Hij heeft zich getroost over Zijn wederpartijders, Jesaja 1:24, en Zijn Geest doen rusten, Zacheria 6:8, en hij gedacht aan Noach en aan het gedierte. In de toorn gedacht Hij des ontfermens, Habakuk 3:2. Hij dacht aan de dagen vanouds, Jesaja 63:11, dacht aan het heilige zaad, en toen gedacht Hij aan Noach.
2. Noach zelf scheen, ofschoon hij genade had gevonden in de ogen des Heeren, in de ark vergeten te zijn. Misschien begon hij dit zelf te denken, want wij bevinden niet, dat God hem had gezegd hoe lang hij in de ark opgesloten zou zijn, en wanneer hij uit die gevangenschap bevrijd zou worden. Zeer Godvruchtige mensen waren soms geheel gereed te denken, dat zij door God waren vergeten, inzonderheid als hun beproevingen zeer smartelijk en zeer langdurig waren. Toen de vloed, nadat redelijkerwijs verwacht kon worden dat hij zijn werk volbracht had, nog zo lang bleef aanhouden, was Noach, hoewel hij een groot gelovige was, wellicht in verzoeking te vrezen, dat Hij, die hem ingesloten had, hem ingesloten zou houden, en begon hij te klagen, zeggende: Hoe lang, Heere! zult Gij mij steeds vergeten? Maar eindelijk is God in genade tot hem weergekeerd, en dat wordt uitgedrukt door aan hem gedachtig te zijn. Zij, die gedenken aan God, zullen gewis door Hem herdacht worden, hoe treurig en troosteloos hun toestand ook moge wezen, Hij zal hun een bepaling stellen en hunner gedachtig zijn, Job 14:13.
3. Met Noach gedacht God aan al het gedierte, want hoewel Zijn vermaking inzonderheid is met der mensen kinderen, verblijdt Hij zich toch in al Zijn werken, en niets van hetgeen Hij gemaakt heeft, haat Hij. Hij draagt bijzondere zorg niet slechts voor de personen van Zijn volk, maar ook voor hun bezittingen, voor hen en alles wat hun behoort. Hij verschoonde het vee in Ninevé, Jona 4:11.
II. Een daad van Gods macht over wind en water, welke geen van beide onder de macht of het bestuur zijn van de mensen, maar die beide acht geven op Zijn wenken:
Merk op:
1. Hij gebood de wind, zei tot hem: Ga en hij ging, om de vloed weg te vagen. God deed een wind over de aarde doorgaan. Zie hier:
a. Wat Gods gedenken aan Noach was: het was hem te bevrijden. Zij, die door God gedacht worden, worden met kracht van uitwerking door Hem gedacht, ten goede, Hij gedenkt aan ons om ons te redden, te behouden opdat wij zullen gedenken om Hem te dienen. b. Welk een vrijmachtige heerschappij God heeft over de wind. Hij heeft hem "in Zijn vuisten verzameld,' Spreuken 30:4, "en brengt hem uit zijn schatkamers voort,' Psalm 135:7. Hij zendt hem wanneer, en waarheen, en tot welk doeleinde Hij wil. Zelfs de stormwind doet Zijn woord, Psalm 148:8. Het schijnt dat er, terwijl de wateren toenamen, geen wind was, want die zou nog meer bijgedragen hebben tot het slingeren van de ark, maar God zond een wind, toen daar geen hinder uit ontstond. Waarschijnlijk was het een noordenwind, want die verdrijft de regen. Maar het was een opdrogende wind, zoals die welke God zond om de Rode Zee te klieven voor Israël, Exodus 14:21.
2. Hij riep de wateren terug, en zei tot hen: Komt, en zij kwamen.
a. Hij nam de oorzaak weg. Hij verzegelde de fonteinen dier wateren, de fonteinen des afgronds en de sluizen des hemels. Gelijk God een sleutel heeft om te openen, zo heeft Hij een sleutel om weer te sluiten, en dezelfde hand, die de verwoesting brengt, moet ook de verlossing brengen, op die hand moet daarom steeds ons oog gericht zijn. Hij, die doorwondt, is alleen machtig te helen, zie Job 12:14, 15. Als de beproevingen het werk gedaan hebben, waartoe zij waren gezonden, hetzij werk ter doding of ter genezing, dan worden zij weggenomen. Gods woord zal niet ledig tot Hem wederkeren, Jesaja 55:10,11.
b. Toen hield de uitwerking op, niet plotseling, of opeens, maar trapsgewijze. De wateren werden stil, vers 1, keerden weer van boven de aarde, vers 3, gaande en wederkerende zoals de Hebreeuwse tekst luidt, hetgeen een trapsgewijs heengaan aanduidt. De hitte van de zon deed veel verdampen, en door de onderaardse holen werd misschien nog meer opgezogen. Gelijk de aarde niet in een dag onder het water bedolven werd, zo was zij ook niet in een dag opgedroogd. Bij de schepping was het slechts het werk van een dag, om de aarde te bevrijden van de wateren, die haar bedekten, en haar tot droog land te maken, ja het was het werk van slechts een halve dag Hoofdstuk 1:9, 10. Maar het werk van de schepping volbracht zijnde, werd dit werk van de voorzienigheid ten uitvoer gebracht door de meewerkende invloed van ondergeschikte oorzaken, onder de aandrang van de almachtige kracht Gods. Gewoonlijk werkt God de verlossing Zijns volks trapsgewijze, opdat de dag van de kleine dingen niet veracht worde, en aan de dag van de grote dingen niet worde gewanhoopt, Zacheria 4:10. Zie Spreuken 4:18.