17. En Ik zal grote wraak met grimmige straffingen onder hen doen; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijne wraak aan hen gedaan zal hebben.
De Profeet richt zijn oog naar het uiterste westen op Filistea. Het is in gezindheid het meest verwant met Edom en door oudere Profeten reeds meermalen nevens deze geplaatst; ook bij deze wordt de oude vijandschap gestraft met uitroeiing van het alzo gezinde volk.
Evenals in Ammon, Moab en Edom drie generaties van het heidendom voorkomen, zo sluiten gepast de heidense Filistijnen het gehele beeld in.
In hun gezindheid omtrent het verbondsvolk gelijken de Filistijnen aan de Edomieten en Ammonieten, aan de eerste in wraakzucht, aan de andere in leedvermaak over Israëls verderf.
De vernietiging ook van het overblijfsel der zeehaven, wijst daarop, dat zij tot het laatste overschot zullen worden vernietigd, evenals inderdaad de Filistijnen tot het laatste overschot verdwenen zijn. Het is het grote voorrecht van het volk Gods, dat, hoe zwaar ook de Goddelijke gerichten over hen mogen zijn, toch nooit ten opzichte van hen: "Ik roei het overblijfsel uit, " geldt.
In het woord Gods van dit hoofdstuk stelt Ezechiël de voorzeggingen tegen de vier volken, die Juda omgeven, en over het bezit van het heilige land met hen in vijandschap en strijd zijn bij elkaar. Het viertal wijst op de vier oorden der wereld en daardoor op de algemeenheid, en wil zeggen, dat het met de gehele aan het volk Gods vijandige wereld op de ganse aarde niet anders zal gaan dan met deze vijandige volken, die naar vier zijden Juda omgeven.
Israël werd door deze allen niet om zijne zonden, maar om zijnen bijzonderen godsdienst vijandig bejegend. De zaak van Israël was dus de zaak van God. Gelukkig volk, gelukkige mensen, die men niet kan haten en smaden, zonder den Heere zelven te haten en te smaden.