11. Ik zal ook in Moab gerichten Mijner straffende gerechtigheid oefenen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
De toestand en het lot van Juda komt Moab geheel gelijk voor met dat van alle overige volken. Het blijft dus geheel ongevoelig voor de eigenaardige hoogheid en heerlijkheid van Gods volk, die ondanks alle nederlagen blijft, en betoont daardoor tevens gebrek aan alle moeilijke indrukken van het volk Gods zelf. Naast Moab is reeds hier Seïr genaamd, hoewel daarvan eerst in Vers 12, nader wordt melding gemaakt, maar zeer gepast, als om dadelijk aan te kondigen, dat die gezindheid niet juist Moab bijzonder eigen is, niet tot deze beperkt is, maar ene veel algemenere, voor deze volken in `t algemeen karakteristieke is.
Edom komt steeds voor als de meest verbitterde loochenaar van het eerstgeboorterecht, van den Goddelijken voorrang van Israël. Dat Moab hierin als Edom handelt, houdt ene bijzondere aanklacht in (Numeri 21:11).
De zonde van Moab bestaat in het loochenen der waarachtige Godheid van Israëls God; want alleen op grond van deze kon Israël op gelijken voet met alle andere volken worden gesteld. Het voorwendsel tot die loochening ontleenden zij aan Israëls ellende, die zij niet uit Israëls schuld afleidden, maar uit de machteloosheid van zijnen God. Daarin zagen zij een duidelijk bewijs tegen Zijne waarachtige en volkomene Godheid. "Hun God Jehova, het ware absolute zijn, de oorsprong van alle dingen, de onvoorwaardelijk te vertrouwen Helper der Zijnen, is slechts ene fantasie. anders moesten zij de bovenhand hebben en niet bezwijken. " Deze volkomene Godheid, voor wier geschiedkundig, voor de hand liggende bewijzen zij misdadig de ogen sluiten, moeten zij nu uit hun eigen verderf leren kennen. De misdaad is schijnbaar gering, maar zij is die, om welke nog tot op den huidigen dag de volken te gronde gaan. Zoals de mens zich plaatst in betrekking tot dien God, die geschiedkundig in Zijne kerk is geopenbaard, daarnaar wordt zijn lot bepaald. Het lot, dat Moab en zijne deelgenoten om de betrekkelijk zo geringe zonde heeft getroffen, welke hij geenszins als ene zodanige aanzag, is ene waarschuwing, die wij niet onopgemerkt mogen laten voorbijgaan.
De drie steden in Vers 9 gevormd, lagen in de landstreek ten noorden van den Arnon, die reeds vóór het uittrekken der Israëlieten aan de Moabieten door de Ammonieten was ontnomen (Numeri 21:26), vervolgens door den stem van Ruben in bezit werd genomen (Numeri 32:33, Jozua 13:15 v.), na wegvoering der Trans-Jordaanse stammen door de Assyriërs (2 Koningen 15:29) echter weer door de Moabieten werd bezet, zoals wij uit Jesaja 15, 16 en Jeremia 48 kunnen zien, waar de steden van deze landstreek weer als Moabietische steden worden voorgesteld. Daarop is nu het gewicht in onze plaats te leggen, dat deze landstreek en deze steden eigenlijk en van rechtswege Israëlietische steden waren, dat zij alleen wederrechtelijk in het bezit der Moabieten zich bevonden. Van deze steden, deze landstreek, die slechts wederrechtelijk aan Moab behoorde, die eigenlijk Israëls eigendom was, zullen de volvoerders van Gods gericht over Moab komen, daar zullen zij zijn gebied betreden, waar het tegen het recht hun gebied was.
Ook de Moabieten zullen evenals den kinderen Ammons, zo ook den zonen van het Oosten ten buit worden, en als deze door den God van Israël worden gevonnisd, opdat zij Hem leren erkennen; zij zullen uit de herinnering der volken verdwijnen.