Ezechiël 24:15-27
Deze verzen zijn het besluit van datgene waarmee wij ons van het begin van dit boek af hadden bezig te houden, namelijk Ezechiëls profetieën van de verwoesting van Jeruzalem, want, hoewel hij hierna nog veel van andere volken profeteerde, zei hij niets meer betreffende Jeruzalem, totdat hij van de verwoesting hoorde bijna drie jaar later, Hoofdstuk 33:21.. In het vorige deel van dit hoofdstuk had hij hun verzekerd, dat er in het geheel geen hoop was om de ramp te voorkomen, hier verzekert hij hun, dat zij zelfs de troost niet zouden hebben, er over te wenen.
I. Het teken, waardoor hun dit werd voorgesteld, en het was een teken, dat de profeet diepe smart veroorzaakte, te meer schande was het voor hen, dat, waar het hem zo duur te staan kwam, om hen te treffen met hetgeen hij hun zeggen moest, zij `t dan ook op goddelijk bevel, zij er toch niet door getroffen werden.
1. Hij moet een goede vrouw verliezen, die hem plotseling door de dood ontnomen wordt. God gaf er hem tevoren kennis van, opdat het hem minder verrassen zou, vers 16 :Zie, Ik zal de lust uwer ogen wegnemen door een plaag.
a. De gehuwde staat kan zeer goed samengaan met het profetisch ambt, het is eerbaar onder allen, en daarom geen zonde onder predikanten.
b. Veel van de troost van het menselijk leven ontvangen wij van liefhebbende betrekkingen. Zonder twijfel vond Ezechiël een verstandige tedere echtgenote, die zijn smart en zorgen deelde, en een gelukkig deelgenoot was van zijn gevangenschap.
c. "Echtgenoten moeten elkaar een deksel van de ogen zijn", Genesis 20:16, om te beletten, dat hun ogen naar anderen afdwalen, maar een lust van de ogen om elkanders vriendelijke blikken tot zich te trekken. Een geliefde vrouw is een lust van de ogen, waardoor iedere andere minder is dan zij.
d. Het is minst veilig, wat het meest dierbaar is, wij weten niet, hoe spoedig de lust van onze ogen kan weggenomen worden en het verdriet van ons hart worden, wat een goede reden is, voor hen, "die vrouwen hebben, om te zijn als niet hebbende, en die blij zijn, over haar als niet blij zijnde". I Corinthiers. 7:29, 30. De dood is een plaag zelfs voor de vroomste de nuttigste, en de beminnelijkste zijn er niet van vrijgesteld.
e. Als de lust van onze ogen door een plaag weggenomen wordt, moeten wij daar de hand Gods in zien en erkennen: Ik zal de lust uwer ogen wegnemen. Hij neemt de troost van de wereld van ons af, wanneer en zoals Hem behaagt, Hij gaf ons dien, maar behield Zichzelf het eigendomsrecht voor, en is het Hem niet geoorloofd te doen met het Zijn wat Hij wil?
f. Onder beproevingen als deze is het goed voor ons, ons te herinneren, dat wij mensenkinderen zijn, want zo noemt God de profeet hier. Indien gij een zoon van Adam zijt, dan is uw vrouw een dochter van Eva, en dus een sterfelijk schepsel. Het is een beproeving, waaraan de mensenkinderen onderworpen zijn, en zal de aarde om onzentwille verlaten worden? In overeenstemming met deze voorspelling, verhaalt hij ons, vers 18:Ik sprak tot het volk in de morgenstond, want God zond Zijn profeten, vroeg op zijnde en zendende, zo ooit, dan zouden zij op dat uur geneigd zijn naar Hem te luisteren. A. Al had God Ezechiël het zekere vooruitzicht op deze beproeving gegeven, toch ontrukte hem dat niet aan zijn werk, maar hij besloot er mee voort te gaan.
B. Wij kunnen een beproeving makkelijker dragen, als die ons op de weg van onze plicht vindt, want niets kan ons deren, niets kan verkeerd met ons gaan, zolang wij in de liefde Gods blijven.
2. Hij moet zich de troost ontzeggen, van over zijn vrouw te treuren, wat beide, een eer voor haar en een verlichting van de gedruktheid van zijn eigen gemoed zou geweest zijn. Hij mag zijn smart niet op de gewone wijze uiten, vers 16. Hij mag geen lucht geven aan zijn geprangd gemoed door te wenen of zijn tranen te laten voortkomen, hoewel tranen een schatting zijn, die men aan de doden verplicht is en, als het lichaam gezaaid wordt, past het het aldus te besproeien. Maar Ezechiël mag dat niet doen, hoewel hij dacht, dat hij er evenveel reden toe had als iemand, en men misschien minder goede gedachten van hem hebben zou, als hij het naliet. Veel minder mag hij de vormelijke gebruiken van de rouwdragenden navolgen. Hij moet zich kleden in zijn gewone kleding, hij moet zijn turban opzetten, hier hoed genoemd, hij moet zijn schoenen aan zijn voeten doen, en niet barrevoets gaan, zoals in zulke gevallen gebruikelijk was, hij moet "de bovenste lip niet bewinden, geen doek over zijn hoofd werpen, (zoals onder die rouwklaagden gebruikelijk was), Leviticus 13:45 geen droevig gezicht tonen, om te laten zien, dat hij vastte" Mattheus 6:16. "Hij mag het brood van de lieden niet eten, en niet verwachten, dat zijn buren en vrienden hem levensmiddelen zullen zenden, zoals zij gewoonlijk in zulke gevallen deden omdat men veronderstelde, dat de treurenden geen moed hadden om voor zichzelf iets klaar te maken". Als er iets gezonden werd, mocht hij er niet van eten, maar hij moest zijn werkzaamheden, evenals anders, voortzetten. Het was haast te veel voor vlees en bloed de dood niet te mogen betreuren van iemand, die hij zo teder liefhad, maar God beveelt het: en ik deed in de morgenstond, gelijk mij geboden was. Hij verscheen in het openbaar, in zijn gewone kleding, en zag er uit als altijd, zonder enig teken van rouw.
a. Het was hier iets zeer bijzonders, en om het volk een teken te kunnen zijn, moet Ezechiël zich geweld aandoen, en een buitengewone zelfbeheersing in toepassing brengen. Onze neigingen moeten altijd onderworpen blijven aan Gods bevelen, en Zijn gebod moet zelfs gehoorzaamd worden, als het uiterst moeilijk en onaangenaam voor ons is het te volbrengen.
b. Hoewel het treuren over een dode plicht is, moet het toch altijd onder de heerschappij blijven van de godsdienst en het gezond verstand, en wij moeten "niet bedroefd zijn als die geen hope hebben" en het verlies van geen enkel schepsel ook niet van dat, `t welk de grootste waarde voor ons heeft, en dat wij `t moeilijkste kunnen missen, betreuren, alsof wij onze God verloren hadden, of, alsof al ons geluk te gelijk daarmee verdwenen was, en van die gematigdheid in het treuren moeten predikanten, wanneer zij in dat geval verkeren, het voorbeeld geven. Op zo'n ogenblik moeten wij er ons op toeleggen uit de beproeving voordeel te trekken, ons er naar te schikken, en onze betrekkingen tot andere mensen uit te breiden, na de wegneming van onze dierbare verwanten en leren om met Job "de naam des Heren te loven, " zowel wanneer Hij neemt, als wanneer Hij geeft.
II. De uitlegging en toepassing van dit teken. De mensen vroegen, wat dat te betekenen had, vers 19 :Zult gij ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat gij aldus doet? Zij wisten, dat Ezechiël een liefhebbend echtgenoot was, dat de dood van zijn vrouw een grote beproeving voor hem was, en, dat hij niet de schijn zou aannemen, dat het hem onverschillig was, zonder goede reden en de bedoeling hun iets te leren, en misschien koesterden zij de hoop, dat het een gunstige betekenis had en begrepen zij er uit, dat God hen nu opnieuw troosten zou, naar de tijd dat Hij hen beproefd had, en hun reden geven er vrolijk uit te zien. Als wij naar de dingen Gods vragen, dan moet onze vraag zijn: "Wat zijn ons deze dingen? Welk belang hebben wij er bij? Welke overtuiging, welke raad, welke troost spreekt er ons uit toe? Welke betrekking hebben zij tot ons geval?" Ezechiël geeft hun antwoord, verbatim- woord voor woord, zoals hij het van de Here ontvangen had, die Hem meegedeeld had, wat hij het huis Israëls zeggen moest.
1. Zij moeten weten, dat, zoals Ezechiëls vrouw door de dood van hem weggenomen was, God hun ontnemen zou wat hun `t dierbaarste was, vers 21. "Indien dit gedaan werd aan het groene hout, wat zou aan het dorre geschieden!" Indien een getrouw dienaar van God aldus bedroefd werd, alleen tot zijn beproeving, zou dan een heel geslacht van weerspannigen tegen God ongestraft blijven? Door deze waarschuwende leiding toonde God, dat Hij Zijn bedreigingen ernstig meende, en onverbiddelijk was. Wij mogen veronderstellen, dat Ezechiël bad, dat, als het de wil van God was, Zijn vrouw gespaard mocht worden, maar dat God niet naar hem wilde horen, en zou Hij dan naar hem horen als hij tussenbeide kwam voor dit tergende volk? Neen, het besluit is genomen: "God zal de lust uwer ogen van u wegnemen." Het wegnemen van de vertroostingen van anderen behoort ons op te wekken, om er aan te denken, dat de onze ook wel weggenomen konden worden, wat zijn wij beter dan zij? Wij weten niet hoe spoedig dezelfde beker, of een, die nog bitterder is, aan ons te drinken gegeven zal worden, en daarom behoren wij te wenen met de wenenden, daar wij ook in het vlees zijn. "God zal wegnemen de verschoning van uw ziel," dat is: datgene waarvan men zegt: Hoe jammer, dat het afgesneden en vernietigd moet worden! Dat waarvoor uw ziel bevreesd is (lezen sommigen), gij zult datgene verliezen, wat gij het meest vreest te verliezen. En wat is dat?
a. Wat hun openbare trots was, de tempel: "Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, door het in des vijands hand te geven, om geplunderd en verbrand te worden." Dit werd betekend door de dood van een vrouw, een dierbare vrouw, om ons te leren, dat Gods heiligdom ons dierbaarder behoort te zijn, en meer de lust van onze ogen, dan enige wereldse troost, welke dan ook. De kerk van Christus, die Zijn bruid is, behoort ook de onze te zijn. Hoewel dit volk zeer bedorven was, en zij zelf het heiligdom hadden ontheiligd, toch wordt het de lust van hun ogen genoemd. Velen, die de kracht van de godzaligheid missen, zijn toch zeer gesteld op de gedaante van de godzaligheid, en het is rechtvaardig van God hen te straffen voor hun huichelarij door hen daar ook van te beroven. Het heiligdom wordt hier genoemd de heerlijkheid van hun sterkte, zij hadden vele sterkten en vestingen, maar de tempel overtrof ze alle. Het is de trots van hun sterkte, zij roemden er in als hun sterkte, dat zij "de tempel des Heren waren", Jeremia 7:4. De kerkelijke voorrechten, waarop de mensen trots zijn, worden door hun zonden ontheiligd, en het is rechtvaardig van God hen te ontheiligen door Zijn oordelen. En met hen zal God wegnemen,
b. De genietingen van de bloedverwantschap, die een bron van genot voor hen was "Uw zonen en uw dochters (die u te dierbaarder zijn, omdat er maar weinig van de vele zijn overgebleven, daar de anderen door honger en pestilentie zijn omgekomen) zullen door het zwaard van de Chaldeën vallen." Welk een vreselijk schouwspel zou het voor hen zijn als zij hun eigen kinderen, als `t ware een deel van hen zelf, en hun eigen beeltenis, die zij met zoveel moeite en zorg groot gebracht hadden, en die zij liefhadden als hun eigen ziel, opgeofferd zagen aan de woede van de onbarmhartige overwinnaars! Dat, dat was de straf van de zonde.
2. Zij moeten weten, dat zij evenmin over hun beproeving zullen wenen, als Ezechiël over de zijne. Hij moet zeggen: Gijlieden zult doen, gelijk als ik gedaan heb, vers 22. Gij zult niet rouwklagen noch wenen, vers 23. Jeremia had hun hetzelfde gezegd: "Men zal de doden niet begraven, noch zichzelf insnijden," Jeremia 16:6, niet dat hun smart gematigd en verzacht zei worden door genadige omstandigheden, buiten hen, of door hun eigen wijsheid en zelfbeheersing, maar zij zullen niet rouwklagen, want,
a. Hun smart zal zo groot zijn, dat zij er geheel door overstelpt zullen zijn, hun gemoedsaandoening zal hun het spreken beletten, en zij zullen niet bij machte zijn er uiting aan te geven.
b. De rampen zullen zo snel over hen komen de ene vlak achter de andere, dat zij op de lange duur door hun smart verhard, verstompt en versuft zullen worden.
c. Zij zullen niet wagen hun smart onder woorden te brengen, uit vrees hun overwinnaars onaangenaam te zijn, die hun weeklachten zouden beschouwen als een belediging en storing van hun overwinningsvreugde.
d. Zij zullen geen moed, geen tijd en geen geld hebben om zich in de rouw te steken en zich het genoegen te verschaffen de voorschriften betreffende de uiting hunner smart in acht te nemen. "Gij zult zo geheel in beslag genomen worden door wezenlijke, ernstige smart, dat er geen plaats zal zijn voor de schijn er van."
e. Niemand zal nodig hebben om zijn smart te laten zien door de bovenste lip te bewinden, en zijn sieraden af te leggen, en barrevoets te gaan, want het is bekend, dat er niemand is, die geen rouw draagt.
f. Op niemand zal zijn beproeving en smart de uitwerking hebben, hem tot bekering te brengen, maar ze zullen hem tot wanhoop brengen: "Gij zult in uw ongerechtigheden versmachten met een verdorven hart en een toegeschroeid geweten, en gij zult zuchten, niet in het gebed tot God en belijdenis uwer zonden, maar een ieder tegen zijn broeder", zij zullen ontevreden zijn en morren en zich over God beklagen, en aldus hun last zwaarder en hun wond pijnlijker maken, zoals iemand doet, die ongeduldig is, door zijn ongeduld met zijn beproevingen te vermengen.
III. Een beroep op de afloop ter bevestiging van dit alles, vers 24 :Als dit komt, zoals voorspeld is, wanneer Jeruzalem dat vandaag belegerd wordt, geheel verstoord en verwoest is, wat gij nu niet geloven wilt, dat ooit gebeuren zal, dan zult gij weten, dat Ik de Here ben, die u deze waarschuwing tijdig gegeven heeft. Dan zult gij u herinneren, dat Ezechiël u tot een teken was. Die geen acht slaan op de bedreigingen van het Woord, wanneer het gepredikt wordt, zullen zich die wel moeten herinneren, als zij uitgevoerd worden. Hier vinden wij:
1. De grote verwoesting, waarmee het beleg van Jeruzalem zou eindigen, vers 25 :Op dezelfde dag, op die verschrikkelijken dag, als de stad doorgebroken zal worden, zal Ik van hen wegnemen,
a. Datgene, waarop zij steunden-hun sterkte, hun muren, hun schatten, hun vestingen hun krijgslieden, niets van dat alles zal hen kunnen helpen. b. Datgene, waarop zij zich beroemden-de vreugde van hun sieraad, wat zij beschouwden als hun grootste sieraad en waarin zij zich het meest verblijdden, de tempel van hun God en de paleizen hunner vorsten.
c. Datgene, wat hun vreugde uitmaakte, "wat de lust van hun ogen was, en het verlangen van hun ziel." De ziel van vleselijke mensen verlangt datgene, waarop zij hun ogen vestigen, zij zien, en zijn verzot op de dingen, die gezien worden, en het is hun dwaasheid dat te verlangen, waarvan zij geen ogenblik zeker zijn en wat in een ogenblik van hen weggenomen kan worden, Spreuk. 23:5. Hun zonen en hun dochteren waren dat alles-hun sterkte, hun vreugde en hun sieraad, en deze zullen in gevangenschap gaan.
2. Het bericht, dat de profeet gebracht zou worden, niet door openbaring, zoals het bericht van het beleg hem gebracht werd, vers 2, maar op de gewone wijze, vers 26 : Een ontkomene zal op dezelfde dag op uitdrukkelijk bevel van de Voorzienigheid tot u komen, om u het nieuws mee te delen, en dat dat gebeurd is, vinden wij in Hoofdstuk 33:21. Het slechte nieuws kwam langzaam, en toch voor Ezechiël en zijn medegevangenen te vroeg.
3. De goddelijke kracht, die in hem werken zou, als hij dat bericht ontving, vers 27. Terwijl Ezechiël van deze tijd af tot die toe, in zoverre stom was, dat hij niet meer profeteerde tegen het land van Israël, maar tegen de naburige volken, zoals wij zullen vinden in de volgende hoofdstukken, zal hij daarna bevel krijgen, om tot kinderen van zijn volk te spreken, Hoofdstuk 2:22, dan zal zijn mond opengedaan worden. In die tussentijd werd de profetie tegen hen geschorst, omdat Jeruzalem belegerd werd, en zijn profetieën niet in de stad konden komen, - omdat, terwijl God zo luide sprak door de roede, er minder behoefte was aan het gesproken woord, -en omdat daarna de vervulling van zijn profetieën de volledige bevestiging zou zijn van zijn zending, en de weg volkomener voor hen banen zou om opnieuw te beginnen. Daar naar die afloop verwezen was, moest op die afloop gewacht worden. Zo verbood ook Christus Zijn discipelen openlijk te prediken, dat Hij de Christus was tot na Zijn opstanding, omdat dat het volledig bewijs er van zou zijn. Maar dan zult gij spreken met te meer verzekerdheid, en uitwerking, hetzij tot hun overtuiging, hetzij tot hun verbrijzeling. Godsprofeten wordt nooit het zwijgen opgelegd dan met wijze en heilige bedoelingen. En, als God hun mond opnieuw opendoet (zoals Hij te van Zijn tijd doen zal, want zelfs de getuigen, die gedood zijn, zullen opstaan) dan zal blijken dat het tot Zijn eer geweest is, dat zij een tijd lang zwegen, opdat een ieder zeker en ten volle wete, dat God de Here is.