5. Door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich van wege uw vermogen; de grote voorspoed in tijdelijke en aardse dingen heeft u zo verblind, dat gij werelds verstand met Goddelijke wijsheid verwart.
De stad Tyrus had zich in de plaats van Jeruzalem begeren te stellen en sprak bij den ondergang: "Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend: en zal vervuld worden, zij is verwoest" (Hoofdstuk 26:2). Daarom had de Profeet zijne strafrede en dreigingen tegen haar moeten richten. Op dezelfde wijze matigde zich ook de vorst van Tyrus aan wat aan het Davidische koningshuis in Jeruzalem, van welks vernietiging in Hoofdstuk 17 en 19 sprake was, toekwam. Alzo mocht van de dreigende voorzegging tegen de stad en de weeklacht om haar in Hoofdstuk 26, 27 iets dergelijks ten opzichte van den vorst niet ontbreken (Vers 1-10, 11-19). De hoogmoed van Tyrus was vooral in zijnen vorst zichtbaar; hij moest als de concentratie, het toppunt daarvan worden aangezien en de zaak, waarover bij de stad werd gehandeld, was zo lang niet geheel en al afgedaan, als ook niet met den vorst was afgehandeld. Het is zeer juist wat Schmieder in v. Gerlachs Bijbelwerk opmerkt: "De koning van Tyrus (Vers 12) overtreft in zelfvergoding de koningin der zee nog verre. Tyrus verhovaardigt zich in vrouwelijke ijdelheid, alsof zij de stad Gods ware (Hoofdstuk 27:3 #Eze); haar koning verheft zich in trotsen waan, als ware hij zelf de schepper dezer heerlijkheid, de god, die Tyrus tot koningin heeft gesteld (Vers 2). Hij is de Adam voor deze Eva. " Maar wanneer deze zelfde verder beweert, dat de koning van Tyrus een typisch beeld is van den mens der zonde, van welken Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:3, spreekt, dan heeft zonder twijfel Coccejus juister gezien, die daarentegen aan den paus denkt. Dat Tyrus in Hoofdstuk 27:4, onder het beeld van een schip, dat ook symbool der kerk is, werd voorgesteld, en dat de weeklacht van Openbaring 8 wederkeert, waar wij naar den gehelen zamenhang alleen aan de Rooms Katholieke Kerk kunnen denken, die zich tot de kerk heeft gemaakt en in de zogenaamde koningin des hemels haar eigen beeld heeft geschilderd, het beeld van hetgeen zij zelf zegt te zijn, voert consequent daartoe, in den vorst van Tyrus het opperhoofd dezer kerk weer te zien, hem, die als het ware de man van haar wil zijn, en het werkelijk nu geheel en al daartoe heeft gebracht, dat het ten opzichte van zijne verhouding tot de kerk heet: "de man is het hoofd der vrouw, de vrouw zij haren man onderdanig. " Tot deze opvatting geeft ons ook de uitdrukking recht, die in den grondtekst voor "vorst" wordt gebruikt. Deze is het "nagid", dat wij in Daniël 9:25 van Christus vinden en dat niet zozeer een eigenlijken koning op de wijze van een koning of keizer, dan dat het enen regeerder op de wijze van enen Doge of het hoofd ener grote handels-aristokratie voorstelt, zoals ook David door God tot nagid over Zijn volk gesteld was, d. i. tot leidsman der 12 stammen, die ene zelfstandige gemeente vormden (1 Samuël 13:14. 2 Samuël 7:8 Terwijl in de voorzeggingen, welke van Hoofdstuk 29 af volgen tegen Egypte en zijne Farao's, die tegen den koning aan die tegen het land voorafgaan, heeft bij de voorzeggingen tegen den staat Tyrus en de bestuurders van deze de omgekeerde orde plaats, waarin zeker de eigenaardige plaats voor den dag moet treden, welke de vorst innam in dien handelsstaat, die naar stedelijke grondstellingen was ingericht. Terwijl die toestand als tegenbeeld alleen in waarheid met die overeenkomt, welke in de tot enen zichtbaren godsstaat gemaakte kerk met volledig ontwikkelde hiërarchie het toppunt der laatste uitmaakt, met den paus, komt daarentegen de stand van den toekomstigen Antichrist in zijn wereldrijk met die van enen Faraö in Egypte of van een Nebubadnezar in Babylon overeen. De woorden, welke den vorst van Tyrus in den mond gelegd worden: "Ik ben God; ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeën, " mogen ons omtrent dit inzicht in de typische betekenis onzer afdeling niet op een dwaalspoor brengen en daarom, omdat van den mens der zonde bij Paulus (2 Thessalonicenzen 2:4) iets dergelijks gezegd wordt: "die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd of als God geëerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zich zelven vertonende, dat hij God is, " mogen wij niet dadelijk menen, dat wij bij dien vorst met een typisch beeld van dezen mens der zonde zouden te doen hebben. Evenals tussen Tyrus in Hoofdstuk 26, 27 en Babylon ene zo grote verwantschap plaats vindt, dat in Openbaring 8 in plaats van Tyrus zonder meer het grote Babel wordt gesteld, zo heeft ook de vorst van Tyrus ene maar al te grote verwantschap met den koning van Babylon, en spreekt hij reeds geheel dezelfde taal, al is het ook nog met op zich zelf Christelijke waarheden en Goddelijke uitspraken vermengd, welke hij op schandelijke wijze verminkt en in leugen verkeerd heeft, terwijl degene, die na hem komt, zich zonder blanketsel de heerlijkheid Gods aanmatigt en zich duidelijk als de Boze openbaart. Het is opmerkelijk, dat de vorst van Tyrus spreekt: "Ik ben God, en zit in Godes stoel, in het hart der zeeën. " Hij heeft dus aan de ene zijde van zich zelven, aan de andere zijde van zijne woonplaats ene grote gedachte, en wel rust de grote mening van zich zelven, dat hij zich enen God waagt te noemen, op de grote gedachte van zijne woonplaats, dat deze een zetel Gods, een berg Gods is (Vers 14, 16). Bij de Heidense schrijvers namelijk wordt Tyrus de heilige stad en het eiland, waarop zij gebouwd is, het heilig eiland genoemd. De beide oorspronkelijk naakte rotsen, die dat vormden, beschouwde het verhaal als woonplaatsen der goden en noemde ze daarom de Ambrosynsche rotsen; het berichtte ook hoe deze vroeger vrij in de open zee ronddrijvende, op eens wonderbaar vast zijn geraakt en door Melkarth (den Tyrischen Herkules) tot de plaatsen van zijn heiligdom en van dat zijner geliefde Astarte zijn gemaakt. Hierop grondt zich het trotse zelfbewustzijn van den vorst. Was zijn staat, dien hij bestuurde, of de troon, op welken hij zat, volgens de mening des volks een godenzetel of godesberg, dan was hij zelf een god of de incarnatie der godheid, die in den staat Tyrus haar werk en hare woonplaats bezit, en nu noemden zich deze vorsten gaarne, zoals reeds vroeger is meegedeeld: Ithobaäl, d. i. met hem is God. Wij verkrijgen dus steeds meer van het typische voor Rome in den kerkgeschiedkundigen zin, volgens welken het de zetel van den vorst der apostelen, de bisschopszetel van Petrus moet zijn. Juist op de heiligheid van zijnen zetel als enen berg Gods, de voorgewende cathedra Petri grondt toch de Roomse paus zijne aanspraak op onfeilbaarheid. Daar zit hij midden in de zee, op vele wateren, zoals in Openbaring 7:1 wordt gezegd en wil hij geestelijk de volken beheersen, waarbij het tevens van grote betekenis is, dat hij zoveel van scharlaken houdt (Openbaring 7:4), en er ons alzo zelf op wijst, dat zijne kerk hare type in Tyrus en hij de zijne in den vorst van Tyrus heeft, want scharlaken, eigenlijk sarlacca is het Sarranische of Tyrische rood (in het Fenicisch heet Tyrus Sarra) In Vers 3, wordt gesproken van Daniëls wijsheid, die waarlijk goddelijk was, ook het verborgene navorste en op de moeilijkste vragen onbedrieglijk antwoord gaf. Deze wijsheid, zo meent Tyrus' vorst is nog niet zo groot als die, welke hij zelf meent te bezitten en dan komen hem als bewijs voor dat bezit, die voorspoed op het gebied van handel voor, welken Tyrus bereikt heeft, terwijl het zo machtig en rijk is geworden, want hij is het toch, die, hetgeen Tyrus doet en onderneemt, leidt en deze werkzaamheden zo inricht en in zulk een geregelden zamenhang tot elkaar brengt, dat zij hun doel niet kunnen missen. Maar zulk ene wijsheid is niets dan de slimheid van de kinderen dezer wereld, die alle goederen der aarde voor zich weet te winnen. Zo heeft dan ook de pauselijke stoel wel slimheid van dien aard genoeg aan den dag gelegd en het drukkende zijner macht overal doen gevoelen, maar van Gods geheimen is zo weinig bij hem, dat het ex cathedra Petri gesprokene van de Goddelijke waarheid steeds verder afvoert en in de bedrieglijke beelden der menselijke fantasie dieper invoert, zoals bijvoorbeeld de geloofsstelling van de onbevlekte ontvangenis van Maria en zoveel in de vaticaanse decreten bewijst.