6. En hare dochteren, die in het veld zijn, de bewoners der steden, die tot haar gebied behoren en der plaatsen op het open land zullen met het zwaard gedood worden, en zij, de Tyriërs met wie tot hen behoren, zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
In Vers 1 wordt niet gezegd welke maand het is. Men heeft daarom het woord "maand" in zijne hoogste betekenis genomen, als het hoofd der maanden, de eerste en uitgezochtste onder deze, namelijk Abib (Exodus 12:2): Zo deden ook wij naar Luther, die de Septuaginta volgt, en in verband met de plaats: Hoofdstuk 29:17. Beter vult men wellicht in of die maand, aan welke ieder Israëliet bij het noemen van dat elfde jaar van zelf dacht, de vierde (2 Koningen 25:3), aan die der laatst voorafgegane tijdsbepaling (Hoofdstuk 24:1): "op den eersten dag der tiende maand" hetgeen ons dan verplaatst op het einde van het jaar 588, nadat Jeruzalem reeds 5 maanden verwoest lag, terwijl volgens de andere aanvulling de verovering dadelijk nabij was. "De aanwijzing van de gelijkheid der maand met Hoofdstuk 24:1 vestigt de aandacht op de gelijkheid van toestand; dßßr de dag van het begin van Jeruzalems belegering, hier de dag van het begin der belegering van Tyrus. In dezelfde maand, waarin Tyrus vóór 2 jaren jubelde, moet het nu schreien. Toen Ezechiël deze profetie uitsprak was de verkondiging tegen Jeruzalem door verovering en verwoesting der stad reeds tot vervulling gekomen; nu kwam de beurt aan hare heidense mededingster Tyrus, die zich had verheugd over Jeruzalems ondergang, in de mening, dat zij vrij zou blijven en door Jeruzalems val winnen zou.
Veel langer den bij de andere volken toeft Ezechiël (tot Hoofdstuk 28:19) bij het lot van Tyrus. Zijne macht werd toen voor ene der meest betekenende gehouden, tegen welke menselijke macht niets kon uitrichten. Het was een tijd, in welken Tyrus zijn toppunt van uitwendigen glans had bereikt. Zegerijk had het de wapenen der Assyriërs weerstaan, vroegere twisten schijnen toen bijgelegd geweest te zijn, en Tyrus in nauwer verband met de overige hoofdsteden van Fenicië, Sidon, Arvad en Byblos te hebben gestaan (Hoofdstuk 27:8). Cyprus, een voorname steun van Tyrus, was na vergeefse pogingen, om zich onafhankelijk te maken, tot gehoorzaamheid teruggebracht. De gunstige toestand der eilandenstad scheen iederen storm te trotseren, en de macht kwam geheel met den overmoed overeen; men hield zich voor onverwinlijk, verheven boven alle volken in verstand en kracht. Met den hoogmoed ging eindelijk onverzadelijke hebzucht hand in hand, voor welke het toppunt van macht en rijkdom, dat men bereikt had, niet meer voldoende was, maar alleen tot nieuwere begeerte opwekte. Onder deze omstandigheden verkondigt Ezechiël aan de stad den ondergang. Niets was leerrijker voor het verbondsvolk in dien tijd, dan zulk ene daad van zijnen God; hier kwam de hogere hand, die een zwaar, niet terug te houden gericht over de volken liet komen, bijzonder duidelijk en sterk te voorschijn. Was de val van de macht der Tyriërs onder Alexander (1 Makk. 1:4) een wonder in de ogen der heidenen, zo moest het reeds hier onder Nebukadnezar als een merkwaardig teken van Goddelijke gerechtigheid staan.
Terwijl de Profeet den staf des woords tegen Tyrus zwaait verheft zich zijne rede geweldiger, en donderen zijne reden tegen de oude rotsstad als de aanrollende golven der zee. De taal doopt zich geheel in de kleur der overmoedige handelsveste, die over Jeruzalems val triomfeert. Zij verheugt zich, dat hare mededingster, die zij ene poort der volken noemt, nu woest geworden is, en haar leven zich nu tot haar moet wenden, opdat zij vervuld worde met hare heerlijkheid. Daarom zal echter ook de Heere nu tot haar zelf komen. Zich nauwkeurig houdende aan de plaatselijke omstandigheden laat de Profeet het uit verschillende volken zamengestelde leger der Chaldeën als golven der zee tegen Tyrus opstijgen, opdat deze zijne muren verwoesten en zijne torens wegrukken. Treffender kon de gehele ontlediging en verwoesting der stad niet worden uitgedrukt dan wanneer gezegd wordt, dat de Heere haar stof zal wegvegen en haar tot ene naakte rots, of tot ene droge plaats midden in de zee zal maken, waar men de visnetten uitbreidt. Niet alleen moet de stad een buit der volken worden, maar ook in den omtrek, in de op het veld verstrooid liggende vlekken en dorpen zal het zwaard der moordenaars woeden, opdat de trotsheid verootmoedigd worde en tot erkentenis van Jehova kome.
Op den achtergrond onzer profetie staat als dat Tyrus, waarop zij met hare eigenlijke, geestelijke vervulling doelt, de tegenwoordige tijdgeest, die zich geheel en al in aardse en stoffelijke belangen beweegt. Reeds nu roepen die van de Christelijke kerk zijn "Heah", dat deze poort der volken moet worden verbroken en het recht der heilige stad tot hen moet overgaan. Maar de golven der zee, welke tegen muren en torens van het moderne Tyrus zich moeten wentelen, staan reeds gereed hun werk aan te vangen en hun roeping te vervullen, wanneer het daartoe bepaalde uur komt. Slechts het twintigste deel van 70 jaren is het, dat het Jeruzalem der Christelijke, inzonderheid der Evangelische kerk als in puin moet liggen. (Openbaring 1:7). Van Tyrus zal echter het tiende deel vallen, en in de aardbeving zullen zeven duizend namen der mensen worden gedood. (Openbaring 1:13). Er zal geen menschenleven voorbijgaan, of de geschiedenis zal de commentaar schrijven tot de raadselachtig klinkende woorden; wij kunnen ons van nadere aanwijzingen onthouden, hoezeer ook het thema: "Tyrus tegen Jeruzalem, ene tijdstudie, " zoals Schröder het genoemd heeft, tot ene behandeling uitnodigt, en wij gaan liever met aanmerkingen der uitleggers ook tot de afzonderlijke punten der voor ons liggende plaats over.
De algemene gedachte in Vers 2 is deze: de wereld triomfeert over de kern, wanneer deze zware nederlagen lijdt en door de gerichten Gods wordt bezocht, maar haar lachen zal in schreien worden veranderd. Beide, Jeruzalem en Tyrus, maakten er aanspraak op de wereldstad te zijn, de ene, daar zij als het hoogste goed de ware godsdienst aanzag, de andere omdat zij het als reële stoffelijke winst en aardsen rijkdom beschouwde. Door de inneming van Jeruzalem scheen het proces ten gunste van Tyrus beslist te zijn, en Tyrus jubelt over die beslissing.
De rede der Tyriers: "zij is verbroken, de poort der volken" moeten wij zo opvatten, dat zij in het trekken der volken naar Jeruzalem, d. i. in de aantrekkingskracht, welke Jeruzalem als de plaats van de openbaring der Goddelijke genade, van wet en recht des Heeren op de volken uitoefent, ene benadeling zag van haar streven om alle volken tot zich te trekken, en tot haar doel te gebruiken. En daarom verheugde zij zich nu over de verwoesting van Jeruzalem, omdat zij hoopte, dat zij nu alleen de volken tot zich zou kunnen trekken en zich met hun goederen verrijken. Daarbij behoeft men de Tyriërs geen inzicht toe te kennen in de geestelijke roeping van Jeruzalem, die hoger is dan heidense opvattingen, reeds de omstandigheid dat Jeruzalem door hare plaats in de wereld de belangen der koopmansstad scheen te benadelen, was genoeg, om leedvermaak over den val der Godsstad op te wekken, daar dienst van God en van Mammon onverenigbare tegenstellingen vormen.
Vele volken zouden nu tot haar stromen, meende nu Tyrus, en God vatte hen bij hun woord; maar hoe? Tegenover de trotse golfslagen van het zich inbeeldende hart komen de hoog slaande golven der vergelding, en de vele heidense volken, die God over hen brengt, antwoorden op hare hoogmoedige speculaties in hare blijdschap over Jeruzalems val. De zee, die de troost was van Tyrus, wordt nu haar schrik.
Met toespeling op den naam en de ligging der eilandstad verklaart de Profeet, dat de stad weer worden zou, wat zij oorspronkelijk was, ene naakte, kale rots, (want uit twee zulke rotsen, die men als woonplaats der goden beschouwde en de Ambrosische rotsen noemde (Hoofdstuk 28:2) bestond aanvankelijk het eiland-eerst door aanbrenging van aarde werden zij bewoonbaar gemaakt). De muren en torens waren naar de landzijde bijzonder sterk en in de oudheid beroemd. Koning Hiram had zich in dit opzicht bijzonder verdienstelijk omtrent de stad gemaakt. Na het wegnemen dier beschuttingen is zij nu ook des te meer aan de willekeur der verdelgingszucht prijs gegeven. Zelfs het stof der in puinhopen veranderde woonplaatsen zal niet overblijven, en de stad zal ene plaats worden, waar armzalige visschershutten zijn opgeslagen.