Psalm 34:1-11
Het opschrift van deze psalm zegt ons wie hem geschreven heeft, en bij welke gelegenheid hij geschreven werd. Door de woede van Saul was David genoodzaakt zijn land te verlaten zo nabij hij kon een schuilplaats te zoeken in het land van de Filistijnen. Daar kwam men spoedig tot de ontdekking wie hij was, en werd hij voor de koning gebracht, die in de geschiedenis hij zijn naam Achis wordt genoemd, en hier bij zijn titel Abimelech. Opdat hij niet als spion zou behandeld worden, of als iemand die met kwade bedoelingen was gekomen, hield David zich waanzinnig, (zodanige zijn er altijd geweest, opdat de mensen zelfs van idioten zouden leren God te danken voor het gebruik van hun verstand ten einde Achis hem zou wegzenden als een verachtelijk man, veeleer de kennis van hem zou nemen als een gevaarlijk men. En het had de gewenste uitwerking, door deze krijgslist ontkwam hij aan de handen, die anders ruw met hem te werk zouden gegaan zijn. Nu kunnen wij:
1. David niet rechtvaardigen in zijn veinzerij. Het voegde slecht aan een eerlijk man, om zich te veinzen wat hij niet was, en aan een man van eer om zich als een krankzinnige voor te doen. Als wij in scherts degenen nabootsen, die niet zo'n goed verstand hebben als wij denken te hebben, dan vergeten wij dat God hun toestand tot onze toestand had kunnen maken. Maar:
2. Wij kunnen niet anders dan zijn kalmte van gemoed bewonderen. Zelfs toen hij in die vrees was, of liever in dat gevaar slechts, was zijn hart zo vast, vertrouwende op God, dat hij toen hij deze uitnemenden psalm schreef, waarin evenzeer de kenmerken zijn te zien van een kalme, bedaarde geest, als in enig andere psalm van het gehele boek. En er is ook een zonderlinge kunst in de samenstelling van het gedicht, want het is wat een alfabetische psalm wordt genoemd, dat is een psalm, waarvan ieder vers begint met een letter, zoals zij neer volgorde voorkomt in het Hebreeuwse alfabet. Zalig zij, die aldus kalm kunnen blijven en hun genadegaven kunnen blijven beoefenen, zelfs als zij in verzoeking zijn hun gelaat of hun uitwendige houding te veranderen.
In dit eerste gedeelte van de psalm:
I. Wekt David zichzelf op om God te loven. Hoewel het verkeerd van hem was dat hij zijn gelaat veranderde, was het Gods genade dat hij ontkwam, en die genade was zoveel groter, omdat God niet met hem handelde naar hetgeen zijn veinzerij verdiende, en wij moeten God danken in alles. Hij besluit:
1. Dat hij God gedurig zal loven, ik zal de Heere loven te allen tijd, bij iedere gelegenheid. Hij besluit geen bepaalde, vastgestelde tijden te hebben voor die plicht, maar alle gelegenheden er toe aan te grijpen en zijn lof te vernieuwen bij ieder nieuw voorval, dat er hem de stof toe biedt. Als we hopen onze eeuwigheid door te brengen in het loven van God, dan betaamt het dat wij zoveel als slechts mogelijk is van onze tijd doorbrengen in dat werk.
2. Dat hij Hem in het openbaar zal loven; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn. Aldus wilde hij tonen hoe ijverig hij was om zijn verplichtingen aan de genade Gods te erkennen, en hoe hij verlangde dat ook anderen zich van hun verplichtingen eraan bewust zullen zijn. 3. Dat hij Hem hartelijk zal loven; "Mijn ziel zal zich beroemen in de Heere, in mijn betrekking tot Hem, mijn deel in Hem, en mijn verwachtingen van Hem." Het is geen verwaandheid om zich te beroemen in de Heere.
II. Hij roept anderen op om zich hierin met hem te verenigen Hij verwacht dat zij het zullen doen vers 3, De zachtmoedigen, of de nederigen, zullen het horen en verblijd zijn; zullen horen van mijn verlossing en mijn dankbaarheid, en zij zullen blij zijn dat aan een goed man zoveel gunst werd betoond, en dat aan een goede God zoveel eer werd gegeven." Diegenen smaken het meest de vertroosting en het lieflijke van Gods genade jegens anderen en jegens henzelf, die nederig zijn en het minste vertrouwen hebben in hun eigen verdienste en genoegzaamheid. Het deed David genoegen te denken dat Gods gunst jegens hem het hart van iedere Israëliet zou verblijden.
Hij wenst dat wij allen met hem zullen samenstemmen in drie dingen.
1. In grote en hoge gedachten van God waaraan wij uiting moeten geven door Hem groot te maken en Zijn naam te verhogen, vers 4 Wij kunnen God niet groter of hoger maken dan Hij is, maar als wij Hem aanbidden als oneindig groot en hoger dan de hoogste, dan behaagt het Hem om dit als een groot maken en verhogen van Hem te beschouwen. Dit moeten wij tezamen doen, Gods lof klinkt het best in concert, want aldus prijzen wij Hem zoals de engelen in de hemel Hem prijzen. Zij, die delen in Gods gunst en dat doen al de heiligen moeten samenstemmen in Zijn lof, en wij moeten evenzeer de hulp verlangen van onze vrienden om Hem dank te zeggen voor zegeningen, als om er om te bidden.
Wij hebben reden om ons te verenigen in dankzegging aan God:
A. Voor Zijn bereidwilligheid om het gebed te horen, waarvan al de heiligen de troost gehad hebben, want nooit heeft Hij tot iemand van hun gezegd: Zoek Mij tevergeefs.
a. David is geheel bereid om te verklaren, dat hij Hem bevonden heeft als een God, die het gebed verhoort, vers 5 "Ik heb de Heere gezocht, Hem gezocht in mijn benauwdheid, ik smeekte om Zijn gunst, bad Hem om hulp, en Hij heeft mij geantwoord, heeft mij onmiddellijk mijn gebed verhoord en mij verlost van mijn vrees, beide van de dood die ik vreesde, en van de onrust en ontroering, die mij door de vrees er voor veroorzaakt werd." Het eerste doet Hij door Zijn voorzienigheid, die voor ons werkt, het laatste door Zijn genade, die in ons werkt om onze vrees tot zwijgen te brengen en in ons ontroerd gemoed kalmte te doen ontstaan Dit laatste is de grootste zegen en weldaad, omdat het slechts ons verdriet, onze benauwdheid is die wij vrezen, maar ons ongelovig en wantrouwend vrezen er van is onze zonde, ja dikwijls pijnigt die ons meer dan de gevreesde zaak zelf ons pijnigen zou; welke misschien slechts ons gebeente en ons vlees zou treffen, terwijl de vrees knaagt aan de geest en het gemoed, zodat wij onze ziel niet kunnen bezitten. David's gebeden hielpen om zijn tot zwijgen te brengen, de Heere gezocht hebbende en Hem zijn zaak hebbende overgegeven, kon hij kalm en gerust de uitkomst afwachten.
"Maar David was een groot en zeer voornaam man; wij kunnen niet verwachten bevoorrecht te worden zoals hij het geweest is; hebben anderen ooit dezelfde zegen verkregen op het gebed?" Ja, b. Velen, behalve hij, hebben door geloof en gebed op God gezien en zijn erdoor verlicht geworden, vers 6 Het heeft hen verwonderlijk verkwikt en vertroost, getuige Hanna die, nadat zij had gebeden, "haars weegs ging, en at, en haar aangezicht was niet meer droevig" 1 Samuël 1:18 Als wij zien op de wereld zijn wij verward en verlegen in het duister, maar als wij zien op God, dan hebben wij van Hem licht, licht om ons te besturen en licht tot blijdschap en dan is onze weg beide effen en aangenaam gemaakt. Zij, van wie hier gesproken wordt, die op God hebben gezien, hadden hoge verwachtingen van Hem, en zij werden niet teleurgesteld; hun aangezicht werd niet beschaamd om hun vertrouwen. Maar misschien waren ook dezen, evenals David zelf, personen van groot aanzien en buitengewone vroomheid en zijn zij daarom zo hoog bevoorrecht. Of misschien maakte hun talrijkheid hen zo gewichtig." Neen.
c. Deze ellendige, of deze arme man, vers 7 riep, een enkel persoon, gering en onbeduidend, op wie niemand zag met eerbied, om wie niemand zich grotelijks bekommerde, toch was hij, evenals David of als een van zijn helden of rijksgroten, welkom voor de troon van de genade. De Heere hoorde hem, nam kennis van zijn zaak en van zijn gebeden en "Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden." God let op het gebed van de ellendige. Zie Psalm 102:18. Jesaja 57:15
B. Voor de dienst van de goede engelen om ons heen, vers 8 De engel des Heren, een engelenwacht (volgens sommigen), maar eenstemmig in hun dienst alsof zij slechts één waren, of een beschermengel legert zich rondom hen, die God vrezen, zoals de lijfwacht om een vorst, en rukt hen uit, dat is verlost hen. God maakt gebruik van de dienst van de goede geesten om Zijn volk te beschermen tegen de boosheid en de macht van boze geesten; en de heilige engelen doen ons dagelijks meer goede diensten dan wij wel weten. Hoewel zij in waardigheid en hoedanigheid van aard verreweg onze meerderen zijn, hoewel zij hun oorspronkelijke rechtheid behouden hebben, die wij verloren hebben, hoewel zij voortdurend bezig zijn in de bovenwereld, bezig zijn met God te loven en recht hebben op voortdurende rust en zaligheid aldaar, verwaardigen zij zich toch in gehoorzaamheid aan hun Maken, en in liefde tot hen, die Zijn beeld dragen, om de heiligen te dienen en voor hen op te treden tegen de machten van de duisternis; zij bezoeken hen niet slechts, maar legeren zich rondom hen, handelen voor hun welzijn, even werkelijk hoewel niet zo bespeurbaar, als voor dat van Jakob, Genesis 32:1, en dat van Elisa, 2 Koningen 6:17 Al de eer zij aan de God van de engelen.
2. Hij wil dat wij ons met hem verenigen in vriendelijke en goede gedachten van God, vers 9 Smaakt en ziet dat de Heere goed is. In de goedheid van God zijn beide de schoonheid en de beminnelijkheid van Zijn wezen begrepen, alsmede de mildheid en de weldadigheid van Zijn voorzienigheid en genade, en vervolgens:
a. Moeten wij smaken dat Hij een milddadige weldoener is, de goedheid van God proeven in al Zijn gaven aan ons, en deze er de geur en de zoetheid van achten.
b. Wij moeten zien dat Hij een schoon wezen is, en ons verlustigen in de beschouwing van Zijn oneindige volmaaktheden. Beide door te smaken en te zien doen wij ontdekkingen en hebben wij welgevallen. Smaakt en ziet Gods goedheid, neemt er nota van, en neemt er de vertroosting van, 1 Petrus 2:3 Hij is goed, want Hij maakt al degenen waarlijk gelukzalig, die op Hem vertrouwen, laat ons dan zo overtuigd zijn van Zijn goedheid, dat wij er door aangemoedigd worden om ook in de slechtste tijden op Hem te vertrouwen. 3. Hij wil dat wij ons met hem verenigen in het besluit om God te zoeken en Hem te dienen en te volharden in Zijn vreze, vers 10. Vreest de Heere, gij Zijn heiligen. Als wij smaken en zien dat Hij goed is, moeten wij niet vergeten dat Hij groot is en grotelijks te vrezen is, ja Zijn goedheid is een gepast voorwerp van kinderlijker eerbied en ontzag. Zij zullen vrezende komen tot de Heere en tot Zijn goedheid, Hosea 3:5 Vreest de Heere, aanbidt Hem, betracht in alles nauwgezet uw plicht jegens Hem. Het is niet: vreest Hem en schuwt Hem, maar vreest Hem en zoekt Hem vers 11, zoals een volk zijn God zoekt; houdt u dicht aan. Hem, vindt in Hem uw deel en uw geluk. Ten einde ons aan te moedigen om God te vrezen en Hem te zoeken, wordt hier beloofd dat zij, die dit doen, zelfs in deze wereld van gebrek, geen gebrek zullen hebben aan enig goed; van alle goed zullen zij zoveel hebben, dat zij geen reden zullen hebben om te klagen over gebrek er aan. Wat betreft de dingen van de andere wereld, zij zullen genoegzame genade hebben om hun geestelijk leven te onderhouden 2 Corinthiërs 12:9; Psalm 84:12. En ten opzichte van dit leven, zij zullen uit de hand van God hebben wat nodig is om het te onderhouden als een Vader zal Hij hen voeden met het brood huns bescheiden deels; wat zij aan verdere gerieflijkheden zullen begeren, zullen zij hebben in zoverre het de oneindige Wijsheid goed voor hen acht; en wat hun in het een ontbreekt, zal hun in het andere vergoed worden. Voor hetgeen God hun onthoudt zal Hij hun genade geven om zonder dat tevreden te zijn en dan hebben zij het niet nodig, Deut 3:26 Paulus had alles en had overvloed omdat hij vergenoegd was, Filip. 4; 11, 18. Zij, die leven door het geloof in Gods algenoegzaamheid, hebben geen gebrek, want in Hem hebben zij genoeg. De jonge leeuwen lijden dikwijls armoede en hongeren; en zij die, zoals de jonge leeuwen, leven op de algemene voorzienigheid, zullen de voldoening missen van hen, die leven door het geloof in de belofte. Zij, die op zichzelf vertrouwen en denken dat hun handen hun genoegzaam zijn, zullen gebrek hebben, want de spijs is niet altijd van de wijzen; maar die op God vertrouwen zullen waarlijk gevoed worden. Zij, die verslindend zijn en alles om hen heen tot hun prooi willen maken, zullen gebrek lijden maar de zachtmoedigen zullen de aarde erfelijk bezitten zij zullen geen gebrek hebben, die rustig arbeiden en zich met hun eigen zaken bemoeien. De eenvoudige Jakob had een kooksel, dat hem genoeg was, toen Ezau, de bekwame jager, op het punt was om van honger om te komen.