Ezechiël 12:17-20
Hier wordt hun de profeet opnieuw tot een teken gemaakt van de verwoestingen, die in aantocht waren over Juda en Jeruzalem.
1.Hij moet zelf eten en drinken met beving en met kommer, vooral in gezelschap, vers 17,18. Hoewel hij zelf niet behoefde te vrezen voor enig gevaar, maar in veiligheid en overvloed leefde, toch moet hij zijn brood met beven eten, en zijn water met beroerte en met kommer drinken (het brood van de smarten, Psalm 127:om de rampzaliger toestand uit te drukken van hen, die in Jeruzalem zouden zijn tijdens het beleg, niet, dat hij moet veinzen en doen alsof hij in vrees en bekommering was, terwijl hij dat niet was, maar daar hij dit oordeel had te voorspellen, en om te tonen, dat hij het zelf vast geloofde, en het ver van hem was, het te wensen, was hij, in `t vooruitzicht daarop, zelf door smart en vrees aangedaan. Als predikanten spreken van het verderf, dat over de onboetvaardige zondaars komen zal, moeten zij trachten met gevoel te spreken, als die de schrik des Heeren kennen, en zij moeten er genoegen mee nemen te lijden, als zij maar enig goed kunnen doen.
2. Hij moet hun zeggen, dat de inwoners van Jeruzalem op gelijke wijze met kommer en vrees zouden eten en drinken, vers 19, 20. Beide, die in Jeruzalem wonen en het volk des lands, dat daar een schuilplaats komt zoeken, zullen hun brood met kommer eten, en hun water met verbaasdheid drinken, of omdat zij vrezen, dat de voorraad niet voldoende zal zijn, en zij spoedig gebrek zullen lijden, of omdat zij voortdurend een aanval van de vijand verwachten, zodat "hun leven tegenover hen hangt," Deuteronomium 28:66, zodat zij niet zullen genieten van wat zij hebben en het hun ook niet wel bekomen zal. Als kommer en vreze de overhand hebben, dan is dat al genoeg om al ons genot te vergallen, het zijn op zichzelf smartelijke oordelen. Zij zullen zozeer in `t nauw gebracht worden, dat trapsgewijze en door de hand van degenen die hen aldus benauwen, beide stad en land verwoest zal worden, want het is niet minder dan een volkomen verwoesting van beide, die met deze oordelen bedoeld wordt: "hun land zal woest worden van zijn volheid, ontdaan van zijn sieraad, en beroofd van al zijn vruchten, en dan zullen natuurlijk de bewoonde steden woest worden, want zij worden gediend van het veld". Deze algemene verwoesting was over hen in aantocht, en dus was het geen wonder, dat zij hun brood met vrees en kommer zouden eten. Nu wordt ons gezegd,
a. Hoe grote goddeloosheid de oorzaak van dit oordeel was, het is vanwege het geweld van alle degenen, die daarin wonen, hun onrechtvaardigheid en onderdrukking, en het onrecht, dat zij elkaar aandeden, waarom God hen straffen zou, zowel als voor de ergernissen, hem in Zijn dienst aangedaan. Het verval van de deugd van een volk heeft het verval van alle andere dingen ten gevolge, en als naburige volken elkaar verslinden, dan is het rechtvaardig van God, vijanden over hen te brengen, die hen allen verslindt.
b. Welk een goede uitwerking dit oordeel zal hebben, "Gij zult weten, dat Ik de Heere ben," en als zij door deze oordelen Hem recht leren kennen, dan zal dat hen schadeloos stellen voor alles, waarvan zij door deze verwoestingen beroofd zijn. Dat zijn gelukkige beproevingen, hoe smartelijk overigens voor vlees en bloed, die het middel zijn om ons in kennis te brengen met God, of die inniger te maken.