Ezechiël 25:8-17
Drie andere aartsvijanden van Israël worden nu beschuldigd, van schuld overtuigd en ten ondergang gedoemd, omdat zij meegeholpen hebben tot en zich verblijd over Israëls val.
I. De Moabieten. Seïr, de zetel van de Edomieten, heeft zich met hen verbonden, vers 8, maar daarmee wordt later afgerekend, vers 12. Let nu hierop,
1. Wat de zonde van de Moabieten was, zij hadden gezegd: Zie, het huis van Juda is gelijk alle de heidenen. Zij hadden getriomfeerd.
a. In de afval van Israël, en er vermaak in gehad, dat het God verlaten en afgoden gediend had. Zij hadden gehoopt, dat zijn godsdienst weldra in onbruik en vergetelheid geraakt zou zijn, en het huis van Juda, gelijk alle de heidenen, volmaakte afgodendienaars. Als zij, die de ware godsdienst belijden, hun belijdenis verloochenen, dan geven ze de vijanden van die godsdienst aanleiding, te hopen, dat die te eniger tijd geheel verdwijnen zal. Laat de Moabieten evenwel weten, dat, al hebben die van Juda zich gedragen als de heidenen, er nog een overblijfsel getrouw gebleven is, en de godsdienst van Juda in ere hersteld zal worden en zijn dienaren weer op de voorgrond treden zullen, Juda zal onder de heidenen niet opgelost, maar steeds van hen onderscheiden blijven, dat zijn godsdienst heerlijker zal geopenbaard worden.
b. In de rampen van Israël. Zij hadden gezegd: "Het huis van Juda is gelijk alle de heidenen", is in even slechte toestand als zij, hun God kan hen evenmin van deze overvloeienden gesel uit geen landen verlossen, als de goden van de heidenen daartoe in staat zijn. Waar zijn de beloften, waarin zij zich beroemden, waar al de wonderen, die zij en hun vaderen ons verteld hebben? Wat zijn zij beter om dat bijzonder verbond, waaraan zij zoveel waarde gehecht hebben? Zij, die met zoveel minachting op alle de heidenen neerzagen, staan nu met hen gelijk, of liever: zij zijn dieper gezonken. Zie, degenen, die alleen naar uiterlijke schijn oordelen, menen spoedig, dat Gods volk al zijn voorrechten verloren heeft, als zijn uitwendige voorspoed verdorven is, hetgeen echter voor Gods kinderen niet het geval is, zelfs niet in beproeving, in gevangenschap onder de heidenen. Ook dan hebben zij nog genade en troost in hun gemoed, genoeg om hen van de heidenen te onderscheiden. Al schijnt het, dat enerlei de rechtvaardigen en de goddelozen wedervaart, toch is er groot verschil tussen beide.
2. Wat de straf voor Moab zou zijn, voor deze zonde. Omdat zij gejuicht hebben over de ondergang van Juda, zal hun land op gelijke wijze verwoest worden als dat de Ammonieten, die aan dezelfde zonde schuldig stonden, vers 9, 10. Ik zal de zijden van Moab openen zal zijn schouder ontbloten, al zijn verweermiddelen wegnemen, opdat het een gemakkelijke prooi worde voor een ieder, die er buit roven wil.
a. Zie hier, hoe het zal overgeleverd worden: de grenssteden, die zijn krachten bescherming waren, zullen door de Chaldeën gesloopt en opengelegd worden. Enkele dier steden worden hier genoemd, die het sieraad des lands heten, waarop zij vertrouwden en zich als onneembaar beroemden, die zullen vervallen, verlaten of verraden worden, of in de hand des vijands vallen, zodat Moab onbeschermd is, en wie wil gemakkelijk tot in het hart des lands dan doordringen. Zie, wie zich beroemen in een andere bescherming en verdediging dan die van de goddelijke macht en voorzienigheid en belofte, zullen vroeger of later over die roem beschaamd worden. b. Ziehier waaraan zij overgegeven worden. Die van het oosten zullen, als zij bezit nemen van het land van de Ammonieten, ook dat van de Moabieten vermeesteren. God, de Here aller landen, zal hun dat land geven, want Hij geeft de koninkrijken van de aarde wie Hij wil. De Arabieren, die herders waren en vreedzaam leefden, eenvoudige lieden in tenten wonende, zullen door de allesbeheersende Voorzienigheid in bezit gesteld worden van het land van de Moabieten, die krijgslieden en listige jagers waren en een rumoerig leven leidden. De Chaldeën zullen het door oorlog veroveren, en de Arabieren het in vrede bezitten. Aangaande de Ammonieten staat geschreven: zij zullen onder de heidenen niet moet gedacht worden, want zij waren mee schuldig aan de moord op Gedalia, Jesaja 40:14. Maar van de Moabieten wordt getuigd: "Ik zal ook in Moab gerichten oefenen, zij zullen het gewicht van Gods misnoegen gevoelen, wellicht niet zo diep als de Ammonieten, maar zij zullen weten dat Ik de Here ben, de God Israëls die een machtig God ben, en Wiens verbond met zijn volk niet verbroken is."
II. De Edomieten, de nakomelingschap van Ezau, tussen wie en Jacob een oude vijandschap bestaan had. En hier is,
1. De zonde van de Edomieten, vers 12. Zij hadden zich niet alleen verheugd over de verwoesting van Juda en Jeruzalem, gelijk de Moabieten en de Ammonieten, maar zij hadden ook partij getrokken van de tegenwoordige treurige toestand, waartoe de Joden vervallen waren om hun wezenlijk kwaad te berokkenen, waarschijnlijk om invallen in het land te doen en te plunderen. Edom heeft uit enkel wraakgierigheid gehandeld tegen het huis van Juda. De Edomieten waren van ouds aan de Joden cijnsbaar geweest, naar de profetie, dat "de meerdere de mindere zou dienen." In de tijd van Joram stonden zij op. Amazia tuchtigde ze strengelijk, 2 Koningen 14:7, en hierover oefende zij nu wraak. Nu zochten zij verhaal voor al die vroegere vernederingen en hitsten niet alleen de Babyloniërs tegen Jeruzalem op, roepende: "Ontbloot het, ontsloot het, Psalm 137:7, maar zij brachten ook om die van het zwaard ontvloden waren," gelijk wij vinden in de profetie van Obadja, die geheel tegen Edom gericht is, vers 11, 12. Hier heet het, dat zij zich aan hen gewroken hebben, met wraakgierigheid gehandeld, hetgeen beduidt, dat zij wreed zijn te werk gegaan, en de Joden meer dan dubbel vergolden hebben. Hierin hebben zij zich zeer schuldig gemaakt. Zie, het is een grote overtreding tegen de Here, ons op onze broeder te wreken, want God heeft gezegd: Mij is de wrake. Gesteld, dat Juda vroeger hard voor de Edomieten geweest was, dan was het laag van de Edomieten om zich daarover te wreken en het heimelijk te slaan. Ons is verboden, ons te wreken of wrok te koesteren. Maar de Joden hadden een goddelijke waarborg, dat zij over de Edomieten heersen zouden, daarom hadden zij nog geen vergeldingsmaatregelen mogen nemen. Het was te meer onbehoorlijk van hen, de oude vijandschap te blijven koesteren, nu God Zijn volk uitdrukkelijk bevolen had, die vijandschap te vergeten, Deuteronomium 23:7 :"De Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder."
2. De oordelen, om deze zonde over Edom gedreigd. God zal het daarvoor bezoeken, vers 13 :Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom. Hun land zal woest worden van Theman af dat in het zuiden lag, en zij zullen tot Dedan toe, dat in het noorden lag, door het zwaard vallen, de verwoestingen des oorlogs zullen de gehele natie treffen.
a. Edom had wraak genomen, en daarom zal Hij Zijn wraak doen aan Edom, vers 14. Zij, die de wrake niet aan God overlaten, kunnen verwachten, dat God wraak op hen zal nemen. En zij, die Zijn wraak niet geloven en niet verwachten, zullen moeten knielen en Zijn wraak gevoelen, met hen zal gehandeld worden naar Gods toorn en naar Zijn grimmigheid, niet naar de zwakheid van de werktuigen, die daartoe gebruikt worden, maar naar de kracht des arms, die ze aanwendt.
b. Zij hadden zich gewroken op Israël, en God legt wraak op hen door de hand van Zijn volk Israël. Zij hebben veel van de Chaldeën geleden, waarop dit woord schijnt te zinspelen, Jeremia 49:8. "Maar behalve dat zouden er heilanden opkomen op de berg Zion, die de berg van Ezau zouden oordelen", Obadja: 21, en "Israëls Verlosser komt met besprenkelde klederen, van Bozra," Jesaja 63:1. Dit bevat een belofte, dat Israël zich in zulke mate zou herstellen, dat het in staat zou zijn, de onbeschaamdheid van zijn nabuur te straffen. Wij vinden, I Makk. 5:3, dat Judas Makkabeus tegen de kinderen van Ezau in Idumea streed, ze met kracht overwon, hun moed neerwierp en hun buit roofde, en Josefus zegt, "Antiq. Lib. 17 cap. 17, dat Hircanus de Edomieten aan Israël cijnsbaar maakte". Zie, het recht van Gods oordelen moet opgemerkt worden, wanneer Hij niet alleen het kwaad straft aan degenen, door wie het gedaan is, maar ook door hen, wie het gedaan is.
III. De Filistijnen.
1. Hun zonde is ongeveer dezelfde als die van de Edomieten. Ook zij hebben door wraak gehandeld en van harte wraak geoefend, niet alleen om Israël te verontrusten, maar door plundering om te vernielen door een eeuwige vijandschap, een vijandschap, die sinds lang bestaan had en die zij nog niet gedachten op te geven. De haat was onverzoenlijk, zij handelden door wraak, met boosaardigheid. Het was hun aanhoudend zinnen, daarop spitste zich hun wraakgierig hart aanhoudend.
2. Hun straf is ook weinig verschillend, vers 16. Zij, die Gods volk helpen verwoesten, zullen zelf afgesneden en verwoest worden, en, vers 17 zij, die wraak zochten, zullen vinden, dat God grote wraak onder hen doen zal met grimmige straffingen. Dit werd vervuld, toen het Chaldeeuwse leger hun land verwoestte, niet lang na de verovering van Jeruzalem, die in Jeremia 47 voorspeld is. Het was vreemd, dat die volken, welke aan de grenzen van Kanaän woonden, niet verschrikt werden door de voorspoed van de Babylonische wapenen en door hun eigen gevaar niet ontzet. Als iemands buurmans huis in brand staat, is het tijd, dat hij naar zijn eigen huis omziet, maar hun goddeloosheid en boosaardigheid deed hen de wijsheid vergeten, totdat God door Zijn oordelen hen overtuigde, dat Zijn beker rondging, en dat zij minder veilig dan zeker waren.