25. De schepen van Tarsis, die uit Tartessus of van elders over de wijde zee kwamen, zongen van u, van wege den onderlingen koophandel met u 1); zij hebben u veel meer aangebracht dan alle die in
Vers 13, genoemde karavanen te land; en gij waart vervuld, en zeer verheerlijkt, zeer heerlijk in het hart der zeeën 2), alsof gij van deze het hart waart, waarheen al het bloed moet stromen.
1) In het Hebreeën Anijoth Tharschisch Scharotajik ma'ärabeek. Beter: De schepen van Tarsis waren uwe karavanen, uw handel, d. i. de middelen, waarmee gij uwen handel kondt drijven.
2) De Profeet had reeds vroeger op den groten omvang van den Tyrischen handel gewezen; deze gedachte werkt hij hier uit, daar hij de grote menigte van volken optelt, met welke die staat verkeert. De optelling begint met het hoofdpunt van het westen, Tartessus, wendt zich vervolgens naar het noorden en telt hier de volken, die, in welk opzicht ook, veelbetekenend zijn; hij gaat daarop naar het zuidoosten en keert zo weer naar het westen en meer tot de nabijheid van Tyrus terug.
Alzo bevat de lange optelling ene zekere orde, terwijl wel is waar in ene strofe alle landen, met welke Tyrus handel dreef, zo weinig kunnen worden genoemd, dat Egypte (Vers 7) en geheel Afrika zijn voorbijgegaan.
Tarsis of Tartessus was beroemd door zijnen rijkdom in zilver (Jeremia 10:9), en leverde ijzer, tin en lood. Door de Joniërs en Grieken werd de slavenhandel sterk gedreven (Joël 3:11 11); zij en de Romeinen verkregen uit Pontus de meeste en beste slaven; koperen gereedschappen leverden hoofdzakelijk de Tibarenen en Moschers, terwijl de Kolchische bergen nog heden ene onuitputtelijke menigte koper bevatten. Evenzo is de rijkdom van Armenië in paarden bekend en zeker werden daar ook muildieren geteeld.
De Dedanieten met hun karavanen komen voor als vertegenwoordigers van den handel op het land. Dezelfde produkten werden in Tyrus ook ter zee ingevoerd, kwamen dus van de eilanden en de kusten.
Syrië omvat hier voornamelijk het Syrië der beide rivieren, of het land tussen Tiger en Eufraat (Genesis 24:10; 25:20): er worden niet dan pronkerijen genoemd, met welke vooral Babylonië veel handel dreef.
Wat Tyrus levert, wordt slechts kort aangewezen, uitvoerig is de Profeet alleen ten opzichte der ingevoerde waren, terwijl de zamenvloeing van deze in Tyrus de heerlijkheid der stad voorstelt en alzo den grond geeft voor de schildering van het diepe van haren val. Het gezichtspunt, in de gehele voorstelling gevolgd, geven zeer nauwkeurig de woorden in Vers 25 aan: "gij waart vervuld en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën. " Alzo kan, wat Tyrus uitvoert, slechts als terloops voorkomen. Dat Tyrus zo rijk en geëerd was, terwijl Zion steeds lediger werd en ellendiger, dat was een steen des aanstoots voor de gemeente Gods. De Profeet neemt dezen aanstoot weg door op het einde te wijzen. Dan is alle rijkdom en heerlijkheid voor Tyrus verdwenen, voor altijd verdwenen, in de diepte der zee begraven, Zion daarentegen verheft zich heerlijk.
Het Hebreeën Zori (Vers 6), het laatste der handelsartikelen van Israël, op de Syrische markten gebracht, wordt hier en elders overgezet door balsem (Genesis 37:25; 43:11. Jeremia 8:22; 46:11; 51:8 voor balsem staat echter het vroeger naast de tarwe van Minnit op de tweede plaats genoemde "pannag". Dat woord komt alleen hier voor, en verklaart men meest voor een soort van gebak. Hiëronymus en naar dezen Luther heeft het door balsem overgezet en daarom Zori door mastix vertaald De mastixboom (vgl. historie van Susanna Vers 54), is een struik 15 voet hoog, waaruit door insnijding een doorschijnend witachtig geel en welriekend hars wordt verkregen, dat tot korrels gemaakt in den handel komt. De zwarte vruchten, als jeneverbessen, geven ene olie, men kauwt ze ook wel in het oosten, om den adem welriekend te maken.
Chelbon bestaat nog heden in een dorp van dezen naam ten noorden van Damascus, in het midden van een dal, dat, waar het slechts mogelijk is, met wijngaarddranken is beplant, uit wier druiven de beste en kostbaarste wijn van het land wordt bereid. Deze wijn was in de oudheid zo beroemd, dat de koningen van Perzië alleen Chalybonischen wijn van Damascus dronken (Daniël 1:5). De kostbare wol van verblindende witheid kwam waarschijnlijk uit het oorspronkelijke land van de afstamming der Nabateërs tussen Palestina en den Eufraat (1 Makk. 5:27), die door hunnen rijkdom in kudden schapen bekend waren (Vers 21 en Jesaja 60:7), en op wier land Sicharia het Hebreeën Zachar zinspeelt.
In den grondtekst begint Vers 19 met Wedan; dit moet niet als "en Dan" of "ook Dan" worden opgevat, zoals het ook zou mogelijk zijn; het gehele woord (vgl. Wateb in Numeri 21:11 #Nu 11) betekent ene Arabische plaats, hoewel daarvan geen ander spoor te vinden is. Evenzo is Javan ene plaats in Jemen, waarschijnlijk ene Griekse volksplanting, daar de Griekse speculatiegeest den weg over Egypte naar het zuidelijk Arabië vond. Ter onderscheiding van dit Javan van het moederland in Vers 13 zou dan zijn bijgevoegd "van Usal" (de omreizer) d. i. Saäna, de hoofdstad in Jemen (Genesis 10:27). Bij het gladde, glinsterende ijzer moet men vooral denken aan de bij de Arabieren en in het gehele Oosten zo beroemde degenklinken van Jemen. Hoe meer Tyrus het Arabische monopolie in dien tijd en reeds sedert vroege tijden aan zich had getrokken, des te uitvoeriger vertoeft de Profeet bij de optelling der vele voor den handel gewichtige punten in Arabië. Dedan leverde prachtige paardendekken, zo als die in het Oosten kentekenen waren van den voornamen man, en in `t algemeen voorwerpen van weelde; daarom gebood de Kalif Hakem den Christenen op slechte zadels te rijden. Bij de Dedanieten worden vervolgens nog een paar andere stammen van noordelijk- en midden-Arabië gevoegd, de Arabieren en Kedarenen als vertegenwoordigers der Nomadische Bedouïnen.
De kostbare specerij uit Seba en Raëma is waarschijnlijk de echte balsem. De bergen van Hadramaut en Jemen leveren allerlei edelgesteenten, en het laatste werd door de ouden voor zeer rijk in goud gehouden, hoewel men dit edel metaal daar nu niet meer vindt. Het noemen der handelaars van Seba (Genesis 10:7, 1 Koningen 10:7) tussen Mesopotamische plaatsen is daaruit te verklaren, dat de Sabeërs, de bewoners van her land van den wierook, die van den Perzischen zeeboezem komt, hun waren naar de stad Carrhae (Haran) brachten, waar zij hun jaarmarkten hielden en van daar naar Gebal of Byblus in Fenicië en tot het Palestijnse Syrië pleegden te trekken. Alzo zijn deze handelaars als de bemiddelaars van den handel tussen Mesopotamië en Tyrus genoemd en wel niet ongepast midden tussen de plaatsen, welke aan de beide grote Mesopotamische handelsstraten de gewichtigste handelsplaatsen waren. Kilmad is de grote en rijke stad Charmanda, in ene woeste streek aan gene zijde van den Eufraat. Het daarnevens genoemde Assur kan natuurlijk niet het land Assyrië zijn, maar alleen de handelsplaats Sura, heden Essuriëh, dat aan dezen oever van den Eufraat boven Thapaskus ligt.
Dat Tyrus juist midden in zijne grootheid, staande op het toppunt van macht en heerlijkheid den doodsteek ontvangt, is juist hetgeen het gedenkwaardige en Gods rechtvaardige besturing levendig voorstelt. Daarom werpt de Profeet in Vers 25 nog een blik op deze trotse gerustheid, waarmee Tyrus elken aanval meende te kunnen trotseren, en daar stond als de onbedwingbare vesting, zoals dan ook het "midden in de zee" op zeer effectvolle wijze in het volgende vers wederkeert.