Ezechiël 28:11-19
Evenals na de voorspelling van de verwoesting van Tyrus, Hoofdstuk 26, een treffende klaagzang volgde, Hoofdstuk 27, zo wordt ook de dood van de koning van Tyrus, na de voorspelling, beweend.
I. Gewoonlijk past men het toe op de vorst, die toen over Tyrus regeerde, die toegesproken wordt in vers 2. Zijn naam was Ethbaal, of Ithobalus, zoals Dioderus Siculus hem noemt, die koning van Tyrus was, toen Nebukadnezar het verwoestte. Het schijnt, dat hij een man was, die in elk opzicht uitmuntte, zeer groot en beroemd, maar zijn ongerechtigheid was zijn ondergang. Vele uitleggers hebben verondersteld, dat, behalve de letterlijke zin van deze treurzang, hij tevens een allegorie is, en dat hij een toespeling is op de val van de engelen, die gezondigd hadden, en die zichzelf door hun trots teniet deden. En, zoals gewoonlijk in teksten, die een mystieke betekenis hebben, wijzen sommige passages hier op de koning van Tyrus, als die van haar koopwaar, andere op de engelen die op Gods heilige berg zijn. Maar, als er iets mystieks in is (wat misschien het geval is), dan zou ik er eer een toespeling in zien op de val van Adam, waar vers 13 aan denken doet: Gij waart in Eden, Gods hof, ten dage als gij geschapen werdt.
II. Sommigen menen, dat met de koning van Tyrus de hele koninklijke familie bedoeld wordt, ook de vroegere koningen inbegrepen, tot Hiram, de koning van Tyrus toe. De toenmalige heerser wordt vorst genoemd, vers 2, maar die hier betreurd wordt, wordt koning genoemd. Het hof van Tyrus met zijn koningen was vele eeuwen lang beroemd geweest, maar de zonde verdierf het. Nu kunnen wij hier twee dingen opmerken:
1. Waarin de roem van de koning van Tyrus bestond. Hier wordt van hem gesproken, als van één, die in grote pracht geleefd heeft, vers 12-15. Hij was een mens, maar hier wordt erkend, dat hij een man van grote betekenis was, en een, die in zijn tijd grote naam maakte.
a. Hij overtrof anderen ver. Van Hiram en andere koningen van Tyrus geldt hetzelfde, en de regerende koning stond misschien bij geen van hen achter. "Gij verzegelaar van de som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid." Beide, de vermogens van de menselijke natuur en de voorspoed van het menselijk leven, schenen in hem het toppunt te hebben bereikt. Men beschouwde hem als zo wijs als het menselijk verstand hem maken kon, en zo gelukkig als de rijkdom en de genietingen van deze wereld hem konden maken, aan hem kon men zien, hoever die beide konden gaan, en daarom, "verzegel de som," want er kan niets aan toegevoegd worden, hij is een volkomen man, volmaakt (in suo genere-)in zijn soort.
b. Hij scheen zo wijs en gelukkig te zijn, als Adam in de staat van de onschuld, vers 13 :"Gij waart in Eden, ja in Gods hof, gij hebt uw gehele leven als `t ware in `t paradijs gewoond, gij hebt ten volle genoten van al wat begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze is, en de onbetwiste heerschappij over allen, die bij u waren, evenals Adam." Een voorbeeld van de pracht van de koning van Tyrus is, dat hij alle andere vorsten in juwelen overtrof, waarvan de meeste hebben zij, die de grootste buitenlandse handel hebben, waartoe hij behoorde: "Alle kostelijk gesteente was uw deksel." Er zijn zeer veel soorten van kostelijke stenen, maar hij bezat alle soorten, en in zo'n overvloed, dat zijn kleding er mee bezet was, behalve die hij bij zijn schatten bewaarde, en, die zijn kroon versierden. Ja, vers 14 :hij wandelde in het midden van de vurige stenen, dat is: van de kostelijke stenen, die glinsterden en vonkelden als vuur. Zijn kamers waren in zekere zin afgezet met juwelen, zodat hij te midden ervan wandelde en verbeeldde zich dan, dat zijn heerlijkheid zo groot was, alsof hij, evenals God, omringd was door zoveel engelen, die vergeleken werden met "een vlam des vuurs." En als hij zo'n bewonderaar is van kostelijke stenen, dat hij ze even schitterend vindt als engelen, dan is het geen wonder, dat hij zo'n bewonderaar van zich zelf is, dat hij zich even groot als God waant. Negen verschillende soorten van kostelijke stenen worden hier genoemd, die alle op de efod des hogepriesters waren. Misschien worden zij met name genoemd, omdat hij, in zijn trots, gewoon was, er in `t bijzonder over te spreken, en er een dwaas genoegen in vond, tot zijn hovelingen te zeggen: De waarde van deze kostelijke steen is zo en zo groot, en dat zijn zijn deugden. Daarom wordt hem zijn ijdelheid verweten. Goud wordt het laatst vermeld, als van veel minder waarde dan die kostelijke stenen, en in die geest sprak hij er over. Iets anders, dat hem zijn paleis als een paradijs deed beschouwen was de eigenaardige muziek, die hij er op na hield, de trommels en pijpen, slag- en blaasinstrumenten. Het werk er van was iets buitengewoons, en zij waren opzettelijk voor hem gemaakt. Zij werden gemaakt "ten dage als hij geschapen werd," dit is of geboren, of koning gemaakt, zij werden opzettelijk gemaakt, om of zijn geboorte, of zijn kroningsdag te vieren. Hij was er zeer trots op en liet ze zien aan ieder, die hem in zijn paleis bezocht.
c. Hij zag er uit als een vleesgeworden engel, vers 14 :Gij waart een gezalfde overdekkende Cherub, dat is: hij beschouwde zich als de beschermengel van zijn volk, zo schitterend, zo sterk, zo getrouw, tot dit ambt aangesteld en bekwaam gemaakt. Gezalfde koningen behoren voor hun onderdanen gezalfde Cherubim te zijn, die hen met de vleugels hunner macht overdekken, en als zij dat zijn, dan zal God ze erkennen. Hun bevordering was van Hem: Ik had u alzo gezet. Sommigen menen, omdat er melding wordt gemaakt van Eden, dat dit een toespeling is op de Cherub, die tegen het oosten van Eden gesteld werd om de hof te bewaren, Genesis 3:24. Hij meende evengoed in staat te zijn om zijn stad tegen alle aanvallers te beschermen als die engel om zijn last uit te voeren. Het kan ook wijzen op de Cherubim in het heilige van de heiligen, wier vleugels de ark bedekten, hij vond zichzelf even schitterend als een van die.
d. Hij verscheen in dezelfde pracht als de hogepriester, wanneer hij bekleed was met zijn heerlijke en schone klederen: "Gij waart op Gods heilige berg als hogepriester van de tempel op die berg gebouwd, gij zaagt er uit even groot, en met evenveel majesteit en gezag bekleed, als de hogepriester, wanneer hij in de tempel wandelde die met kostelijke stenen overtogen was", 2 Kronieken 3:6, en zijn kleed aan had, waarop kostelijke stenen waren beide op de borst en op de schouders, daarin scheen hij te wandelen te midden van de vurige stenen. Zo heerlijk is de koning van Tyrus, ten minste dat denkt hij zelf.
2. Laat ons nu zien, wat de ondergang van de koning van Tyrus was, wat het was, dat zijn heerlijkheid bezoedelde en al zijn eer in het stof wierp, vers 15 :Gij waart volkomen in uw wegen, gij waart voorspoedig in al uw wegen en in alles ging het u goed, gij hadt niet alleen een onbevlekten, maar ook een schitterenden naam, van de dag af, dat gij geschapen zijt, de dag van uw troonsbestijging, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is, en dat bedierf alles. Dit is misschien een toespeling op het beklagenswaardig lot van de gevallen engelen, en van onze eerste ouders, die beide volkomen in hun wegen waren, totdat er ongerechtigheid in hen gevonden is. En toen er eenmaal ongerechtigheid in hem gevonden werd, nam zij toe, hij werd erger en erger, zoals blijkt, vers 18 :Gij hebt uw heiligdommen ontheiligd, gij hebt de weldaad verloren van al, wat gij heilig hieldt, en waarin gij, als in een heiligdom, een toevlucht dacht te vinden, gij hebt ze ontheiligd en aldus u zelf bloot gegeven vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden. Zie hier, A. Wat de ongerechtigheid was, die de ondergang was van de koning van Tyrus.
a. De ongerechtigheid van zijn koophandel (zo wordt het genoemd in vers 18), beide die van hem en van zijn volk, want hun zonde wordt hem ten laste gelegd, omdat hij ze door de vingers zag en hun een slecht voorbeeld gaf vers 16 :Door de veelheid van uw koophandel hebben zij het midden van u met geweld vervuld en aldus hebt gij gezondigd De koning had het zo druk met zijn koophandel, en legde zich zozeer toe op het maken van winst daarmee, dat hij geen tijd had om recht te doen, die onrecht leden, in hun recht te herstellen en hen tegen geweld te beschermen, ja, bij de veelheid van de bezigheden, werd menigeen onrecht gedaan bij vergissing, en in zijn handelingen maakte hij gebruik van zijn macht om inbreuk te maken op de rechten van hen, met wie hij handelde. Die veel in de wereld te doen hebben, zijn in groot gevaar veel verkeerds te doen, en het is moeilijk, als men met velen te doen heeft, niet soms iemand onrecht te doen. De handel wordt een mysterie genoemd, en maar al te velen maken er een mysterie van ongerechtigheid van.
b. Zijn trotse ijdelheid, vers 17 :Uw hart verheft zich over uw schoonheid, gij waart verliefd op u zelf en op uw schaduw. En aldus hebt gij uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans, de pracht en praal, waarin gij leeft. Hij zag er zo vaak naar, dat het zijn ogen verblindde en hem verhinderde de weg te zien, die hij bewandelde. Het bleek, dat hij zo opgeblazen was door zijn grootheid, dat die hem beroofde van zijn wijsheid en van zijn roem, die hij daaraan ontleende. Hij was inderdaad roemende onwijs geworden. Een slechte koop sluiten zij, die afstand doen van hun wijsheid ter voldoening aan hun vrolijkheid, en een werkelijke uitnemendheid verliezen, om hun ijdelheid te voldoen.
B. Wat die ondergang was, waartoe zijn ongerechtigheid hem bracht.
a. Hij werd van zijn troon geworpen en zijn paleis werd hem ontnomen, dat hij voor zijn paradijs en tempel hield, vers 16 :Ik zal u ontheiligen van Gods berg. Zijn koninklijke macht was hoog als een berg, daar zij hem ver boven anderen plaatste, het was Gods berg, want de bestaande machten zijn van God verordineerd, en dus is er iets heiligs in, maar, daar hij zijn macht misbruikte wordt hij als onheilig beschouwd en wordt daarom afgezet en verdreven. Hij onteert de kroon, die hij draagt, en daarom heeft hij die verbeurd, en zal uitgeroeid worden uit het midden van de vurige stenen, de kostelijke stenen, waarmee zijn paleis bezet was, evenals de tempel, en zij zullen hem niet beschermen.
b. Hij werd blootgesteld aan schande en aan verachting, en door zijn buren mishandeld: Ik heb u heengeworpen op de aarde, vers 17, Ik zal u uit het midden van uw kostelijke stenen op de straatstenen werpen. Ik heb u, als een akelig schouwspel, voor het aangezicht van de koningen gesteld, om op u te zien, opdat zij zich aan u spiegelen en niet trots zijn en geen onderdrukkers.
c. Hij werd geheel verdaan, zijn stad en hij daarmee: Ik heb een vuur uit het midden van u doen voortkomen. Als de overwinnaars de stad geplunderd hebben, zullen zij een vuur aansteken in het hart er van, dat haar en in `t bijzonder het paleis in de as zal leggen. Men kan het ook opvatten als het vuur van Gods oordelen, dat beide vorst en volk zal verteren en de heerlijkheid van beide tot as op de aarde maken zal, en dit vuur zal voortkomen uit het midden van u. Alle Gods oordelen over de zondaars vinden hun oorsprong in de zondaars zelf, zij worden verteerd door een vuur, dat zij zelf ontstoken hebben. d. Daardoor wordt hij tot een verschrikkelijk voorbeeld van de goddelijke wraak gesteld. Aldus is hij vernederd voor de ogen van al degenen, die hem zien, vers 18 :Allen, die hem kennen, zijn ontzet over hem, en zullen zich verbazen, hoe iemand, die zo hoog stond, zo diep vernederd kon worden. Het paleis van de koning van Tyrus, zal, evenals de tempel te Jeruzalem, een spreekwoord en een spotrede zijn, wanneer het verwoest is, 2 Kronieken 7:20. Zo viel de koning van Tyrus.