Bijbelstudie
Boeken
Ezechiël 7
Statenvertaling
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
1
DAARNA geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
2
Verder, gij mensenkind, zo zegt de Heere HEERE, van
1
het land Israëls: Het
2
einde is er; het einde
3
is gekomen over de vier
4
hoeken des lands.
3
Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn
5
toorn tegen u zenden, en Ik zal u
6
richten naar uw
7
wegen, en Ik
8
zal op u brengen al uw gruwelen.
4
a
En
9
Mijn oog zal u niet verschonen en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en
10
uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en gijlieden zult weten dat Ik de HEERE ben.
5
Zo zegt de Heere HEERE: Een
11
kwaad, een
12
enig kwaad, zie, is gekomen.
6
13
Een einde is er gekomen,
14
dat einde is gekomen,
15
het is
16
opgewaakt tegen u; zie,
17
het
kwaad
is gekomen.
7
18
De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands; de tijd is gekomen, de dag
19
der beroerte is nabij, en er is geen
20
wederklank der bergen.
8
Nu zal Ik
21
in kort Mijn
22
grimmigheid over u uitgieten en Mijn toorn
23
tegen u volbrengen en u richten naar uw
24
wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.
9
En Mijn oog zal niet verschonen en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en
25
uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en gijlieden zult weten dat Ik de HEERE ben,
26
Die slaat.
10
Zie,
27
de dag, zie,
28
de morgenstond
is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de
29
roede heeft gebloeid,
30
de hovaardij heeft gegroend.
11
Het
31
geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets
32
van hen zal
overblijven
, noch van
33
hun menigte, noch van
34
hun gedruis, en
35
geen klage zal over hen zijn.
12
36
De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper
37
zij niet blijde en de verkoper
38
bedrijve geen rouw; want een
39
brandende toorn is over de gehele menigte
40
van het
land
.
13
Want de verkoper zal tot
41
het verkochte niet
42
wederkeren,
43
ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; overmits
44
het gezicht aangaande de gehele menigte
45
van het
land
niet zal
46
terugkeren; en
47
niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.
14
Zij hebben met de trompet getrompet en hebben
48
alles bereid, maar niemand
49
trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de gehele menigte
50
van het
land
.
15
Het zwaard is
51
buiten, en de pest en de honger
52
van binnen;
53
die op het veld is, zal door
54
het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren.
16
En hun
55
ontkomenden zullen
wel
ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven
56
der dalen,
57
kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid.
17
Alle handen zullen
b
58
slap worden, en alle knieën
59
zullen heenvlieten
als
water.
18
Ook zullen zij zakken
c
60
aangorden,
61
gruwen zal hen bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden
62
kaalheid.
19
Zij zullen hun zilver op de straten
63
werpen, en hun goud zal tot
64
onreinheid zijn;
d
hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten
65
dage der verbolgenheid des HEEREN; hun
66
ziel zullen zij niet verzadigen en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want
67
het zal de
68
aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.
20
En
69
Hij heeft de
70
schoonheid Zijns sieraads ter
71
voortreffelijkheid gezet; maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen
en
hunner verfoeiselen gemaakt; daarom heb Ik
72
dat hun tot
73
onreinheid gesteld.
21
En Ik zal
74
het in de hand der
75
vreemden overgeven ten roof, en den
76
goddelozen der aarde ten buit, en zij zullen het
77
ontheiligen.
22
Ook zal Ik Mijn aangezicht van
78
hen omwenden, en zij zullen Mijn
79
verborgen plaats ontheiligen; want
80
inbrekers zullen daar
81
inkomen en die ontheiligen.
23
Maak
82
een keten, want het land is vol van
83
bloedgerichten, en de stad is vol van
84
geweld.
24
Daarom zal Ik de
85
kwaadste der heidenen doen komen, die hun huizen
86
erfelijk bezitten zullen, en zal den
87
hoogmoed
88
der sterken doen ophouden, en die
89
hen heiligen, zullen ontheiligd worden.
25
De
90
ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn.
26
Ellende zal op ellende komen, en er zal gerucht op gerucht wezen; dan zullen zij het gezicht
91
van een profeet zoeken, maar de
92
wet zal vergaan van den priester, en de raad van de
93
oudsten.
27
De koning zal rouw bedrijven en de vorsten zullen
94
met verwoesting bekleed zijn, en de handen van
95
het volk des lands zullen
96
beroerd zijn; Ik zal hun doen
97
naar hun weg, en
98
met hun rechten zal Ik hen richten; en zij zullen weten dat Ik de HEERE ben.