21. Alzo hebt gij weer opgehaald, zijt gij weer vervallen in de schandelijke daad uwer Jeugd, als die van Egypte uwe tepelen betastten, vanwege de borsten uwer jeugd.
In de eerste plaats is sprake van Oholiba's schuld. De schandelijke handelwijze van Ohola, ook afgezien van de Goddelijke wraak, die haar daarom had getroffen, had haar reeds met diepen afkeer moeten vervullen; in plaats daarvan maakte zij het nog erger en bleef zij niet staan bij degenen, die nabij waren, maar zond ook tot de verwijderden.
Juda moet reeds daarom veel erger worden, wanneer het zich niet door Israëls straf liet afschrikken, omdat het zoveel meer genade tot tegenstand misbruikte. of ten minste niet gebruikte.
Aan Menahem behaagde de Assyrische vriendschap toen Pul kwam; hij bekeerde zich niet tot den God zijner vaderen (2 Koningen 15:19). Toen echter Pekah en Rezin tegen Juda kwamen, wilde Achaz het op de macht en belofte Gods niet laten aankomen, hij wilde op Zijne genade en belofte niet vertrouwen, al had God hem door den Profeet Jesaja vrijheid gegeven tot verzekering van Zijne hulp, om een wonderteken te vragen (Jesaja 7:1), maar hij zond boden tot Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrië, en liet hem zeggen: "ik ben uw knecht en uw zoon" (2 Koningen 16:7). Dus is de hoererij van Jeruzalem reeds in den Assyrischen tijd (Vers 12 vv.) erger en schandelijker dan de hoererij van Samaria; want God heeft niemand tot Menahem gezonden, die hem de welvaart en de bewaring van het rijk verzekerde, gelijk Jesaja tot Achaz werd gezonden en hem in den naam van God de vrije keuze liet, welk teken hij wilde eisen. Oholiba-Jerazalem in werken van trouweloosheid en ontucht nog boven de oudere zuster. Het was niet genoeg, dat zij, met haar éénen weg gaande, zich door de schoonheid der statelijke Assyriërs liet medeslepen. Zij wijdde ook hare blikken aan de bekoorlijke beelden der heerlijk opgetooide Chaldeën, die aan den wand waren geschilderd, en stelde zich met Babels zonen in verbintenis, dat deze tot hen kwamen, en zij zich nu met hen in de onbeschaamden ontucht verontreinigde.
Met de Assyriërs was het in `t algemeen hetzelfde geval geweest, als bij Samaria. Zij waren, evenals het rijk van Israël, zo ook het rijk van Juda werkelijk nabij genomen. Ten opzichte echter van de Chaldeën ontstond de betrekking tot deze door middel van beelden, die Juda zag.
De Profeet bedoelt duidelijk beelden van krijgslieden, edele krijgslieden of ridders; zij zijn omgord met den krijgsgordel (Jesaja 5:27), en hun hoofd is met dat eigenaardig hoofddeksel getooid, waarvan Herodotus (I 195) ook bij de Babyloniërs melding maakt, die hoge mutsen, welke ook op de gedenktekenen voorkomen. Zulke krijgshaftige gedaanten worden op de wanden der Babylonische paleizen voorgesteld. Zij maken reeds indruk door de edele krijgshaftige gedaante en houding, en hebben ene bijzondere bekoorlijkheid, ene eigenaardige aantrekkingskracht, voor hen door hun verheven, kolossaal en groots karakter. Voor zulke rijk fantastische voorstellingen bezweek het wankelmoedige en afvallige verbondsvolk.
Het zien van de beeltenissen der Chaldeën door de Joden was mogelijk door het verkeer, dat van Jona's tijden af tussen Palestina en de grote steden tussen den Eufraat en den Tiger plaats vond. Vooral in Hizkia's tijden werden er door mededelingen en geruchten bepaalde voorstellingen van de Chaldeën gevormd, als van ene macht, die zich moedig verhief en tot grote dingen geroepen was door hare dapperheid. Hizkia liet ten minste zijne gedachten en verwachtingen, dat het hem met hulp van deze macht zou gelukken, zich van de Assyrische opperheerschappij vrij te maken (2 Koningen 18:16) naar Chaldea gaan. Van ene werkelijke boodschap wordt ons niet gemeld. In 2 Koningen 20:12, en Jesaja 39:1, vinden wij zelfs ene voorstelling, alsof een aanknopen van wederkerige verbintenissen van de Chaldeën zou zijn uitgegaan. Voor de profetische bestraffing zijn deze gedachten en verwachtingen zo goed als een aanzoek doen, zo goed alsof die door eigenlijke gezanten ware beproefd. Hier is dezelfde maatstaf van beoordeling als bij het woord van Christus in Mattheus 5:28 : "die ene rouw aanziet om haar te begeren, die heeft reeds overspel in zijn hart met haar gedaan. " Zo zijn ook, wat de zaak aangaat, de geschilderde mannen aan den wand meer fantasiebeelden, dan dat men die beelden werkelijk voor zich zou hebben gehad. Zo wordt men heden `t meest verliefd op hetgeen niets is; want wat is al onze eer, weelde, uiterlijke welvaart, onze adel, grootheid, heerlijkheid, onze kracht en sterkte anders dan een beeld, waaraan gene werkelijkheid is.
Onder den vromen zoon van den goddelozen Achaz wordt Jeruzalems fantasie zozeer opgewekt door de Babylonisch-Chaldeeuwsche macht, welke evenals Juda afhankelijk van Assur was, dat zelfs Hizkia voor de verleiding bezweek. Het zwaartepunt der wereldmacht scheen zich nu van Nineve naar Babylon te neigen. Wat Jesaja reeds toen aan Hizkia voorspelde tot bekoeling zijner vleselijke verwachtingen bevestigt Ezechiël. De Chaldeën, nadat zij in vereniging met de Meden, Nineve hadden verwoest (2 Koningen 20:12, 22:2), kwamen voor Juda, gelijk in `t algemeen, in de plaats der Assyriërs.
De Profeet leidt ons nu in de symbolische ontsluiering zijner rede tot dien tijd, dat hij zelf met een gedeelte zijns volks de straf der Chaldeeuwse gevangenschap moest ondervinden (2 Koningen 24:16). Ondanks die kastijding bedrijft Oholiba-Jeruzalem op nieuw haar overspel; de oude geneigdheid tot het vleselijk Egypte ontwaakt, waaraan zij zich reeds in hare jeugd wellustig overgaf.
De plotselinge overgang tot het woord, zoals het in Vers 21 voorkomt, wordt daaruit verklaard, dat de Profeet hier in werkelijkheid van den tegenwoordigen tijd voor zich heeft. De woorden: "als die van Egypte uwe tepelen betastten van wege de borsten uwer jeugd, " zien op het zoeken der Egyptenaren, om het volk in zijne eerste beginselen in den Egyptischen aard mede in te trekken, en het zo te nationaliseren, pogingen, tot welke de jeugdige bloei van het volk aanleiding gaf. Dat dergelijke pogingen aan de wrede maatregelen, van welke de geschiedenis bericht, voorafgingen, daaraan mogen wij niet twijfelen; het licht in den aard der zaak.