Ezechiël 27:26-36
Wij hebben de bloei van Tyrus beschouwd nu volgt de val van die stad. Een grote val was het, te groter naarmate ze vroeger een hoger toppunt bereikt en in de wereld luisterrijker geschitterd had. Zie, de machtigste en heerlijkste koninkrijken en staten gaan, vroeger of later, hun ondergang tegemoet. Zij hebben hun tijd, en na hun hoogtepunt komt hun omlaagdalen. Maar dat van Tyrus was plotseling. Haar zon ging op de middag onder. En al haar rijkdom en grootheid, haar praal en macht, verergerde slechts haar verwoesting, maakte die te bitterder voor haar zelf en te groter wonder voor allen rondom. Let nu hierop,
1. Hoe die ramp over Tyrus kwam, vers 26. Ze was als een groot rijk beladen schip, dat door de onhandigheid van haar stuurlieden doormidden brak en zonk. Die ze roeien, hebben zelf u in grote gevaarlijke wateren gevoerd, de overheid van de stad en zij, die de leiding van de openbare aangelegenheden hadden, wikkelden, door de een of andere onvoorzichtige daad, haar in een oorlog met de Chaldeën, hetwelk haar ondergang werd. Door een onbeschaamde, honende daad jegens de Chaldeën, of door een aanslag, vertrouwende op haar bekwaamheid om het tegen dat machtige volk op te nemen, verbitterden zij Nebukadnezar, die nu tegen haar oprukte. Haar hardnekkig volhouden tergde hem zozeer, dat hij ten laatste haar ondergang besloot en ze, als de oostenwind, verbroken heeft in het hart van de zeeën, vers 26. Zie, het staat slecht met een volk, wanneer zij, die aan het roer zitten, het vaartuig niet in een veilige haven sturen maar aan de grond laten lopen.
2. Hoe groot en algemeen die verwoesting zou zijn. Al haar rijkdom zal met haar begraven worden, haar goed, en haar marktwaren, en haar onderlinge koophandel, vers 27. Alles wat van haar afhankelijk was of in handel, oorlog, omgang met haar te maken had, zal met haar vallen in het hart van de zeeën, ten dage van haar val. Zie, die op schepselen hun vertrouwen stellen, hun geluk en hun belang ervan verwachten en hun hoop erop bouwen, zullen natuurlijk in haar val delen. "Welgelukzalig is hij, die de God Jakobs tot zijn hulp heeft, wiens verwachting op de Here zijn God is," Psalm 146:5, die leeft eeuwig.
3. Welke droeve klaagzang de val van Tyrus zou vereeuwigen. De stuurlieden, haar vorsten en regenten, zullen, wanneer zij zien, hoe ellendig zij zich misdragen, en hoezeer zij tot hun eigen verderf bijgedragen hebben, luid schreeuwen zodat de voorsteden beven, vers 28. Zo zal hun eigen slecht gedrag hen zelf aangrijpen. De mindere overheden, die als de scheepslieden van de staat zijn, zullen gedwongen worden, uit hun schepen af te klimmen, vers 29, hun posten te verlaten, zullen de stem over u laten horen, vers 30, omdat zij misleid zijn door meerderen, die minder bekwaam gebleken zijn dan men meende. Zij zullen bitterlijk schreeuwen om de algemene verwoesting in hun aandeel daaraan. Zij zullen op allerlei manier hun diepe smart uiten, zij zullen stof op hun hoofden werpen in verontwaardiging over zichzelf, zullen zich wentelen in de as, als een afscheid aan alle gemak en genoegen. Zij zullen zich over u, de stad, geheel kaal maken, vers 31, en hun haar uittrekken, naar de gewoonte bij grote rouw, zakken aangorden, zij, die gewoon waren hen lijnwaad te dragen, en in plaats van vrolijke gezangen, over u wenen met bitterheid van de ziel. Zie, verliezen en kruisen zijn zeer grievend en moeilijk te dragen, vooral voor degenen die lang gewend waren geweest, zich in weelde te waden en de slaap van de vleselijke gerustheid te slapen.
4. Hoe de vroegere eer en voorspoed aan Tyrus zou verweten worden, vers 32, 33, de vroeger beroemde stad zou nu worden de uitgeroeide in het midden van de zee. Wie is geweest als Tyrus? Is ooit enige stad van zo'n toppunt van voorspoed tot zo'n diepte van tegenspoed gedaald? Er is een tijd geweest, dat uw marktwaren, uw eigen fabrikaat en het van buiten ingevoerde, uit de zeeën voortkwamen en naar alle delen van de wereld werden uitgevoerd. Toen hebt gij vele volken verzadigd en de koningen en hun koninkrijken van de aarde rijk gemaakt. De Tyriërs, al hadden zij zo'n ver uitgestrekte handel, waren, naar hieruit blijkt, eerlijke kooplieden geweest, zij lieten hun naburen niet alleen leven, maar ook voordelen genieten. Ieder, die met hen handelde won daarbij, zij bedrogen noch verdrukten het volk, maar verrijkten het met de menigte koopwaren. Maar nu werden degenen, die door hen verrijkt waren, in hun val medegesleept, gelijk vaak in de handel plaats heeft, ten tijde, dat gij verbroken zijt, zijn uw onderlinge koophandel en uw gehele gemeente in het midden van u gevallen, vers 34. Er kwam een einde aan Tyrus, dat eens zoveel drukte en arbeid in de wereld had gebracht. De grote vlam doofde eindelijk uit.
5. Hoe de val van Tyrus voor deze en oorzaak van schrik, voor genen een aanleiding tot lachen zou zijn, al naar het belang, dat ze bij die val hadden. Sommigen zullen over haar ontzet en verbaasd van aangezicht zijn, vers 35, daaruit besluitende, dat het weldra hun beurt zal zijn. Anderen zullen haar aanfluiten, vers 36 zullen om haar hoogmoed en ijdelheid en wanbeheer uitlachen en haar val welverdiend noemen. Zij had getriomfeerd over Jeruzalems val, en nu was men blijde om de hare. Wanneer God Zijn oordelen over de zondaar brengt, dan zal een "ieder over hem met zijn handen klappen en over hem fluiten uit zijn plaats," Job 27:22-23. "Is dit de stad, die men de volkomenheid van de schoonheid noemde?"