Jesaja 33:13-24
Hier is een inleiding, die aandacht eist, en het betaamt dat allen, beide die verre zijn en die nabij zijn, letten op hetgeen God zegt en doet, vers 13. Hoort, gijlieden, die verre zijt, ver, hetzij ten opzichte van plaats of van tijd. Laat ver verwilderde streken en toekomstige eeuwen horen wat God gedaan heeft. Zij doen het, zij zullen het doen uit de Schrift, met even veel zekerheid als zij, die nabij zijn, de naburige volken, en zij, die toen leefden. Maar wie zij ook zijn, die horen, hetzij die nabij is of die ver zijn, wat God gedaan heeft, laat hen Zijn macht erkennen, die onweerstaanbaar is, laat hen erkennen dat Hij alles doen kan. Diegenen zijn zeer stompzinnig, die horen wat God gedaan heeft en toch Zijn macht niet willen erkennen.
Wat nu is het, dat God gedaan heeft en waarvan wij nota moeten nemen, en waarin wij Zijn macht moeten erkennen?
I. Hij heeft de zondaren te Zion verschrikt, vers 14, beving heeft de huichelaars aangegrepen. Er zijn zondaren te Zion, huichelaars, die van Zions voorrechten genieten en deelnemen aan Zions erediensten-maar hun hart is niet recht in de ogen Gods, zij houden de zonde aan onder de dekmantel van een zichtbare en uitwendige belijdenis, hetgeen hen als huichelaren doet kennen. Zondaren te Zion zullen zeer veel te verantwoorden hebben, meer dan andere zondaren, en hun plaats in Zion zal zo weinig hun veiligheid waarborgen, dat zij beide hun zonde en hun straf zal verzwaren. Deze zondaren te Zion, die altijd aan angst en verschrikking onderhevig zijn geweest, waren nu door een meer dan gewone ontsteltenis aangegrepen, daar hun geweten hen van schuld overtuigde.
1. Toen zij het Assyrische leger Jeruzalem zagen belegeren en op het punt om het in brand te steken en in de as te leggen, en de wespen in het nest te verbranden, bevindende dat zij niet naar Egypte konden ontkomen, zoals dit aan sommigen gelukt was, en de beloften wantrouwende, die God door Zijn profeten gegeven had, dat Hij hen zou verlossen waren zij ten einde raad en liepen zij rond als mensen, die van hun zinnen beroofd zijn, roepende: "Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Laat ons dus de stad verlaten en elders een goed heenkomen zoeken, men zou even goed bij een eeuwige gloed kunnen wonen als hier." Wie zal voor ons opstaan tegen dit verterende vuur? Zo lezen het sommigen. Zie hier hoe het de zondaren te Zion te moede is als Gods oordelen zijn uitgegaan, zolang er slechts mee gedreigd werd, hebben zij ze gering geacht, hebben zij ze niet geteld, maar als zij staan uitgevoerd te worden, slaan zij tot het andere uiterste over, dan vergroten zij ze, stellen er zich het ergste van voor, zij noemen ze verterend vuur en eeuwigen gloed, en wanhopen aan hulp of redding. Zij, die rebelleren tegen de geboden van het Woord, kunnen er in tijd van nood de vertroostingen niet van smaken. Of liever:
2. Toen zij het Assyrische leger verdelgd zagen, want de verdelging daarvan is het vuur waarvan onmiddellijk tevoren gesproken is vers 11, 12, toen de zondaren te Zion zagen welk een ontzettend strafgericht door Gods toorn gehouden was, waren zij in grote angst daar ze zich bewust waren dat zij die God hadden getergd door hun heimelijk aanbidden van andere goden, en daarom roepen zij: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan, voor hetwelk zo groot een heirleger slechts is als doornen? Wie is er onder ons die bij deze eeuwige gloed wonen kan, die het Assyrische leger als de verbrandingen van de kalk heeft gemaakt? vers 12. Zo zeiden zij, of hadden zij moeten zeggen. Gods oordelen over de vijanden van Zion moeten de zondaren te Zion verschrikken, ja David zelf siddert er voor, Psalm 119:120. God zelf is dit verterend vuur, Hebreeën 12:29. Wie kan voor Hem bestaan? 1 Samuël 6:20. Zijn toorn zal hen tot in eeuwigheid branden, die er zich tot brandstof voor hebben gemaakt, het is een vuur, dat nooit uitgeblust zal worden en nooit vanzelf zal uitgaan, want het is toorn van een eeuwig God, knagende aan het geweten van een onsterflijke ziel De stoutmoedigste zondaren zijn er niet tegen bestand. zij kunnen er noch de volvoering van verduren noch de ontzettende verwachting ervan. Laat ons allen hierdoor opgewekt worden om de toekomende toorn te ontvlieden, door tot Christus te vlieden als onze toevlucht.
II. Hij heeft genadiglijk voorzien voor de veiligheid van Zijn volk, dat op Hem vertrouwt. Hoort dit, en erkent Zijn macht in hen, die in gerechtigheden wandelen en die billijkheden spreken in de hoogten te doen wonen, vers 15, 16.
Wij hebben hier:
1. Het karakter van de Godvruchtige, dat hij behoudt, zelfs in tijden van heersende goddeloosheid, en het wordt in onderscheidene bijzonderheden beschreven.
A. Hij wandelt in gerechtigheden, in geheel zijn wandel laat hij zich leiden door hetgeen recht en billijk is, en legt hij er zich op toe om aan iedereen te geven wat hem toekomt aan God wat Gode toekomt en aan de mensen wat hun toekomt. Zijn wandel is de gerechtigheid zelf, hij zou om de gehele wereld te winnen geen onrechtvaardigheid willen begaan.
B. Hij spreekt billijkheden, hij spreek oprechtheden, zo is het in het Hebreeuws, hij spreekt wat waar en recht is, en met eerlijke oprechte bedoeling. Hij kan niet het een denken en wat anders zeggen, niet naar de ene kant zien en roeien naar de anderen kant. Zijn woord is hem even heilig als zijn eed, en is dus niet ja en neen.
C. Zó ver is het van hem om onrechtmatig gewin te begeren, dat hij het veracht, hij acht het iets laags en vrekkige, iets dat niet voegt aan een man van eer, om zich te verrijken door een handeling, die aan zijn naaste ontbering en lijden veroorzaakt. Hij veracht het om iets onrechtvaardigs te doen, ja om iets strengs te doen, al zou hem dit ook voordeel aanbrengen. Hij overschat het gewin niet, en daarom kan hij gemakkelijk het gewin verafschuwen, dat op oneerlijke wijze verkregen wordt.
D. Zo hem ooit steekpenningen in de hand geduwd worden om het recht te verdraaien, schudt hij zijn hand uit ten einde ze niet vast te houden, en hij doet het met de uiterste verfoeiing, daar hij het als een belediging beschouwt dat zij hem aangeboden werden.
E. Hij stopt zijn oren voor alles wat de strekking heeft tot wreedheid of bloedvergieten, of voor inblazingen, die hem aansporen tot wraak, Job 31:31. Hij leent een doof oor aan hen, die zich verlustigen in oorlog en hem verlokken om lotgemeen met hen te worden, Spreuken 1:14, 16.
F. Hij sluit zijn ogen toe, dat hij het kwade niet aanzie. Hij heeft zo'n afschuw van de zonde, dat hij het niet dragen kan om te zien dat anderen haar bedrijven, en zelf is hij op zijn hoede tegen alle gelegenheden er toe. Zij die de reinheid van hun ziel wensen te bewaren, moeten streng wachthouden over de gewaarwordingen van hun lichaam, hun oren stoppen voor verzoekingen en hun ogen afwenden van ijdelheid te zien. 2. Des Godvruchtigen vertroostingen, die hij behouden kan zelfs in tijden van algemene rampen, vers 16.
A. Hij zal veilig wezen, hij zal aan het verterend vuur en de eeuwige gloed ontkomen, hij zal toegang hebben tot en gemeenschap oefenen met die God, die een verterend vuur is, maar voor hem een verblijdend licht zal wezen. En wat betreft tegenwoordige moeilijkheden, of rampen, hij zal in de hoogte wonen, buiten het bereik ervan, ja buiten het gehoor van het rumoer ervan, hij zal er niet wezenlijk door geschaad worden, ja hij zal er niet grotelijks door verschrikt worden, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken, of, indien zij hem aanvallen, dan zullen de sterkten van de steenrotsen zijn hoog vertrek zijn, sterk en onneembaar, versterkt door de natuur zowel als door kunst. De Goddelijke macht zal hem veilig bewaren, en zijn geloof in die macht zal hem kalm en gerust doen zijn. God, de Rots van de eeuwen, zal zijn hoog vertrek wezen.
B. Hij zal van al het nodige voorzien zijn, hij zal geen gebrek hebben aan iets, dat noodzakelijk voor hem is, zijn brood wordt hem gegeven, zelfs als de stad het nauwst door de belegeraars wordt ingesloten en de toevoer van levensmiddelen is afgesneden, en zijn wateren zijn gewis, hij zal zeker zijn van de voortduur ervan, zodat hij zijn water niet bij mate en met verbaasdheid zal drinken, die de Heere vrezen hebben geen gebrek aan iets dat goed voor hen is.
III. Hij zal Jeruzalem beschermen en het verlossen uit de handen van de aanvallers. Deze storm, die hen bedreigt, zal voorbijgaan en hun staat zal wederom voorspoedig zijn. Er worden hier vele voorbeelden van gegeven.
1. Hizkia zal zijn zak afleggen en al de droefheid van zijn gelaat, en hij zal in het openbaar verschijnen in zijn schoonheid, in zijn koninklijk gewaad, en met een aangenaam voorkomen, vers 17, tot grote vreugde van al zijn liefhebbende onderdanen. Aan hen, die in gerechtigheden wandelen, zal niet alleen brood worden gegeven, en niet slechts zullen hun wateren gewis zijn, maar zij zullen met het oog des geloofs de Koning van de koningen zien in Zijn schoonheid, de schoonheid van de heiligheid, en die schoonheid zal over hen wezen. Psalm 90:17." De schoonheid des Heeren onzes Gods zij over ons."
2. Het beleg opgeheven zijnde, door hetwelk zij strikt binnen de muren van Jeruzalem moesten blijven, zullen zij nu vrij zijn om uit te gaan op hun zaken of voor hun genoegen, zonder gevaar van in des vijands handen te vallen, en zij zullen een ver gelegen land zien, zij zullen de verst afgelegen hoeken van het land bezoeken, en een blik werpen op de aangrenzende landstreken, hetgeen zoveel aangenamer zal zijn na zolang opgesloten te zijn geweest. Aldus aanschouwen de gelovigen het hemelse Kanaän, het land dat zeer ver is, en in boze tijden vertroosten zij er zich mede.
3. De herinnering aan de angst en de benauwdheid, waarin zij verkeerd hebben, zal nog toevoegen aan de blijdschap over hun verlossing, vers 18. Hun hart zal de verschrikking verdenken, er met blijdschap aan denken, nu zij voorbij is. Gij zult denken dat gij de alarmkreet nog hoort in uw oren, toen het geroep weerklonk: Te wapen! te wapen! te wapen! ieder naar zijn post! Waar is de schrijver, de staatssecretaris voor oorlog? Dat hij verschijne met zijn monsterrol. Waar is de betaalsheer van het leger? Laat hem zien wat hij in kas heeft om de kosten van de verdediging te bestrijden. Waar is hij, die de torens telt? Laat hem er het verslag van inleveren, opdat zorg gedragen worde dat in ieder van hen een voldoend aantal mannen gelegerd worde." Of deze woorden kunnen genomen worden als Jeruzalems juichen over het verslagen leger van de Assyriërs, te meer omdat de apostel er op zinspeelt, als hij triomfeert over de geleerdheid van deze wereld, toen zij verslagen werd door het Evangelie van Christus, 1 Corinthiers 1:20. De jonkvrouw, de dochter Zions veracht al hun krijgstoebereidselen. Waar is de schrijver, of krijgscommissaris van het Assyrische leger? Waar is hun schatmeester, en waar zijn hun ingenieurs, die de torens telden? Allen zijn zij of dood, of gevloden. Zij zijn ten einde.
4. Zij zullen niet meer verschrikt worden door het gezicht van de Assyriërs, die van nature een woest, wild uitziend volk waren, en inzonderheid zeer wreed en woest jegens het volk van de Joden, en ze waren van een vreemde taal en konden noch hun smekingen noch hun klachten verstaan en dat gaf hun een voorwendsel om er doof voor te zijn, en zij konden ook niet verstaan worden, het is een volk zo diep van spraak, dat men het niet verstaan kan, hetgeen hen nog geduchter maakt, vers 19. Uw ogen zullen hen niet meer zo stuurs, zo woest zien, hun gelaat zal een geheel ander aanzien hebben, als zij daar allen dood nederliggen.
5. Zij zullen geen gevaar meer vrezen voor Jeruzalem, Zion en de tempel aldaar, vers 20. "Schouwt Zion aan, de stad van onze bijeenkomsten, de stad, waar onze plechtige, heilige feesten gevierd worden, waar wij plachten bijeen te komen ter aanbidding Gods." In de tijd van hun benauwdheid waren de Godvruchtigen onder hen het meest in zorg en droefheid over Zion omdat het de stad van hun plechtige bijeenkomsten was, in zorg en vrees dat de overwinnaar de tempel zou verbranden, en zij die niet meer zouden hebben om er hun plechtige feesten in te houden. In tijden van openbaar gevaar moeten wij ons het meest bekommeren om onze Godsdienst, en de steden onzer bijeenkomsten behoren ons dierbaarder te zijn dan onze vaste steden of onze voorraadsteden. Het is met het oog daarop, dat God verlossing zal werken voor Jeruzalem, omdat het de stad is van de Godsdienstige plechtigheden, laat deze nauwgezet gehouden worden als de roem en heerlijkheid van een volk, en dan kunnen wij op God rekenen om een verdediging er voor te scheppen. Er worden hier twee dingen aan Jeruzalem beloofd:
a. Een goed gegronde veiligheid, het zal een geruste woonplaats zijn voor het volk van God, zij zullen niet meer zoals vroeger gekweld en ontroerd worden door de verschrikking van het zwaard van de krijg of van de vervolging hoofdst. 29:20. Het zal een geruste woonplaats zijn daar het de stad van onze bijeenkomsten is. Het is wenselijk om rustig te zijn in onze eigen huizen, maar veel meer nog om rustig te zijn in Gods huis en daar niemand te hebben, die ons beangstigt. Zo zal het wezen met Jeruzalem en uw "ogen zullen het zien," hetgeen voor een Godvruchtige een grote voldoening zal zijn, Psalm 128:5-6. "Gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen, en vrede over Israël gij zult lang genoeg leven om het te zien en er in te delen."
b. Een onbewogen vastheid. Jeruzalem, de stad van onze bijeenkomsten, is in vergelijking met het Nieuwe Jeruzalem toch slechts een tent. De tegenwoordige openbaringen van de Goddelijke heerlijkheid en genade zijn niets in vergelijking met die, welke weggelegd zijn voor de toekomende staat, maar het is een tent, die niet terneer zal geworpen worden. Als deze benauwdheid voorbij is, zal Jeruzalem gedurende lange tijd een duurzame vrede genieten, en haar heilige voorrechten, die de pinnen en zelen zijn van haar tent, zullen niet van haar weggenomen worden en in de regeling van haar eredienst zal geen stoornis zijn. Gods kerk op aarde is een tent, die wel van de ene plaats naar de andere kan overgebracht worden, maar niet terneer wordt geworpen, zolang de wereld bestaan zal, want in iedere eeuw zal Christus een zaad hebben, dat Hem dient, de beloften van het verbond zijn haar pinnen, die nooit weggenomen zullen worden, en de ordinanties en inzettingen van het Evangelie zijn haar zelen die niet verscheurd zullen worden. Het zijn dingen, die niet bewogen kunnen worden, maar zullen blijven, al zouden hemel en aarde wankelen.
6. God zelf zal hun beschermer en verlosser zijn, vers 21, 22. Dat is de voornaamste grond van hun vertrouwen. "Hij, die zelf de heerlijke is, zal Zijn heerlijkheid voor ons tentoonspreiden, en een heerlijkheid voor ons zijn, die de mededingende heerlijkheid van de vijand zal verduisteren." Door een genadige Heere te zijn is God een heerlijke Heere, want Zijn goedheid is Zijn heerlijkheid. God zal de Verlosser zijn van Jeruzalem en haar heerlijke Heere.
A. Als een wachter tegen hun tegenstanders van buiten. Het zal een plaats van rivieren en wijde stromen zijn. Jeruzalem was niet zoals de meeste grote steden aan een aanzienlijke rivier gelegen, slechts de Kidron stroomde haar voorbij, en zo ontbrak haar een van de beste versterkingen zowel als een van de grootste voordelen voor handel en verkeer, en hierom hebben hun vijanden hen veracht, en twijfelden zij niet of zij zouden een gemakkelijke prooi van hen maken, maar de tegenwoordigheid en de macht des Heeren zijn te allen tijde genoegzaam om alles wat er aan het schepsel aan kracht of schoonheid ontbreekt te vergoeden. In God hebben wij alles, alles wat wij nodig hebben of kunnen begeren. Vele uitwendige voordelen ontbreken aan Jeruzalem, die andere plaatsen hebben, maar in God hebben zij hetgeen er meer dan tegen opweegt. Maar indien er rivieren en wijde stromen om Jeruzalem heen zijn, zouden deze dan aan een vijandelijke vloot geen gemakkelijken toegang kunnen geven tot de stad? Neen, dat zijn rivieren en stromen, waarop geen door roeiriemen voortgedreven galeien varen, geen oorlogschip, geen voortreffelijk schip zal gezien worden. Als God zelf de rivier is, dan moet zij wel ontoegankelijk wezen voor de vijand, zij kunnen er noch de weg door vinden, noch er zich met geweld een weg overheen banen.
B. Als een gids voor hun zaken in het eigen land. "Want de Heere is onze Rechter aan wie wij rekenschap hebben te geven, op wiens rechterstoel wij ons beroepen, aan wiens uitspraak wij ons houden, en die derhalve (naar wij hopen) recht voor hen doen zal. Hij is onze Wetgever, Zijn woord is ons wet, alle gedachte in ons is gevangen geleid tot gehoorzaamheid aan Hem. Hij is onze Koning aan wie wij hulde en belasting betalen, en een onverbreekbare trouw bewijzen, en daarom zal Hij ons behouden." Want gelijk bescherming trouw verwekt, zo kan trouw bescherming verwachten en haar ook van God ervaren. Door het geloof nemen wij Christus aan als onze Vorst en Zaligmaker, en als zodanig steunen wij op Hem, en wijden wij ons toe aan Hem.
Merk op, met welk een gevoel van triomf en met welk een nadruk op de heerlijken naam van God zij zich vertroosten met dit: Jahweh is onze Rechter, Jahweh is onze Wetgever, Jahweh is onze Koning, die uit zichzelf bestaande, ook zelfgenoegzaam is en algenoegzaam is voor ons.
7. De vijanden zullen geheel verdwaasd zijn, al hun kracht is verbroken, al hun plannen zijn verijdeld, als een schip op zee, dat door zwaar weer geteisterd de storm het hoofd niet kan bieden, daar het tuig gescheurd is, de masten gebroken zijn en er geen middel is tot repareren, dat als een wrak wordt opgegeven, bevindende dat zij de masten niet kunnen versterken of stevig maken, maar dat zij naar beneden zullen komen. Zij dachten zich zeker van Jeruzalem, maar juist toen zij als het ware de haven binnenkwamen en meenden dat alles nu het hun was, werden zij door windstilte overvallen en konden zij de zeilen niet uitzetten maar lagen zij daar door tegenwind opgehouden, totdat God Zijn gramschap over hen uitstortte. De vijanden van Gods kerk zijn dikwijls ontwapend en onttuigd, als zij denken hun doel bijna bereikt te hebben. 8. De schatten van hun legerkamp zullen een rijke buit zijn voor de Joden de roof van een overvloedigen buit zal uitgedeeld worden. Toen de meesten gedood waren, zijn de overigen in verwarring gevlucht, en met zo'n overhaasting, dat zij (evenals de Syriërs) hun tenten lieten zoals zij waren, en al de schatten, die erin waren, in de handen vielen van de belegerden, en zelfs de lammen de roof roofden, zij, die thuis bleven, deelden de roof er was zo gemakkelijk aan te komen, dat niet slechts de krachtige man er zich meester van kon maken, maar ook de lamme, wiens handen lam waren zodat hij niet kon strijden, en wiens voeten kreupel waren zodat hij niet kon vervolgen. Gelijk de overwinning geen gevaar voor hen opleverde, zo kostte hun het roven van de buit geen moeite, en er was zo'n overvloed van dat zij, die voortvarend waren en het eerst kwamen, zoveel wegdroegen als zij wilden, en de lammen, die laat kwamen, toch nog genoeg vonden. Aldus heeft God uit het kwade het goede doen voortkomen, en Jeruzalem niet slechts verlost, maar verrijkt, en de verliezen, die zij hadden geleden, ruimschoots vergoed. Op zo goede en troostrijke wijze zullen de benauwdheden van Gods volk dikwijls eindigen.
9. Beide ziekte en zonde zullen weggenomen worden, en ziekte wordt dan weggenomen in genade, wanneer dit al de vrucht ervan is, en de herstelling ervan de wegneming is van de zonde.
A. Geen inwoner zal zeggen, ik ben ziek. Gelijk de lammen de roof zullen roven, zo zullen de zieken in weerwil van hun zwakheid naar het verlaten legerkamp weten te komen, om iets van de roof voor zich te nemen, of, er zal zo'n algemene vervoering van vreugde wezen bij deze gelegenheid, dat zelfs de kranken voor het ogenblik hun ziekte en de smarten er van zullen vergeten, om zich met het algemene vreugdebetoon te verenigen, de verlossing van hun stad zal hun genezing zijn. Of, het geeft te kennen dat, terwijl gewoonlijk besmettelijke ziekten het gevolg zijn van langdurige belegeringen, dit toch niet zo zijn zal met Jeruzalem maar dat de inwoners met de overwinning er, de vrede ook gezondheid zullen hebben, en er geen klachten zullen zijn over ziekte binnen haar poorten, of, zij die ziek zijn, zullen hun ziekte dragen zonder te klagen, zolang zij zien dat alles wel is met Jeruzalem. Ons gevoel van persoonlijke grieven moet zich oplossen in dankbaarheid voor openbare en algemene zegeningen.
B. Het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben, niet alleen aan het volk als geheel zal de nationale schuld vergeven worden in de wegneming van het nationale oordeel, meer particuliere personen, die daarin wonen, zullen berouw hebben en zich bekeren, en vergeving ontvangen van hun zonden. En dit is beloofd als hetgeen op de bodem is van alle andere gunsten, Hij zal zo en zo voor hen doen, "want Hij zal hun ongerechtigheden genadig zijn," Hebreeën 8:12. Zonde is de ziekte van de ziel, als God de zonde vergeeft, dan geneest Hij de ziekte, en als de krankheden van de zonde genezen zijn door vergevende genade, dan is de prikkel uit de lichaamskrankheid weggenomen met de oorzaak ervan, zodat de inwoners of niet ziek zullen zijn, of ten minste, niet zullen zeggen: ik ben ziek. Als de ongerechtigheid weggenomen is, dan hebben wij weinig reden om over uitwendige beproevingen te klagen. Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven.