11. De kinderen van Arvad, uwe landslieden, en uw heir waren rondom op uwe muren, en de Gammadieten waren op uwe torens, hun schilden hingen zij rondom aan uwe muren, die maakten uwe schoonheid volkomen, zodat het u niet ontbrak aan bereidheid tot den krijg.
Het voorbeeld voor dit en het volgend klaaglied is de klaagzang in Jesaja 14:3, over Babel. De ondergang van Babel verre van al zijne heerlijkheid wordt daarbij als begonnen voorgesteld. De gedachtengang is zo gepast als eenvoudig. Voor alles (Vers 3-11) wordt de heerlijkheid der stad, hare ligging, hare schone bouworde, hare ligging als voorstad tot de andere Fenicische steden aan de kusten, haar leger, dat deels door vreemde huurtroepen, deels door eigen soldaten en uit de bewoners der verbondene steden gevormd was, met zijne krijgstucht en dapperheid geschilderd. Zeer gepast en dichterlijk schoon wordt daarbij de stad Tyrus als een heerlijk schip voorgesteld, welks masten uit cederhout, welks vlaggen uit doorstikten byssus enz. zijn, doch zo, dat later bij schildering der krijgstucht het daarvoor min gepaste beeld van het schip wordt verlaten en het eigenlijk begrip der stad plaats neemt. Daarna (Vers 12-24) wordt even uitvoerig de breedte en volheid van hare handelsverbintenissen geschilderd; de landen, met welke Tyrus in handelsbetrekkingen gestaan heeft, en de voornaamste handelsartikelen, die tussen haar en de bijzondere landen werden geruild, worden op zulk ene wijze opgeteld, dat de optelling bij het uiterste westen begint en door het noorden tot het noord-oosten voortgaat. Nadat door deze uitvoerige schildering van de heerlijkheid en den handelsrijkdom van Tyrus de rechte grond is gelegd voor de schildering van haren ondergang, moet nu deze volgen. Nu stelt Vers 25 voor, den zamenhang met het volgende aangevende, hoe Tyrus in zijne tot Tarsis gaande schepen, zijne muren en zijnen handel, den grond had van zijne macht en van zijnen rijkdom en terwijl vervolgens in Vers 26 teruggegaan wordt tot de vergelijking van de stad met een heerlijk schip, hoe dit schip Tyrus door zijne schippers op de vele wateren is gevoerd, begint in de tweede helft van het vers, waarmee ene volgende afdeling aanvangt, de klagende beschrijving van den val van Tyrus, de eigenlijke weeklacht.
Aan het einde van het vorige hoofdstuk was Tyrus met de doden vergeleken, die in de groeve nederdalen. Evenals bij begrafenissen treurzangen gewoon waren, waarin de klagende vrouwen alles vermeldden, wat in de gestorvenen waarde had en lofwaardig was, en dan hun verlies beweenden, zo wordt ook hier zeer gepast door den Profeet een klaagzang over Tyrus aangeheven, waarin alle de voorrechten bestonden, om den ondergang des te groter te doen voorkomen.
De gehele wereld, in `t bijzonder de tegenwoordige zo geheel koopmansgezind en industrieel, zou de schildering van Tyrus glans en van hare heerlijkheid niet voor ene weeklacht, maar integendeel voor ene zaligprijzing houden, want zij is evenals Tyrus in speculaties verblind. Dat is de weeklacht van den geest, dat de wereld zozeer in het vlees zaait en van het vlees verderf maait; met pauken en fluiten begint de wereld, met jammer en ellende moet zij eindigen.
"Ik ben de allerschoonste" woordelijk "de volkomenheid der schoonheid. " Deze naam komt alleen aan de stad Gods, aan Jeruzalem toe, niet om hare pracht, maar omdat de heerlijkheid Gods in haar woont, daar zij de troon Gods is (Jeremia 3:17). Jeruzalem had nu om harer zonden wil deze heerlijkheid verloren (Klaagliederen 2:15); daarentegen had zich Tyrus de troon van Baäl, wiens koningen zich gaarne Itho-Baäl, d. i. "met hem is Baäl" (Jes 7:14; 8:8, 10 ) noemden, om zijnen rijkdom en zijne aardse heerlijkheid dien erenaam aangematigd.
In zamenhang met de gunstige ligging van Tyrus in het hart der zee (Vers 4), wier schatten van alle zijden daar zamenvloeiden, zodat het reeds heeft wat in Jesaja 60:5 aan Zion voor de toekomst wordt beloofd: "de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der Heidenen zal tot u komen, " staat de volkomene schoonheid, waarop het zich beroemt. Deze heeft niet alleen betrekking op de stad als zodanig, volgens hare gebouwen, maar, zoals het volgende aanwijst, waar de schoonheid nader wordt beschreven, op den gehelen staat.
Tyrus is geestelijk van de grote stad te verklaren, die met alle volken toeneemt en zich in Jeruzalems plaats begeert te zetten; de vorst van Tyrus is (Hoofdstuk 28:1) ene hiëroglyfe van den paus. Er was een tijd, toen Rome tot de doden was nedergedaald (26:19), namelijk in het Trentsche concilie, toen het door zijne anathemata zich van de waarachtig gelovigen afscheidde, maar God in het werk der reformatie Zijne uit Babel bevrijde kerk, het land der levenden, met vrede en velerlei gaven versierde.
In onzen tegenwoordigen tijd wordt ook in politiek opzicht iets aan dit geestelijk Tyrus volbracht van dat: "Ik zal een groten vloed over u laten komen, zodat grote wateren u bedekken; " en wanneer nu ook daar gelijktijdig de poort der volken wordt verbroken (Hoofdstuk 26:2) zal Tyrus toch niet wenen: "Heah, zij, is verbroken, zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest; " integendeel zal op nauwkeurig bestemden tijd vervuld worden wat gezegd is: "Ik schep heerlijkheid in het land der levenden, " terwijl ten opzichte van Tyrus wordt gezegd: "Ik zal u tot een groten schrik stellen en gij zult er niet meer zijn, " en dat nauwelijks 100 jaren later zal worden vervuld. Zeker zijn de werktuigen, door welke God Zijne gerichten aan degenen, die Hij aan het verderf wil prijsgeven, volvoert, niet Zijne heiligen en uitverkorenen; deze zijn integendeel tot lijden en verdragen geroepen en moeten meestal medelijden onder die oordelen, maar het zijn mensen van wereldse macht en wijsheid, waarom ook veel menselijks dikwijls zelfs juist veel ongoddelijks mede daaronder loopt; maar beschouwd als werktuig van God, waarvan Hij Zich bedient, opdat Zijn toorn worde volbracht en Zijne grimmigheid over degenen, die rijp zijn voor het gericht, worde uitgestort, heet Nebukadnezar zelf een rechtvaardige, en deed men beter Gods machtige hand, die slaat, te erkennen, en zich verootmoedigende onder deze van zich weg te doen alle gruwelen, in plaats van die hardnekkig vast te houden en daarbij zich nog in te beelden, Gods volk te zijn, waarvan geschreven staat: "die u aanraakt, raakt Gods oogappel aan (Zacharia 2:8) en nu daarop hoogdravende voorzeggingen omtrent de dicht nabij zijnde heerlijkheid der toekomst te geven. Evenals de hand, die deze moet teweeg brengen en ook zeker aanbrengen zal, ene gedroomde is, zo zullen ook de profetieën blijken ijdele dromen te zijn. Intussen zal echter de hand van den Zone Gods, die Zelf Heer wil blijven in Zijn huis en Zich noch door de ene noch door de andere zijde iets laat voorschrijven, Zijne ware kerk stil en onbemerkt de heerlijkheid weten tegen te leiden, die haar door het profetische woord is gewaarschuwd. Wijs zijn de maagden, die olie in hare vaten hebben, om bij te gieten, wanneer de lampen zouden uitgaan; dwaas zijn daarentegen diegenen, die haar gehele vertrouwen hebben op de helder brandende lampen, welke vroeger waren verzorgd en die in tijd van nood eerst tot de verkopers moeten lopen. (Mattheus 25:1)
Bij Vers 4 merkt Luther in de kanttekeningen op: "Zo als andere vorsten steden en dorpen, akkers, enz. op het land hebben, zo was Tyrus machtig op de zee. De schoonheid van haren bouw, die daarna geroemd wordt, heeft niet alleen betrekking op de huizen, maar in `t algemeen op de gehele staatsinrichting. Met het oog daarop allegoriseert vervolgens in Vers 5 vv. de Profeet, terwijl hij Tyrus met een schoon, zeer prachtig ingericht en zeer goed toegerust schip vergelijkt. Zo als Hij vervolgens in Vers 26, op die vergelijking terugkomt en den ondergang van Tyrus voorstelt als ene schipbreuk, door den oostenwind veroorzaakt. Door de schepen, op welke vele mensen bij elkaar zijn en enerlei doel, gevaar voordeel en schade hebben, wordt in het symbolisch spraakgebruik der Schrift het gemeenschappelijke aangewezen (Psalm 48:8), met name de staten (Jes 38:21. Openbaring :9) aan de andere zijde komt de kerk voor onder het symbool van een schip (Matth 8:23, Joh 6:16, Bij den Tyrischen staat lag de voorstelling onder het symbool van een schip te meer voor de hand, daar het ene zeemacht was, de hoofdstad als een schip midden in de zee lag en door een bos van masten was omgeven. " De Senir, van welken het hout tot planken, tot het beschot der beide zijden genomen is, is de grote Hermon (Deuteronomium 3:9). Het hout daar genoemd, wordt door sommigen opgevat als hout met heen en weer lopende zoutaderen, door anderen als dennehout (1 Koningen 5:8); er is echter cipressehout bedoeld, dat bijna onverteerbaar en bovendien zeer licht is. De riemen vorderen een bijzonder vast en zwaar hout, waarom hier daarvoor eiken uit Basan zijn genoemd (Jes 2:13). De beschrijving der overige delen in Vers 6 wordt verschillend uitgelegd. Wat daarentegen de inhoud van Vers 7 aangaat, zo hadden ook de Egyptenaars zulke prachtschepen, zo als bij voorbeeld dat van Antonius en Cleopatra in den slag bij Actium zich door zijne purperen zeilen als admiraalschip onderscheidde. Men ziet, alle landen hebben hun beroemdste voortbrengselen geleverd, een Tyrus met alle pracht en heerlijkheid uit te rusten-en waar is nu het kerkelijk schip, dat de voornaamste houtsoorten voor zijne planken en masten heeft gebezigd, dat zijde en purper voor zijne zeilen en banier heeft genomen, en met alle vlijt zich er op toelegt, om ook door zijn cultus in den smaak te vallen? Bij deze gehele optelling komt echter de blijvende schat niet voor, noch dat God daar woning heeft.
De weelde laat zelfs het gewone niet onversierd; doch de ziel wordt niet versierd; het beste moet het sieraad missen, of men stelt zich tevreden met huichelarij.
Na het bouwen van het schip volgt in Vers 8 de uitrusting daarvan met de bemanning en instandhouding. Wanneer daar de Zidoniërs en Arabieren als de roeiers worden voorgesteld, dan is dit natuurlijk niet, zo als de gehele allegorische voorstelling aanwijst, in den eigenlijken zin op te vatten, daar wij van zulk ene betrekking der Feniciërs onder elkaar, volgens velen, dat deze slaven van gene zouden geweest zijn, niets weten. Wel ligt daarin in `t algemeen de gedachte van afhankelijkheid, en dit komt ook geheel overeen met de getuigenissen der geschiedenis, volgens welke Tyrus toen werkelijk ene soort van principaat zelfs over de oude hoofdstad Sidon had verkregen (Jozua 11:8); van daar wordt in Jeremia 25:22; 20:3 de Tyrische koning vóór den Sidonischen genoemd. De verbindende gedachte is nu deze: niet slechts de buitenlandse volken, maar ook de kleinere Fenicische staten zelf wedijverden als het ware onder elkaar zoveel mogelijk tot de heerlijkheid van Tyrus bij te dragen.
De gave van de opperleiding lagen in den hoofdstaat, en daaruit kwamen degenen voort, die de hoogste ambten bekleedden.
Wederom treedt ons hier en in het volgende de Roomse kerk voor den geest; voor Rome geven alle kerken, die tot het Katholicisme behoren, de krachten van geld, geest en strijd. Daar ligt het zwaartepunt van de gehele kerkelijke macht, zodat het episkopaat niets vermag zonder het pontificaat en niets daartegen; dit wordt echter regelmatig door een Italiaan bezet. In Rome stromen alle geestelijke handelsschepen samen, om hun waren te brengen en andere mede te nemen, en uit Rome worden overal krijgsknechten naar de verschillende oorden gezonden, die zich verbonden hebben op leven en dood den heiligen stoel te dienen; het gehele wezen der kerk is niets meer dan een getrouw afdruksel van de Tyrische macht.
Ook voor zijne verdediging heeft Tyrus het best gezorgd. Het hield een leger van huurtroepen uit vreemde volken tot bescherming zijner koloniën en tot uitbreiding zijner volkplantingen, terwijl het de bewaring der vestingmuren van de stad aan Fenicische. krijgslieden toevertrouwde.
Hier laat de Profeet de allegorie varen en zet in de plaats van het schip juist de stad, de prachtige vesting der Tyriërs. In `t bijzonder ook Carthago's sterkte bestond voornamelijk in hare gehuurde troepen. Wat de nevens de Lydiërs en Libiërs genoemde Perzen aangaat, zo is ene oude verbintenis der Feniciërs met de Perzen ontwijfelbaar. Van de huurbenden zijn zorgvuldig onderscheiden de Arvadiërs en het eigen leger der Tyriërs, waaraan de bewaking van de muren der stad werd toevertrouwd. Het ophangen der schilden enz. aan gebouwen en muren moet ene bijzondere Fenicische gewoonte geweest zijn; want wij winden die door Salomo ook bij de Hebreën ingevoerd (1 Koningen 10:16, Hooglied 4:4). Den huurbenden worden alleen de gewone wapenen, schild en helm, den Tyriërs zelven echter bijzonder schone en prachtvolle schilden, in den grondtekst staat een ander woord, dat ook in 2 Samuël 8:7. 2 Koningen 11:10, 51:11 voorkomt, toegeschreven, waardoor zij de schoonheid van Tyrus volmaakten.
Er is nog ene betere bescherming dan die van soldaten, De Engel des Heeren legert zich rondom degenen, die Hem vrezen (Psalm 33:16, 34:8). Wij moeten in plaats van de vleeslijke wapenrusting de goddelijke aandoen; deze beschermt land en volk.