2. Mensenkind! daarom dat Tyrus op zijn eiland in de Middellandse zee (
Jozua 11:8) van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! (
Hoofdstuk 25:3), zij is verbroken, de poort der volken; Jeruzalem heeft nu het recht verloren de hoofdplaats voor het verkeer der volken te zijn; zij is tot Mij omgewend; voortaan zal mij die ere ten dele zijn. Ik zal vervuld worden met rijkdom en macht, zij is verwoest 1)! die mijne mededingster was staat nu niet meer in den weg.
1) Heimelijk vermaak te hebben in den dood of het verval van anderen, wanneer wij schijnen daarbij te zullen winnen, is ene zonde, die ons lichtelijk bekruipt, doch die men niet denkt zulk een groot en God tergend kwaad te zijn, als zij inderdaad is. Wij zijn gereed om te zeggen, wanneer die, welke ons in het licht staan, of ons in den weg zijn, weggeruimd worden, wanneer zij breken of in ongenade vallen, zullen wij vervuld worden, nu zij verwoest zijn. Maar dit komt voort uit een zelfzuchtig, begeerlijk grondbeginsel, en uit ene begeerte, om alleen in het midden der aarde geplaatst te worden, of als wij benijden dat iemand bij ons zou wonen. Dit komt voort uit gebrek aan liefde tot onzen naasten, als ons zelven, welke Gods wet zo uitdrukkelijk eist, en uit die ongeregelde liefde der wereld, als ons geluk, welke de liefde van God zo uitdrukkelijk verbiedt. En het is recht bij God, te blazen in de oogmerken en de ontwerpen van diegenen, die steeds bedenken om zich zelf te verheffen op de puinhopen van anderen; en wij zien dat zij dikwijls teleur gesteld worden.