10. Gij zult den dood der onbesnedenen sterven, door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.
Omtrent de vorige afdeling merkt Hävernick op: "Wanneer iemand door zijne grote goddelijke gave de roeping had ontvangen, om zich tegenover den hoogmoed van aardse grootheid te plaatsen, die in zijne nietigheid duidelijk voor te stellen, alle wijsheid dezer wereld, ook de meest beroemde in hare soort, zoals die van Chaldea te beschamen, dan was het Daniël, die daarmee zijne eerste droomuitlegging (Daniël 2:21) begint; wat kon dan Ezechiël treffender aan den Tyrischen koning voorhouden, dan dat hij zich boven enen man als Daniël stelde?" Men kan dit ook wel in dien zin opvatten, dat de vorst van Tyrus datgene wat Gods woord over het vergankelijke van aardse macht en grootheid, over het bedrieglijke van menselijk verstand zegt, zijnerzijds meent te kunnen trotseren, zich over dat alles heenzet en bij zich zelven denkt, dat hem nooit iets ergs zou kunnen overkomen, dat voor hem alle dreigingen van Gods gericht niets waren, dat ze tot hem niet zouden komen. Dat is ten minste de trotse gerustheid, die door gene getuigenis ook niet van de verlichtste mannen Gods te bewegen is, en die ons in het tegendeel van den vorst van Tyrus te gemoet treedt, ene gerustheid, die alleen van geweld en onderdrukking weet en van des te heerlijker triomfen droomt, de tekenen van het Goddelijk gericht niet verstaat en van de bedreigingen van den laatsten val niets verneemt. Van bijzondere betekenis in hetgeen den vorst als Gods gericht wordt aangekondigd zijn 1) diegenen, die het oordeel moeten volvoeren, "de tyrannen der Heidenen, " ene uitdrukking, welke wij, ook in Hoofdstuk 30:11; 31:12 ontmoeten en zeker aan de Chaldeën herinnert, maar ten opzichte van de laatste bedoeling der voorzegging natuurlijk iets anders meent dan de wilde krijgshorden van het Chaldeeuwse leger; 2) de "dood eens verslagenen, " `de dood der onbesnedenen", welken hij moet sterven, wat hem aan de ene zijde als enen zodanigen karakteriseert, die eigenlijk in verbondsbetrekking tot God heeft gestaan, maar tot straf voor zijne hoogmoedige zelfvergoding nu op de schandelijkste wijze uit de gemeenschap van Gods volk wordt uitgesloten, waarvan de hoge voorrang, de dood des oprechten" is (Numeri 23:10 de andere zijde hen met een marteldood (Jesaja 53:9) in de allerzwaarste betekenis van het woord bedreigt. En nu zal het ondergaan des doods a) midden op de zee geschieden, in een tijd, dat hij als het ware zich op hoge zee, d. i. op het hoogste punt van zijne macht en van zijn geluk bevindt en hij er het minst aan denkt. Daarbij zal b) zijne godslasterlijke zelfverheffing op de schitterendste wijze worden beschaamd, wanneer hij in de handen van doodslagers geraakt, tegenover welke hem de moed ontzinkt, zich op zijne onaantastbare majesteit als van enen God te beroepen en hij zelf gevoelt, dat hij niets is dan een arm, nietig mens. Dan zal het spoedig met hem in de groeve gaan; want zijn uur is nu gekomen, om te worden nedergestoten, teneinde nimmer meer op te komen.
11.
V. Vers 11-19. Overeenkomstig het klaaglied van den Profeet over den val van Tyrus in Hoofdstuk 27 volgt nu hier zulk een over den val van zijnen vorst; ook de gedachtengang neemt hier even als daar in hoofdzaak hetzelfde verloop. Vooreerst, ene nadere beschrijving der heerlijkheid, die God oorspronkelijk den vorst van Tyrus heeft verleend (Vers 11-14 11- ), vervolgens ene schildering van zijnen val, dien hij ondervond tot straf daarvoor dat hij zich zwaar heeft bezondigd (Vers 15-19). De uitdrukkingen zijn doorgaans van dien aard, dat die uitleggers, die met hun gedachten aan den vorst van Tyrus als zodanig blijven hangen, slechts ene matte en zeer ondoeltreffende verklaring verkrijgen. Zij laten hem, die in de eerste plaats als voorwerp der weeklacht genoemd moet worden, zo goed als geheel buiten rekening, en passen alleen op dien, voor welken Tyrus' koning slechts ene type is, en aan welken wij reeds in de vorige afdeling hebben gedacht.