14. En Ik zal Mijne wraak doen aan Edom door de hand van Mijn volk Israël, en zij, die van Mijn volk Israël zullen tegen Edom naar Mijnen toorn en naar Mijne grimmigheid handelen; alzo zullen zij, de Edomieten, Mijne wraak gewaar worden, spreekt de Heere HEERE.
Nog sterker verheft zich de rede tegen het wraakzuchtige Edom, dat in zijn gedrag omtrent Israël ene grote schuld op zich heeft geladen. Daarom wil Jehova Zijn eigen volk tot volvoering Zijner gerichten over Edom laten komen.
Edom is bij de Profeten eigenlijk de vertegenwoordiging van onverzoenlijken haat en wraakgierigheid tegen de theokratie, voortkomende uit miskenning en verachting der openbaring van den levenden God in zijn midden. Gelijk zijn vader met vijandigen zin Jakob vervolgde, zo deden ook de nakomelingen, in wie het beeld van Ezau (Hebreeën 12:16) zich nauwkeurig afspiegelt. Dezelfde geest van haat komt op verschillende tijden nu eens als openbare aanval, dan eens als verraad en opstand weer voor den dag (Amos 1:11). De wraak van Edom was gericht tegen het voorrecht, dat aan Israël van God was gegeven, tegen Zijne Oppermacht, welke weer berustte op de eigenaardige geestelijke betrekking der beide volken tot elkaar. Zij is daarom naar hare godsdienstige betekenis niets anders dan de permanente opstand, het voortdurend protesteren tegen de door God vastgestelde hogere orde, zijn heilsweg en juist daarin spiegelt zich weer een algemeen grondkarakter der wereld (Obadja 1:11) af (Johannes 15:18 v. 1 Johannes 3:13
Bij de wraak, den Edomieten gedreigd, moet worden opgemerkt, dat de vaste formule hier harder klinkt. Zij zullen Jehova niet leren kennen, maar Jehova's wraak. Diensvolgens moet worden opgemerkt, hoe uitdrukkelijk op den voorgrond wordt gesteld, dat God dit gericht van Edom niet door een ander heidens volk, maar door Israël wil volvoeren.
Dit is in lateren tijd vervuld toen de Joden lang na het terugkeren uit Babel onder den Makkabesen vorst Johannes Hyrkanus (omtrent 127 v. C.) het noordelijk gedeelte van Edom (Idumea) hadden veroverd, de bewoners tot de besnijdenis dwongen en in hunnen staat inlijfden. Het zuidelijk deel van Edom bleef vrij, en werd met de hoofdstad Petra tot Arabië gerekend (vgl. over de nauwkeurige toedracht de opmerk. bij Genesis 27:40). De wezenlijke inhoud der Godsspraak berust niettemin op het typisch karakter van Edom in de profetie, naar hetwelk de eerstgeborene, wereldsgezinde broeder, Ezau, voor den later geboren geestelijken Jakob Israël moet wijken (Genesis 25:23), die de erfgenaam des verbonds is, door den Heere met Abraham gesloten.
De Joden verklaren naar oude traditie Edom meestal van den Anti-Christ, en noemen dezen ook Edom (vgl. Jes 63:1). Deze volken zijn integendeel een type van de secten, die vijandig tegen over de kerk staan en van de onchristelijke kinderen der wereld, die in haar leven.