14. Ik, de HEERE, heb het gesproken (
Hoofdstuk 12:17); het zal komen, en Ik zal het doen, zodat Mijn toorn zich op die genoemde wijze aan u koele. Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet a) verschonen noch berouw hebben; naar uwe wegen en naar uwe handelingen zullen zij, de Chaldeën, die geroepen zijn Mijne oordelen over u te volvoeren, u b) richten (
Hoofdstuk 7:8 v. 27), spreekt de Heere HEERE.
a) Ezechiel 5:11. b) Ezechiel 23:24.
Het eerste woord Gods (Vers 3-14) stelt den gang en het resultaat voor van de belegering, die met dezen dag begonnen is. Het wijst in ene gelijkenis aan, hoe Jeruzalem en zijne bewoners in de belegering zullen gekookt worden als vlees in een pot, hoe de inwoners daardoor zullen worden uitgeroeid, en de stad zelf verwoest, en dit om de haar aanklevende zonde en ongerechtigheid.
Uit de woorden: "gebruik ene gelijkenis" volgt, dat de volgende handeling, die den Profeet bevolen werd te doen: "Zet enen pot toe enz" voor gene werkelijke symbolische handeling is te houden, welke hij inderdaad moest volbrengen, maar deze handeling vormt den inhoud der gelijkenis en behoort alleen tot de parabel. Daarom is ook de verklaring van de parabel (v. 10 vv.) in den vorm ener handeling gekleed.
Aan ene handeling, die werkelijk heeft plaats gehad, laat ook bijv. Vers 5 in `t geheel niet denken, volgens hetwelk een aantal schapen in den pot moesten worden gedaan.
De gelijkenis slaat verder op het gezegde, dat de Joden in Jeruzalem in hunnen overmoed tegen de bedreigingen van den Profeet overstelden. (Ez. 11:3). "De stad is de pot, wij zijn het vlees. " Zij meenden, dat zij in de vaste stad, gelijk het vlees in den pot, wel bewaard blijven en veilig wonen zouden, totdat het alles zou voleindigd zijn.
De herhaalde oproeping, die groten haast te kennen geeft: "zet toe, zet toe" is te gelijk sarkasme: haal den pot; Nebukadnezar heeft zich rondom de muren gelegerd, nu moge het blijken, in hoeverre hun spreekwoord een waar woord is.
De pot met vlees en beenderen is Jeruzalem met de daarin geslotenen, het vuur en het koken betekent de belegering, het op het vuur zetten is de insluiting, en zeker de aanzienlijkste bewoners des lands, het meest tot tegenstand machtig, zullen in de stad ingesloten en door de belegering vernietigd worden.
Lenden en schouder worden voor de beste en smakelijkste stukken van het dier gehouden en waren bij maaltijden bijzonder geliefd (Leviticus 7:32. 1 Samuël 9:23 v. de beenderen komen als de meest vaste delen in aanmerking, welke het meest aan het vuur weerstand bieden, en gelijk nu onder lenden en schouder de aanzienlijkste en edelste lieden bedoeld zijn, zo onder de beenderen vol merg de moedigste en dapperste. Een ontzaglijk groot vuur, een ware gloed moet dan onder den pot worden aangebracht, zodat daardoor alle er in geworpen stukken, zelfs de beenderen verkookt worden. Daartoe dient de houthoop, zo groot, zo buitengewoon sterk moet het vuur zijn, om zelfs de beenderen te kunnen koken en verbranden.
In den toorn Gods is, omdat die Zijne versmade liefde is, even als in de liefde Gods, ijver en hevigheid. Het beste is ook voor Zijne straffen niet te goed.
Wanneer u, o zondaar! Gods goedheid en weldaden niet meer kunnen verbeteren, moet Hij U in den oven der ellende werpen, of gij zo tot erkentenis zoudt mogen komen.
Met Vers 6 begint de verklaring der gelijkenis, doch zo, dat daarmee de verdere ontwikkeling hand in hand gaat.
Ene in de gelijkenis zelf niet vermelde omstandigheid, de roest aan den pot wordt er bijgevoegd en daardoor het beeld van den pot uitgebreid. Daar Jeruzalem ene stad van bloedschuld is, gelijkt zij op een pot, aan welken onverdelgbare roestvlekken zijn.
Het woord van den grondtekst kan iets gebrands, ene brandvlek betekenen; juister is er echter ene roestvlek onder te verstaan, zoals die door vocht aan het metsal komt, waardoor het verteerd wordt (Jakobus 5:3).
Aan Jeruzalem kleeft ene bloedschuld gelijk vergiftige roest aan het binnenste van een pot.
Omdat de roest niet wil wijken, moet het uiterste middel worden aangewend om het weg te doen, namelijk het vuur (Vers 11), waardoor met den roest de pot zelf te niet gaat.
Om den pot vooraf ledig te maken en dien nog eens over het vuur te kunnen zetten, opdat de roest, die daaraan kleeft, worde uitgebrand, terwijl hij zelf te niet gaat, moeten de vleesstukken worden uitgehaald, nadat ze gekookt zijn. Dit uithalen der stukken betekent het wegdoen van de inwoners uit de stad (Hoofdstuk 2:7), zowel door ze te doden als ze gevankelijk weg te voeren.
Daarbij zal niet het lot worden geworpen, welke stukken het eerst, welke het laatst uit den pot moeten worden genomen; zij moeten allen weg en zonder onderscheid zullen rijken en armen, jongen en ouden omkomen, of gevankelijk worden weggevoerd.
Bij de vorige gevankelijke wegvoeringen was geloot, wie zouden ontgaan en wie zouden blijven. Nu echter onder Zedekia zouden allen zonder onderscheid worden uitgestoten.
De wegvoering uit de veroverde stad geschiedde zonder enig bijzonder blijk der Goddelijke Voorzienigheid, die in grote noden altijd nog een troost is; het ging zo als in Jeremia 15:2 geschreven staat.
In Vers 7 wordt de reden dezer bedreiging opgegeven, door de voorstelling van Jeruzalems zonde. De stad heeft bloed vergoten, dat niet met aards bedekt maar onbedekt gebleven is, als bloed, dat op een harden rotssteen is uitgegoten, hetwelk de steen niet kan inzuigen, en dat, omdat het niet bedekt is, tot God om wrake roept. De gedachte is deze: zij heeft misdadig en schaamteloos gezondigd en niets gedaan, om hare schuld te bedekken, heeft geen spoor van berouw en bekering getoond, om van hare schuld te worden verlost.
Men heeft hier in het bijzonder te denken aan de talrijke gerechtelijke moorden, welke door die partij werden bedreven, welk het staatsroer in handen had. De partij van buitenlandse alliantie's, welke tegen allen woede, die in den naam van den God van Israël zich tegen dien echtbreuk verhieven; een voorbeeld van zulk een gerechtelijken moord is dat van den profeet Uria in Jeremia 26:20,
Jeruzalem heeft zich wonder vrij geacht in de stoutmoedigheid, waarmee het zondigde; maar, zo betuigt Vers 3, alles geschiedde alleen, om Gods gericht te weeg te brengen.
De Heere zelf heeft het tot hare schande gewild, dat het bloed niet op de aarde zou vloeien, waar het door stof kon bedekt worden, als of de schuld zou verzoend zijn, maar altijd zouden de onuitwisbare sporen bloed, aan de droge rotsen klevende, luide om wrake roepen.
De aarde zuigt het bloed in, dat naar recht vergoten is, of bedekt dat, hetwelk niet gewroken wordt aan hem, die het vergoten hoeft; daarentegen het bloed, dat moet gewroken worden, daarvan wordt gezegd, dat de aarde het niet bedekt, of ook te zijner tijd zal ontdekken (Job 16:18. Jesaja 26:21).
Om het bloed van Christus, op Golgotha vergoten, verbrandde later Titus de stad.
Ook in de zonden der mensen openbaart zich Gods leiding en regeling. De Profeet steekt (Vers 9, 10) in den naam van God eerst het vuur der rechtvaardige vlammen van Gods toorn aan onder de ketels der bloedstad, zodat het vlees zijner bewoners in ziedende hitte wordt gaar gestookt. Ziet daar het verwoestende vuur van Jeruzalem's (Chaldeeuwse) belegeraars.
Op de vernietiging der bewoners, afgebeeld door vlees en beenderen, volgt in Vers 11 de vernietiging van de stad zelf, afgebeeld door den ketel of pot.
Men mag tegen de wijze der profetische voorstelling niet willen aanbrengen, dat de reiniging van den ketel aan het koken van het vlees daarin had moeten voorafgaan, en niet had moeten volgen, en dat, op de zaak zelf gezien, de roest der zonde toch niet aan de stad als menigte van huizen maar aan het volk kleefde, en met vernietiging daarvan de reiniging reeds van zelf was volbracht; want wat de eerste tegenspraak aangaat, zo wordt hier niet gesproken over een koken van het vlees, opdat het gegeten worde; het vlees moest in den pot verkookt worden, om vernietigd en weggeworpen te worden, waartoe men den pot vooraf niet behoefde te reinigen. En wat de tweede aangaat, zo kleeft het vuil der zonde zeker aan den mens, maar volgens Bijbelse zienswijze niet aan dezen alleen, maar het breidt zich ook uit tot de zaak, of tot hetgeen den zondaar toebehoort, op den gehelen krijg van zijne werkzaamheid en van zijne bezitting, zoals ook de aarde is vervloekt om des mensen wil, en Gods gerichten niet slechts over mensen, maar tevens over steden en landen gaan.
Ook door Christus liet Jeruzalem zich daarna niet reinigen.
Verder-dat is de eerstvolgende toekomst rust de toorn Gods op Israël.
De Joden gevoelen dien tot op dezen dag (Richter) vgl. Jesaja 4:4.